Centrale Raad van Beroep – ECLI:NL:CRVB:2025:1763
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) Datum beslissing: 1 december 2025 PROCESVERLOOP Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen zes uitspraken van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank Noord-Nederland in gedingen tussen verzoekster en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Op 26 september 2025 heeft verzoekster een verzoek om wraking ingediend van W.R. van der Velde (behandelend rechter). Bij beslissing van 7 november 2025 heeft de wrakingskamer dit verzoek afgewezen.
De Raad heeft op 19 november 2025 uitspraak gedaan op het hoger beroep in de zaken 24/1140 ZW, 24/1674 ZW, 24/1675 ZW, 24/1676 ZW en 24/1678 ZW. Op het hoger beroep in de zaak 25/1671 ONBEK is nog geen uitspraak gedaan.
Op 24 november 2025 heeft verzoekster opnieuw verzocht om wraking.
OVERWEGINGEN 1. De regels uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 (Regeling) die voor de beoordeling van de verzoeken om wraking belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze beslissing. De bijlage maakt deel uit van de beslissing.
3.1.
Tegen een beslissing op een verzoek om wraking staat geen rechtsmiddel open. In wat verzoekster schrijft in haar verzoek van 24 november 2025 ziet de Raad geen aanleiding voor vervallenverklaring van zijn beslissing van 7 november 2025.
3.2.
Als verzoekster haar verzoek van 24 november 2025 heeft bedoeld als nieuw wrakingsverzoek, wordt het met toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Regeling buiten behandeling gelaten, voor zover het ziet op de zaken waarin inmiddels uitspraak is gedaan. Voor zover het ziet op de zaak 25/1671 ONBEK wordt het verzoek buiten behandeling gelaten, omdat het niet voldoet aan artikel 8:16, vierde lid, van de Awb en artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de Regeling. Het verzoek is in essentie een herhaling van de gronden van het eerdere wrakingsverzoek waarop al is beslist.
BESLISSING De Centrale Raad van Beroep
Deze beslissing is gegeven door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en L.M. Tobé en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) M.D.F. de Moor Bijlage Artikel 8:15 van de Awb Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Artikel 8:16 van de Awb […] 4. Een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. […] Artikel 8:18 van de Awb […] 4. In geval van misbruik kan de bestuursrechter bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt. […] Artikel 3 van de Regeling […] 4. De wrakingskamer kan zonder daartoe een zitting te houden beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien: […] het is gedaan nadat in de hoofdzaak de einduitspraak openbaar is gemaakt; […] het een volgend verzoek ten aanzien van hetzelfde lid of dezelfde leden betreft en geen feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden; […] CRvB 7 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1619.