← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2025:1348

24/1126 WIA Datum uitspraak: 28 augustus 2025 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 februari 2024, 22/3968 Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad. Wat verzoekster heeft aangevoerd, is niet voldoende om te oordelen dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening slaagt. De Raad wijst het verzoek daarom af. PROCESVERLOOP Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 februari 2024, 22/

  1. Het Uwv heeft een schriftelijke reactie op het herzieningsverzoek ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op een zitting van 17 juli
  2. Verzoekster is verschenen. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN Inleiding
  3. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van 14 februari
  4. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, stond de vraag centraal of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoekster had vastgesteld op minder dan 35%.
  5. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift naar voren gebracht dat sprake is geweest van een evident onjuiste uitspraak van de Raad omdat de aangevoerde gronden niet zijn beoordeeld. Verder is de Raad volgens verzoekster voorbijgegaan aan de eigen rechtspraak over de diploma-eis bij het selecteren van functies ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Hierdoor zou het evident onredelijk zijn als de Raad niet van bovengenoemde uitspraak terugkomt. Het oordeel van de Raad 4.
  6. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 4.
  7. Volgens vaste rechtspraak is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om een hernieuwde discussie te voeren en ook niet om discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden. Dit kan alleen als is voldaan aan de strikte voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. 4.
  8. Verzoekster heeft in haar verzoek geen feiten of omstandigheden aangevoerd als onder 4.1 bedoeld. In feite beoogt verzoekster een hernieuwde discussie te voeren over het oordeel van de Raad in de uitspraak van 14 februari
  9. Uit overweging 4.2 volgt dat het rechtsmiddel van herziening daarvoor niet is bedoeld. Conclusie en gevolgen
  10. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van 14 februari 2024 in stand blijft.
  11. Verzoekster krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus
  12. (getekend) F.M. Rijnbeek (getekend) C.E.A. Tessemaker Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2257.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.