Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 december 2024, 24/4870 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 17 december 2025 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op 1 juni 2023 (de dag dat de aanvraag is ontvangen) duurzaam niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H. Sala, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 november 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sala en vergezeld door haar persoonlijk begeleidster [naam begeleidster] en partner [naam partner]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 2001, heeft met een door het Uwv op 1 juni 2023 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat bij appellante sprake is van meerdere aandoeningen, waaronder psychische klachten, het Ehlers-Danlossyndroom, hartruis en een pijnsyndroom. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 28 juli 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Bij besluit van 3 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is. Voor de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) bestond geen aanleiding om meer informatie op te vragen bij de behandelaars van appellante. De conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden gevolgd. In de stukken staat beschreven wat appellante zelf bij de gynaecoloog heeft verklaard over haar incontinentieproblematiek. In deze stukken staat niet hoe de gynaecoloog hierop heeft gereageerd en evenmin of er een diagnose is gesteld. Het is daarmee alleen het eigen verhaal van appellante zonder medische onderbouwing. Dat zich vanwege het frequent of langdurig toiletgebruik een situatie kan voordoen van excessief verzuimrisico is de rechtbank niet gebleken. Voor zover appellante verwijst naar een besluit waarmee in het kader van de Participatiewet is besloten dat appellante is vrijgesteld van arbeidsverplichtingen, wordt het Uwv erin gevolgd dat dit besluit is gebaseerd op een ander wettelijk kader. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende onderbouwd dat, hoewel de situatie van appellante complex is en zij beperkingen heeft, geen sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante voert aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is. Het Uwv had meer informatie moeten opvragen, met name over de incontinentieproblematiek van appellante. Appellante heeft hier al van kleins af aan last van. Appellante heeft van deze klachten melding gemaakt bij meerdere artsen en is hiervoor bij de uroloog geweest. Volgens appellante zijn haar beperkingen onderschat. Zij lijdt aan meerdere ernstige aandoeningen, waaronder een depressieve stoornis, complexe PTSS, ADHD, ASS, morbide obesitas, hypermobiliteitssyndroom, Ehlers-Danlossyndroom, slaap/waak-hormoonstoornis en parasomnia’s. Appellante acht zich niet vier uur per dag belastbaar en verwijst daartoe (onder meer) naar de in beroep overgelegde stukken van de psychologen van Altrecht en haar fysiotherapeut. De rechtbank is ten onrechte niet op deze stukken ingegaan. Gelet op haar incontinentieklachten is volgens appellante wel degelijk sprake van een excessief verzuimrisico. Appellante bevuilt haar kleding en dit zal ook het geval zijn voor haar zitplaats op het werk. Niet valt uit te sluiten dat collega’s en appellante zelf daar hinder van zullen ondervinden. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Hierbij is onder meer verwezen naar het in hoger beroep ingediende rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 juni 2025. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 5.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.