Datum uitspraak: 7 juli 2025 24/1734 ZW-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 mei 2024, 23/7310 (aangevallen uitspraak) Partijen: [X] e/v [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 16 januari 2025 heeft de Raad het namens appellante door mr. Ö. Sahin, advocaat, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Namens appellante heeft mr. Sahin verzet gedaan. Het verzet is behandeld op de zitting van 26 mei
- Mr. Sahin is verschenen via een videoverbinding. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
- De uitspraak van de Raad van 16 januari 2025 berust op de overweging dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
- In verzet voert de gemachtigde van appellante aan dat het beroepschrift tijdig is ingediend bij de Raad. De uitspraak van de rechtbank is toegezonden per aangetekende brief. Dat die brief is aangeboden is niet gebleken omdat geen afhaalbericht op het adres van appellante was achtergelaten. De uitspraak is vervolgens bij gewone brief toegezonden aan appellante op 26 juni 2024, die deze brief op 2 juli 2024 heeft ontvangen waarna zij binnen zes weken hoger beroep heeft ingesteld. Appellante wijst in dat verband op de teruggelopen betrouwbaarheid in de postbezorging. De Raad heeft er in de uitspraak van 16 januari 2025 op gewezen dat appellante via de PostNL-app ervan op de hoogte kon zijn dat er post naar haar was verstuurd. Appellant stelt echter dat zij niet over die app beschikte en dat het gebruik daarvan ook niet van burgers hoeft te worden verwacht. 3.
- Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat er door de postbezorger een afhaalbericht is achtergelaten in de brievenbus van appellante. Verder heeft appellante gewezen op diverse feiten en omstandigheden die een onderbouwing geven voor problemen in de postbezorging. 3.
- Er is geen reden om er aan te twijfelen dat geen afhaalbericht op het huisadres van appellante is achtergelaten. Dat betekent niet dat de aangevallen uitspraak niet op regelmatige wijze op het adres van appellante is aangeboden, maar dat bezien moet worden of appellante voldoende snel heeft gereageerd toen zij via de verzending per gewone post op 26 juni 2024 op de hoogte geraakte van de gegeven uitspraak. Zoals appellante heeft toegelicht is zij binnen drie weken na de ontvangst naar haar gemachtigde gegaan die pro forma beroep heeft ingesteld. De termijnoverschrijding is daarmee verschoonbaar. De grond over de PostNL-app behoeft daarmee geen bespreking. 3.
- Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak van de Raad van 16 januari 2025 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
- Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling van het verzet. Die kosten worden bepaald op een half punt voor het indienen van het verzet en een half punt voor het verschijnen ter zitting, in totaal één punt, dus € 907,-. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond; veroordeelt het college in de proceskosten van het verzet van € 907,-. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli
- (getekend) H.G. Rottier (getekend) N. El Khabazi