24/1552 WAJONG Datum uitspraak: 18 september 2025 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 mei 2024, 23/3697 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op de dag dat hij achttien jaar is geworden (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Maachi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 februari 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maachi en vergezeld door zijn moeder en zijn begeleider [naam begeleider]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk. Het onderzoek is ter zitting geschorst. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd. Met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Hierna is het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum] 2004, heeft met een door het Uwv op 26 juli 2022 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant arbeidsvermogen heeft. Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft het Uwv geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Bij besluit van 27 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding ziet om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig te achten. De rechtbank volgt appellant verder niet in zijn standpunt dat hij duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 30 mei 2023 voldoende gemotiveerd toegelicht waarom appellant met zijn beperkingen één uur aaneengesloten kan werken en ten minste vier uur per dag belastbaar is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft ook voldoende toegelicht dat appellant beschikt over basale werknemersvaardigheden en dat de geselecteerde taken voor hem passend zijn. Omdat geen twijfel is ontstaan over de juistheid van de beoordeling heeft de rechtbank geen reden gezien om een deskundige te benoemen en het verzoek daartoe afgewezen. Het standpunt van appellant 3.1. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Als gevolg van nietaangeboren hersenletsel met cognitieve beperkingen, depressieve klachten, een verstoord slaapritme, verbale agressiviteit, polsklachten, klachten aan zijn vingers vanwege ganglions en klachten aan de rug en voeten heeft hij geen arbeidsvermogen. Appellant stelt dat hij niet in staat is om één uur aaneengesloten te werken, omdat hij bijna volledig aangestuurd dient te worden bij de ADL. Verder is hij te weinig productief om vier uur per dag belastbaar te zijn en is hij niet in staat het minimumloon per uur te verdienen. Daarnaast voert appellant aan dat hij niet in staat is om de geduide taak uit te voeren, omdat deze zijn belastbaarheid overschrijdt. Zo is het voor hem niet mogelijk om zich op een taak te concentreren vanwege zijn korte concentratieboog. Tot slot voert appellant aan dat hij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden, omdat hij niet op structurele wijze in staat is om op tijd op het werk te verschijnen of andere afspraken na te komen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant onder meer verwezen naar het psychologisch onderzoeksrapport van 16 juli 2013 en een neuropsychologisch onderzoeksrapport van 9 januari 2025 en een psychologisch onderzoeksrapport van 26 maart 2025 ingebracht. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft – onder verwijzing naar nadere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 augustus 2024 en 12 mei 2025 – verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.