23/2136 WAJONG Datum uitspraak: 9 juli 2025 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2023, 22/4551 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over een laattijdige aanvraag en de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant had het Uwv vanwege zijn medische situatie op zijn achttiende jaar beperkingen moeten aannemen en was hij aan te merken als jonggehandicapte. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv appellant terecht een Wajong-uitkering heeft geweigerd. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J. Marges, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 mei 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Marges. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede. Het onderzoek ter zitting is geschorst, waarna aan het Uwv een aanvullende reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overgelegd. Appellant heeft laten weten af te zien van het inbrengen van een reactie. Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1979, heeft met een door het Uwv op 9 december 2021 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij heeft appellant te kennen gegeven dat hij sinds 1996 lijdt aan clusterhoofdpijn. 1.2. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 3 februari 2022 heeft het Uwv geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens het Uwv was er bij appellant op de achttiende verjaardag sprake van ziekte of gebrek maar beschikte hij op de datum van de aanvraag, 9 december 2021, over arbeidsvermogen 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 25 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2022 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 1.4. In beroep heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 februari 2023 ingebracht. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant over arbeidsvermogen beschikt en hem terecht een Wajong-uitkering heeft geweigerd. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant op spreekuur gezien en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft informatie van de behandelend sector in de beoordeling betrokken. Wat appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen reden gegeven om te concluderen dat het medisch oordeel onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van een situatie van het ontbreken van arbeidsvermogen. In het rapport van 1 juli 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat appellant tijdens een hevige clusterhoofdpijnaanval arbeidsongeschikt is en vervolgens op inzichtelijke wijze uiteengezet dat die toestand niet permanent is, dat appellant al geruime tijd geen aanvallen meer heeft gehad en dat appellant momenteel geen medicatie of zuurstoftherapie gebruikt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht dat, indien geen sprake is van een clusterhoofdpijnaanval, appellant minimaal vier uur per dag en minimaal één uur aaneengesloten kan werken in een passende werksituatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een aanvullend rapport van 24 februari 2023 nog toegelicht dat appellant de laatste tijd geen last heeft gehad van een clusterhoofdpijnaanval. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt uit informatie van het Leids Universitair Medisch Centrum, dat het feit dat appellant een langdurige periode van aanvallen gekend heeft en daarvoor met medicatie is behandeld, niet betekent dat een clusterhoofdpijnaanval in de toekomst soortgelijk zal verlopen. De stelling van appellant dat mogelijk in de toekomst aanvallen zullen optreden, kan niet leiden tot de conclusie dat appellant geen arbeidsvermogen heeft. Appellant heeft geen nieuwe medische gegevens verstrekt die aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de medische beoordeling. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom appellant in staat was een taak in een arbeidsorganisatie uit te voeren en waarom hij beschikte over basale werknemersvaardigheden. Het standpunt van appellant 3.1. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij duurzaam geen arbeidsvermogen heeft, omdat hij niet ten minste vier uur per dag en niet ten minste één uur aaneengesloten kan werken. Hij heeft verwezen naar wat hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht over de intensiteit en de onvoorspelbaarheid van de clusterhoofdpijnaanvallen. Appellant heeft aangevoerd dat hij ook in aanvalsvrije periodes niet kan werken of andere activiteiten kan verrichten. Door het verrichten van werkzaamheden en alle activiteiten die daarmee samenhangen wordt bij appellant een spanning opgebouwd en deze spanning kan weer een nieuwe aanval uitlokken. Appellant meent dat dit moet worden voorkomen. Volgens appellant is het onduidelijk of de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft meegewogen dat stress een grote trigger is voor een clusterhoofdpijnaanval. Verder heeft appellant aangevoerd dat een werkgever nooit op zijn beschikbaarheid kan rekenen. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat de aanvallen een grillig verloop hebben, dat hij van het ene op het andere moment kan uitvallen en dat de aanvallen over het algemeen maanden duren. Daarbij is het volgens appellant goed mogelijk dat de grens van ongeveer dertig procent van de werktijd ziek zijn wordt overschreden, zodat sprake is van excessief ziekteverzuim. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4.1. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om de Wajong-uitkering te weigeren in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.2. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.