← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2025:1912

24/2096 ZW Datum uitspraak: 16 juli 2025 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 augustus 2024, 23/1349 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 4 juli 2022 heeft beëindigd en over de vraag of het Uwv appellant – na een nieuwe ziekmelding – per 11 augustus 2022 terecht weer arbeidsgeschikt heeft geacht. Volgens appellant was hij op genoemde data vanwege zijn (medische) beperkingen niet in staat de in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering van appellant terecht heeft beëindigd per 4 juli 2022 en hem per 11 augustus 2022 weer arbeidsgeschikt heeft geacht. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.S. Vriend, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juni

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vriend. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens. OVERWEGINGEN Inleiding
  2. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.
  3. Appellant was werkzaam als monteur zonwering voor gemiddeld 40,23 uur per week. Op 30 november 2020 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten, waaronder lage rugklachten/artrose, polycystische nieren en psychische klachten. Met ingang van 1 juli 2021 is aan hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft op 6 mei 2022 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin meerdere beperkingen zijn opgenomen in rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. Appellant werd niet geschikt geacht voor zijn eigen werk, maar wel voor andere passende functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 3 juni 2022 (primair besluit 1) de ZW-uitkering van appellant per 4 juli 2022 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. 1.
  4. Nadat aan appellant per 4 juli 2022 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is toegekend, heeft hij zich op 25 juli 2022 opnieuw ziekgemeld met griepachtige klachten, naast de eerder gemelde klachten. In dit verband heeft hij op 11 augustus 2022 telefonisch contact gehad met een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft appellant per 11 augustus 2022 weer geschikt geacht voor de eerder in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 11 augustus 2022 (primair besluit 2) geweigerd appellant per diezelfde datum een ZW-uitkering toe te kennen. 1.
  5. Bij besluit van 13 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 januari 2023 ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2.
  6. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek in het kader van de EZWb op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder de psychische klachten en rugklachten. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Ook heeft de rechtbank de overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om geen urenbeperking aan te nemen kunnen volgen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat – hoewel appellant moeizaam slaapt – met de aangenomen beperkingen voldoende wordt voorzien in een lage energetische belasting. Niet is gebleken dat de beperkingen van appellant in de FML van 6 mei 2022 zijn onderschat. Nu appellant geen specifieke gronden heeft ingediend tegen de geduide functies, is de rechtbank niet overgegaan tot de beoordeling van deze geduide functies en heeft geconcludeerd dat deze functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid. 2.
  7. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de ziekmelding van appellant per 25 juli 2022 is gedaan als gevolg van bijkomende klachten, naast de klachten die reeds bij de EZWb bekend waren. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 april 2020 blijkt dat de belastbaarheid van appellant op 11 augustus 2022 vergelijkbaar was met zijn belastbaarheid op 4 juli
  8. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien extra beperkingen aan te nemen. De rechtbank heeft de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven en heeft om die reden geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen. De eerder in het kader van de EZWb geselecteerde functies zijn in medisch en arbeidskundig opzicht ook op 11 augustus 2022 geschikt voor appellant. 2.
  9. Wel heeft appellant terecht aangevoerd dat het Uwv in het bestreden besluit, voor wat betreft de herstelverklaring per 11 augustus 2022, niet het juiste beoordelingskader, zoals neergelegd in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022, heeft gevolgd. De rechtbank heeft dit aangemerkt als een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Nu het niet aannemelijk is dat appellant hierdoor is benadeeld, heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, dit gebrek gepasseerd. Het standpunt van appellant 3.
  10. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat het medisch onderzoek niet op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Bij appellant is sprake van grote psychische problematiek, waardoor hij cannabis gebruikt. De verzekeringsarts heeft ten onrechte gesteld dat de psychische problemen worden veroorzaakt door het cannabisgebruik. Verder is bij appellant sprake van polycystische nieren, waardoor hij verschillende klachten heeft, zoals bloedplassen, lage rugpijn en extreme vermoeidheid, die ook op de datum in geding aanwezig waren. Ook ervaart appellant veel stress door zijn gezondheidsproblemen. Appellant meent dat de verzekeringsartsen te weinig rekening hebben gehouden met deze klachten. Appellant stelt zich verder op het standpunt dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet geschikt zijn voor hem. Het standpunt van het Uwv 3.
  11. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad
  12. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering per 4 juli 2022 en de weigering van de ZW-uitkering per 11 augustus 2022 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.
  13. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de onderzoeken en de conclusies van de verzekeringsartsen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. 4.2.
  14. De stelling van appellant dat zijn psychische klachten ernstiger zijn en hij daardoor cannabis is gaan gebruiken, is niet nader onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 10 januari 2023 gemotiveerd uiteengezet dat behalve een stoornis in het middelengebruik geen andere psychische aandoening is vastgesteld. Uit de informatie van de huisarts en de behandelaars van Emergis blijkt dat sprake is van klachten van psychosociale aard. Bovendien zijn in de FML wel beperkingen aangenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren vanwege het feit dat appellant verminderd stressbestendig is. 4.2.
  15. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 10 januari 2023, 22 februari 2024 en 28 maart 2024 gemotiveerd onderbouwd dat geen aanleiding bestaat om verdergaande beperkingen aan te nemen vanwege klachten ten gevolge van de polycystische nieren. Dat op de data in geding sprake was van fors bloedplassen is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet uit de medische stukken gebleken. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat een urenbeperking aan te nemen. Uit de door appellant overgelegde medische informatie van de huisarts, de afdeling Interne Geneeskunde van ZorgSaam en de nefroloog noch uit het dagverhaal van appellant zijn aanknopingspunten te vinden voor het aannemen van een urenbeperking. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat beperkingen niet juist zijn vastgesteld. 4.
  16. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen heeft de arbeidsdeskundige voldoende en inzichtelijk gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant. Conclusie en gevolgen
  17. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging en de weigering van de ZW-uitkering in stand blijft.
  18. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli
  19. (getekend) M.E. Fortuin (getekend) S.P.A. Elzer CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.