25/44 WAJONG Datum uitspraak: 12 november 2025 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2024, 23/2524 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Appellante vindt dat zij op 13 mei 2022 (de dag dat de aanvraag is ontvangen) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen beschikte en dat zij om die reden als jonggehandicapte had moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 oktober 2025. Voor appellante is haar zus [naam zus] verschenen, bijgestaan door mr. van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Pijl. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1994, heeft met een door het Uwv op 21 mei 2019 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat zij laag begaafd is en migraine heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 16 juli 2019 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen. 1.2. Met een door het Uwv op 13 mei 2022 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend voor Wajong-uitkering. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van april 2016 van een orthopedagoog waaruit blijkt dat appellante een lichte verstandelijke beperking heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 31 augustus 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.3. Bij besluit van 1 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Tussenuitspraak van de rechtbank 2.1. Bij tussenuitspraak van 10 juli 2024 heeft de rechtbank vastgesteld dat in geschil is of appellante een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie en of zij over basale werknemersvaardigheden beschikt. De rechtbank heeft overwogen dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop neerkomt dat appellante niet zelfstandig in staat is om afspraken na te komen, maar daarbij begeleiding nodig heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarbij echter niet gemotiveerd of appellante in staat is om te leren om zelfstandig afspraken na te komen en zo ja, hoe lang daarvoor begeleiding nodig is. De rechtbank heeft geconcludeerd dat daarom sprake is van een motiveringsgebrek en heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Reactie Uwv 2.2. Met een rapport van 5 augustus 2024 van een andere verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak. Einduitspraak van de rechtbank 2.3. De rechtbank heeft bij einduitspraak van 2 december 2024 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv het gebrek met het rapport van 5 augustus 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hersteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarin toegelicht dat door de manier waarop de andere verzekeringsarts bezwaar en beroep de motivering in het rapport van 20 februari 2023 heeft opgeschreven, het erop lijkt alsof appellante elke keer dat zij eenzelfde afspraak heeft hierop gewezen moet worden, maar dat dit niet het geval is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat appellante, zodra sprake is van routine en zodra tegenslagen onderweg zijn ingecalculeerd, weet hoe laat zij moet vertrekken. Dat heeft appellante bewezen door haar kinderen gedurende de week tijdig naar school en naar zwemles te brengen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat zolang de taak die appellante zou moeten uitvoeren geen bijzonderheden vertoont bij van en naar het werk gaan of dat zij op meerdere werkplekken moet zijn, zij die taak zelfstandig kan uitvoeren na een eenmalige instructie. Het op tijd komen is dan geen issue meer. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uitvoerig toegelicht waarom sprake is van basale werknemersvaardigheden. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar opvatting dat onderscheid moet worden gemaakt tussen een werksituatie en een privésituatie. Dat geen overleg heeft plaatsgevonden tussen beide verzekeringsartsen bezwaar en beroep, laat onverlet dat het laatste onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is verricht. Appellante heeft gesteld dat zij ook bij dagelijkse, routinematige handelingen zoals het doen van de was of eten koken moet worden aangespoord. Deze enkele stelling maakt de toelichtingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep waarom bij haar sprake is van basale werknemersvaardigheden echter niet anders. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajonguitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.