Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 februari 2025, 23/492 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 17 december 2025 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op de dag dat de aanvraag is ontvangen (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 november 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1992, heeft met een door het Uwv op 1 februari 2022 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat zij zware pijnklachten heeft aan haar gehele rechterarm en kampt met chronische vermoeidheid door deze pijnklachten. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van de pijnspecialisten, de revalidatiearts en de handchirurg van appellante. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 14 juni 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Bij besluit van 11 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en de Staat veroordeelt tot schadevergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de bezwaarfase dossierstudie verricht, zij heeft kennisgenomen van het gestelde in het bezwaarschrift, van wat tijdens de hoorzitting op 14 december 2022 naar voren is gebracht en van de op dat moment overgelegde medische informatie. Aansluitend aan de hoorzitting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de handen van appellante onderzocht en op 28 december 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep over haar bevindingen gerapporteerd. Daarbij is ook het rapport van de handchirurg betrokken. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft benadrukt dat niet getwijfeld wordt aan de klachten van appellante en zij heeft net als de primaire verzekeringsarts vastgesteld dat appellante door haar klachten tal van medische beperkingen heeft. Nog daargelaten dat appellante het niet eens is met het rapport van de GZ-psycholoog, heeft de rechtbank opgemerkt dat dit rapport geen doorslaggevende rol heeft gespeeld in de beoordeling in de bezwaarfase. De rechtbank heeft verder geen aanleiding gezien om de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader te bevragen over haar rapport en bij gebrek aan onderbouwing heeft de rechtbank ook geen aanleiding gezien voor de conclusie dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep vooringenomen is geweest. 2.2. Vervolgens heeft de rechtbank geconcludeerd dat, ondanks de klachten, de verzekeringsartsen terecht geen medische contra-indicatie hebben gezien voor een belastbaarheid van appellante van vier uur per dag en een uur aaneengesloten. Volgens de rechtbank hebben daarnaast de arbeidsdeskundigen (evenals de verzekeringsartsen) overtuigend gemotiveerd dat gelet op het universitaire opleidingsniveau van appellante, zij in staat wordt geacht om instructies van de werkgever te begrijpen, te onthouden en uit te voeren en in staat is om afspraken met de werkgever na te komen. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een deskundigenonderzoek van een schouderspecialist niet heeft meegenomen in de beoordeling. Ook het Uwv heeft onzorgvuldig gehandeld. Appellante moest zich ten onrechte, onaangekondigd, door een psycholoog laten onderzoeken. Daarnaast is de verzekeringsarts bezwaar en beroep vooringenomen geweest, heeft zij de medische beperkingen gebagatelliseerd en heeft zij niet het totaal aan informatie laten meewegen in de besluitvorming. Appellante heeft verder aangevoerd dat er geen arbeidsvermogen bestond op de datum in geding. Bovendien had ook de datum van het ongeval moeten worden beoordeeld. Destijds zijn niet alle klachten goed onderzocht, maar alle beperkingen van appellante vloeien voort uit het ongeval. Appellante is sterk wisselend belastbaar waardoor zij niet structureel vier uur per dag kan werken en niet minimaal een uur aaneengesloten. Op beperkte momenten beschikt appellante over basale werknemersvaardigheden maar ook deze kan zij door de wisselende belastbaarheid niet duurzaam inzetten. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat het appellante na tweeënhalf jaar nog niet is gelukt om haar propedeuse rechtsgeleerdheid te behalen. Appellante heeft verder aangevoerd dat de migraine en daardoor ook de vermoeidheid sinds maart 2023 zijn toegenomen. Appellante heeft daarnaast verzocht om benoeming van een deskundige. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 5.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.