23/1656 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 april 2023, 21/2327 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 8 mei 2024 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.N. van der Ham, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om vergoeding van schade. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 maart 2024. Appellante is via videobellen verschenen, bijgestaan door mr. Van der Ham. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van de Graaff. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1 Appellante, geboren op [geboortedatum 1] 1994, heeft op 24 mei 2017 een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante kampt met chronische vermoeidheid. Zij heeft bij de aanvraag informatie gevoegd van een psycholoog van 23 december 2015. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige onderzoek gedaan en geconcludeerd dat appellante beschikt over arbeidsvermogen. De aanvraag is afgewezen, maar er is wel een Indicatie banenafspraak toegekend. Appellante heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. 1.2. Appellante heeft met een door het Uwv op 1 maart 2019 ontvangen formulier opnieuw een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Daarbij is vermeld dat appellante te maken heeft met extreme vermoeidheid, hoofd- en spierpijnen, concentratieproblemen en overgevoeligheid voor licht en geluid. Bij de aanvraag is onder meer informatie gevoegd van een psycholoog, cardioloog en reumatoloog. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante op de datum van de aanvraag geen arbeidsvermogen heeft, maar dat dit niet duurzaam is. Met een besluit van 12 juni 2019 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.3. Bij besluit van 21 februari 2020 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 1.4. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 3 september 2020 het beroep tegen het besluit van 21 februari 2020 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellante dient te beslissen. De rechtbank heeft hierover overwogen dat het Uwv ten onrechte niet heeft beoordeeld of appellante op haar achttiende verjaardag en in de vijf jaren daarna over arbeidsvermogen beschikte. 1.5. Bij besluit van 28 april 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank. Het Uwv heeft alsnog beoordeeld of appellante op haar achttiende verjaardag en in de vijf jaren daarna over arbeidsvermogen beschikte en geconcludeerd dat appellante op beide momenten beschikte over arbeidsvermogen. Vervolgens heeft het Uwv het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard, onder aanpassing van de motivering. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2.1. De rechtbank heeft het onderzoek op 18 februari 2022 heropend en nadere vragen gesteld aan het Uwv. Desgevraagd heeft het Uwv op 25 mei 2022 toegelicht dat ook bij aandoeningen als die waarbij van appellante sprake is een urenbeperking mogelijk is, maar dat in de meeste gevallen meer baat gevonden wordt bij een op verbetering gerichte behandeling, zoals appellante ook wordt aangeboden. Er is geen aanleiding het standpunt te wijzigen. Hieraan ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Appellante heeft hierop gereageerd dat, anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld, geen behandeling mogelijk is. 2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat, anders dan gesteld, de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 31 maart 2021 wel een overweging heeft gewijd aan een mogelijke expertise bij [naam kliniek] (kliniek voor patiënten met psychosomatische klachten). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook gemotiveerd waarom vervolgens van het opvragen van een expertise is afgezien. De rechtbank heeft daarnaast in de stukken geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat het Uwv geen medisch objectiveerbare beperkingen heeft vastgesteld; de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een aanzienlijk aantal beperkingen benoemd. Anders dan appellante heeft de rechtbank onvoldoende gelijkenis gezien tussen de zaak van appellante en de rechtspraak over de IVA-zaken die appellante heeft benoemd. Het Uwv heeft bij de beoordeling of appellante over arbeidsvermogen beschikt, daarnaast in aanmerking mogen nemen dat aan haar in 2017 een Indicatie banenafspraak is toegekend. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 25 mei 2022 alsnog helder en voldoende adequaat heeft toegelicht waarom er geen reden is om appellante een urenbeperking van meer dan vier uur per dag op te leggen. Appellante is in 2018, buiten de te beoordelen periode, gediagnosticeerd met fibromyalgie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hier desondanks rekening mee gehouden. De grond van appellante dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat de voor haar geselecteerde taak loonwaarde heeft, slaagt daarnaast niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geoordeeld dat appellante vier uur per dag belastbaar is, zodat de eis dat de te verrichten arbeid economische waarde heeft, niet geldt. De rechtbank heeft verder geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat het Uwv zich op het standpunt stelt dat appellante kans op herstel mist, niet meewerkt aan haar herstel of verwijtbaar handelt. Nu het Uwv pas in beroep een afdoende motivering heeft gegeven voor het niet aannemen van een urenbeperking, is sprake van een motiveringsgebrek. Dit gebrek heeft de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht hersteld, omdat appellante daardoor niet in haar belangen is geschaad. De rechtbank is daarmee tot de conclusie gekomen dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat zij beschikt over arbeidsvermogen. Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank voorts een schadevergoeding toegekend. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appelante stelt dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen redenen zijn om terug te komen van de beoordeling uit 2017. Appellante heeft tegen de uitspraak verder aangevoerd dat zij niet beschikt over arbeidsvermogen, omdat zij niet vier uur per dag belastbaar is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt dat geen urenbeperking nodig is alleen gebaseerd op een behandeladvies dat niet passend is gebleken en gaat daarbij uit van de misvatting dat de behandelmogelijkheden relevant zijn voor de vraag of op dit moment een urenbeperking zou moeten gelden. Daarnaast ontbreekt een op appellante toegespitste expliciete overweging over de duurbelastbaarheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep spreekt alleen in het algemeen over haar type aandoening. Bovendien is ten onrechte geoordeeld dat een urenbeperking ‘negatief zou uitpakken voor het welzijn van de patiënt’. Verder gaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep er ten onrechte van uit dat er nog behandeling mogelijk is. Uit de brief van de huisarts van 23 januari 2024 volgt dat de huisarts van mening was dat ook in 2021 een behandeling bij Klimmendaal geen reële optie was. De afwezigheid van duurzaamheid is daarom onvoldoende door het Uwv gemotiveerd. Voorts zijn de klachten als gevolg van de fibromyalgie ten onrechte niet meegewogen. Tot slot had de Amber-periode op grond van het tweede lid van artikel 1a:1 van de Wajong door studie, die bij appellante duurde tot in 2015, verlengd moeten worden. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.