Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 februari 2025, 23/940 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 17 december 2025 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 november 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Penners. Het Uwv heeft zich via een videoverbinding laten vertegenwoordigen door mr. L.M.C.M. Levels. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1993, heeft met een door het Uwv op 26 april 2022 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante klachten heeft als gevolg van migraine en bekkenhypertonie. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante op haar achttiende jaar arbeidsvermogen heeft. Als appellante dit arbeidsvermogen op enig moment is verloren was dit in 2020, na de Wajong verzekerde periode. Met een besluit van 25 augustus 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Bij besluit van 21 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van een laattijdige aanvraag en dat het bewijsrisico bij de aanvrager ligt. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante over de periode vanaf haar achttiende verjaardag tot aan 2020, toen zij is doorverwezen naar een neuroloog, over arbeidsvermogen beschikte. Appellante heeft over deze periode geen objectieve gegevens aangedragen en zij woonde toen zelfstandig en zorgde voor haar dochter. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens terecht geconcludeerd dat appellante, gelet op haar werkzaamheden, in staat is geweest instructies te begrijpen, onthouden en uit te voeren en afspraken na te komen en daarmee over basale werknemersvaardigheden beschikt. Ook is appellante in staat om een taak uit te oefenen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft terecht overwogen dat appellante meerdere langdurige dienstverbanden heeft gehad in de Wajong-relevante periode. Er zijn weinig ziekmeldingen bekend en appellante heeft te kennen gegeven dat zij het veelvuldige ziekteverzuim door tijdsverloop niet kan onderbouwen met nadere stukken. Dit komt voor rekening en risico van appellante. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij al in 2010 te maken had met migraine. Uit informatie van de huisarts volgt namelijk dat appellante zich al op 26 oktober 2009 heeft ziekgemeld met hoofdpijn en in haar dossier werd op 16 maart 2010 ‘migraine’ vermeld. Zij was toen nog geen zeventien jaar oud. Uit het huisartsenjournaal kan volgens appellante worden afgeleid dat zij constant medicatie gebruikte en gezocht werd naar een oplossing. Ter onderbouwing van stellingen verwijst appellante naar verklaringen van haar moeder en ex-partner. De rechtbank gaat er ten onrechte vanuit dat appellante voor 2020 zelfstandig woonde en voor haar dochter zorgde. Bij een migraineaanval acht appellante zich niet in staat een taak te verrichten en heeft zij geen basale werknemersvaardigheden. Zij kan soms wel vijf dagen in bed liggen. In het verleden heeft appellante alleen kunnen werken als zij geen migraine had. Zij heeft zich vaak moeten ziekmelden waardoor dienstverbanden niet werden verlengd. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.