← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2025:1128

24517 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2024, 23/3844 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 22 juli 2025 Zitting heeft: P.W. van Straalen Griffier: B.F.C. Wiedenhof Namens appellant is mr. N. Talhaoui, advocaat, ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Wintjes. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om een besluit tot toekenning van bijstand met ingang van 1 oktober

  1. Appellant wil bijstand toegekend krijgen met ingang van 1 mei
  2. Volgens appellant zijn er in dit geval bijzondere omstandigheden om bijstand met ingang van een voor de melding gelegen tijdstip toe te kennen. Dat is het geval omdat hij met een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) tot intrekking en terugvordering van zijn uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw-uitkering) over de periode van 1 mei 2022 tot en met 30 september 2022 achteraf bezien feitelijk geen inkomen had. Hij wordt nu geconfronteerd met een schuld aan de Svb. Ook wijst appellant erop dat als hij de bijstand eerder had aangevraagd, deze zou zijn toegewezen. Deze grond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang. Nog daargelaten dat volgens bestendige rechtspraak het verkeren in bijstandsbehoeftige omstandigheden geen bijzondere omstandigheden oplevert die nopen tot toekenning van bijstand met terugwerkende kracht, verkeerde appellant helemaal niet in die behoeftige omstandigheden. Appellant kon in de periode van 1 mei 2022 tot en met 30 september 2022 feitelijk beschikken over middelen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Dat de Anw-uitkering met een besluit van 17 oktober 2022 is ingetrokken en de kosten van de Anw-uitkering zijn teruggevorderd, maakt dat niet anders. Dat appellant over voldoende middelen beschikte om in zijn levensonderhoud te voorzien betekent ook dat – anders dan appellant stelt – een eerdere aanvraag niet zou zijn toegekend. Dat appellant als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting en het daarop volgende besluit van de Svb tot intrekking en terugvordering van de Anw-uitkering geconfronteerd wordt met een schuld, levert geen bijzondere omstandigheden op. Conclusie Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de bijstand per 1 oktober 2022 in stand blijft. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant ook geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) B.F.C. Wiedenhof (getekend) P.W. van Straalen Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:984.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.