24/2674 WMO15-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 oktober 2024, 24/337 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonplaats] (appellanten) het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam 2] (college) Datum uitspraak: 22 mei 2025 Zitting hebben: M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en J.J. Janssen en C.W.C.A. Bruggeman als leden Griffier: C.C.M. van ’t Hol Appellanten hebben via een digitale beeldverbinding aan de zitting deelgenomen. Daarnaast zijn voor appellanten mr. G.A.S. Maduro, advocaat, en [X] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C. Steunenberg, L. Buwalda-Alilouch en P. Algoe. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. OVERWEGINEN 1.
- Appellanten, geboren in 1999 en 2004, zijn in juni 2023 met hun toen zes maanden oude baby vanuit [woonplaats] naar Nederland gekomen met de wens om een beter leven op te bouwen. Via een stichting hadden appellanten voorafgaand aan hun komst naar Nederland onderdak geregeld. Dat onderdak bleek ongeschikt, onder meer omdat appellante werd lastiggevallen door de hoofdbewoner. Vanwege die situatie zijn appellanten naar de politie gegaan. Vervolgens is een melding bij Veilig Thuis gedaan en is de baby onder toezicht gesteld en in een crisispleeggezin geplaatst. Vanaf begin juli 2023 hebben appellanten gebruik gemaakt van een crisisbed in de dag- en nachtopvang van het Leger des Heils, appellant in [plaatsnaam 1] en appellante in [plaatsnaam 2]. 1.
- Met brieven van 3 augustus 2023 heeft het Leger des Heils aan appellanten medegedeeld dat zij op 8 augustus 2023 de dag- en nachtopvang moeten verlaten. 1.
- Met een ongedateerd besluit (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen de brieven van het Leger des Heils van 3 augustus 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brieven volgens het college geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellanten geen belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Volgens de rechtbank is niet duidelijk geworden wat appellanten feitelijk nog willen bereiken met een oordeel over de (kortstondige) toegang tot de opvang ergens in Nederland over een datum die (ver) in het verleden ligt, nu zij zelf inmiddels al langere tijd op [woonplaats] verblijven. Appellanten hebben volgens de rechtbank ook geen procesbelang in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, omdat niet op voorhand aannemelijk is dat voor vergoeding in aanmerking komende schade is geleden als gevolg van de beëindiging van het verblijf in de dag- en nachtopvang per 8 augustus
- Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij hebben tegen die uitspraak aangevoerd dat zij met deze procedure zekerheid wensen te krijgen dat wanneer zij zich opnieuw melden voor opvang, die opvang ook aan hen wordt geboden. Daarnaast stellen zij, door de gang van zaken emotionele schade te hebben geleden. 4.
- De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellanten geen belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep. Mochten appellanten in de toekomst opnieuw naar Nederland komen en gebruik willen maken van opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), dan zullen zij een nieuwe melding moeten doen. Die zal leiden tot een nieuw onderzoek. Een oordeel in deze zaak, waarin aan de orde is een niet-ontvankelijkverklaring van bezwaren tegen de beëindiging van dag- en nachtopvang door het Leger des Heils, kan voor een dergelijke nieuwe procedure geen betekenis hebben. 4.
- Procesbelang is ook niet gelegen in vergoeding van immateriële schade. Het is op voorhand onaannemelijk dat appellanten immateriële schade hebben geleden die naar de maatstaven die daarvoor in vaste rechtspraak worden gesteld voor vergoeding in aanmerking komt. Hierbij is van belang dat, anders dan appellanten stellen, het beëindigen van de dag- en nachtopvang niet de reden was dat hun baby niet bij hen werd geplaatst. De overigens gestelde schade is op geen enkele wijze onderbouwd en staat bovendien zover verwijderd van de gedragingen van het college dat op voorhand onaannemelijk is dat voor vergoeding in aanmerking komende schade is geleden. 4.
- Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
- Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer (getekend) C.C.M. van ’t Hol (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2201.