← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2026:155

Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 november 2024, 24/2979 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 19 februari 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellant heeft herzien over de periode van 1 augustus 2017 tot en met 31 december 2021 en een bedrag ter hoogte van € 48.516,98 bruto aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering van appellant heeft teruggevorderd. Daarnaast dient de vraag te worden beantwoord of het Uwv appellant terecht een boete heeft opgelegd van € 40,-. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november

  1. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia. OVERWEGINGEN Inleiding 1.
  2. Appellant ontvangt sinds 12 april 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op honderd procent. 1.
  3. Naar aanleiding van een melding heeft het Uwv onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte WIA-uitkering. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, informatie opgevraagd bij de Belastingdienst en de Kamer van Koophandel en zijn de bankafschriften en de administratie opgevraagd van [naam b.v. 1] en daaraan gelieerde ondernemingen. Verder heeft op 14 februari 2022 een gesprek plaatsgevonden met appellant. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 4 juli
  4. 1.
  5. Bij besluit van 11 december 2023 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant herzien over de periode van 1 augustus 2017 tot en met 31 december 2021 en een bedrag van € 48.516,98 bruto van hem teruggevorderd. In een besluit van dezelfde datum heeft het Uwv appellant een boete van € 1.093,33 opgelegd. 1.
  6. Bij beslissing op bezwaar van 31 mei 2024 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 11 december 2023 met betrekking tot de hoogte van de boete gegrond verklaard en de boete verlaagd tot de minimale boete van € 40,-, omdat appellant geen aflossingscapaciteit heeft. Voor het overige heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat er ten onrechte te veel WIA-uitkering aan hem werd uitbetaald. De Belastingdienst heeft een gebruikelijk loon aan appellant toegerekend voor zijn werkzaamheden in de ondernemingen [naam b.v. 2] ., [naam b.v. 3] . en [naam b.v. 4] . Voor het vaststellen van de hoogte van de WIA-uitkering van appellant is het Uwv uitgegaan van de loongegevens van de Belastingdienst. Het totaalbedrag aan inkomsten vanuit genoemde ondernemingen en de ontvangen uitkering is meer dan wat appellant voorheen aan uitkering ontving. Het onverschuldigd betaalde bedrag aan WIA-uitkering dient te worden teruggevorderd. Volgens het Uwv is geen sprake van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van de herziening of terugvordering af te zien. Uitspraak van de rechtbank
  7. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.
  8. De rechtbank heeft geoordeeld dat het betoog van appellant dat de besluitvorming van het Uwv alleen gebaseerd is op de controlerapporten van de belastingdienst niet slaagt. Uit het onderzoeksrapport van het Uwv volgt dat het Uwv op basis van een melding zelf onderzoek heeft verricht. Het Uwv heeft hierbij weliswaar onder meer informatie opgevraagd en verkregen van de Belastingdienst, maar het ging daarbij niet om de zogeheten controlerapporten. Deze rapporten heeft het Uwv in een later stadium, na de totstandkoming van het onderzoeksrapport, ontvangen. 2.
  9. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de periode in geding werkzaamheden heeft verricht die hij niet heeft gemeld. Uit de bevindingen van het onderzoeksrapport komt naar voren dat appellant als aandeelhouder een grote rol speelde binnen de organisatiestructuur van [naam b.v. 1] Appellant heeft op grond van de verdeling van de aandelen als enige stemrecht en staat als gevolmachtigde van [naam b.v. 1] en de daaraan gelieerde ondernemingen in het handelsregister geregistreerd. Ook gaf appellant naar eigen zeggen advies aan deze ondernemingen, heeft appellant namens deze ondernemingen (lease)contracten afgesloten en heeft hij overnamegesprekken gevoerd. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze werkzaamheden van invloed konden zijn op zijn recht op uitkering en de hoogte van de uitkering. Door geen melding te maken van deze werkzaamheden heeft appellant de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. 2.
  10. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv, bij gebreke van concrete en verifieerbare informatie over het inkomen van appellant over de betreffende perioden, heeft mogen uitgaan van het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen. Uit artikel 61, achtste lid, van de Wet WIA, in samenhang gelezen met artikel 3:2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 volgt dat (ook) voor de Wet WIA onder inkomen wordt verstaan het gebruikelijk loon. Op grond van artikel 61, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA wordt vervolgens geregeld dat en hoe het inkomen in mindering moet worden gebracht op de WIA-uitkering. Op basis hiervan heeft het Uwv dan ook terecht de WIA-uitkering van appellant herzien en teruggevorderd over de periode van 1 augustus 2017 tot en met 31 december
  11. 2.
  12. Met betrekking tot de boete heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat hem hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Het Uwv was daarom gehouden een boete op te leggen. Volgens de rechtbank heeft het Uwv met de vaststelling van de hoogte van de boete op € 40,- voldoende rekening gehouden met de draagkracht van appellant en is de opgelegde boete evenredig. Het standpunt van appellant
  13. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het besluit tot herziening en terugvordering van de WIA-uitkering en het opleggen van een boete wegens schending van de inlichtingenplicht, is gebaseerd op onderzoek door de Belastingdienst en het Uwv geen dan wel onvoldoende eigen onderzoek heeft verricht. Verder heeft appellant aangevoerd dat het gehanteerde inkomen (gebruikelijk loon), dat op de WIA-uitkering in mindering is gebracht, niet juist is. Het standpunt van het Uwv
  14. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad
  15. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 5.
  16. Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Er bestaat geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden volledig onderschreven, zodat wordt volstaan met daarnaar te verwijzen. Conclusie en gevolgen 5.
  17. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat herziening en terugvordering van de WIA-uitkering van appellant in stand blijft.
  18. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari
  19. (getekend) H.G. Rottier (getekend) C.E.A. Tessemaker Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Wet WIA Artikel 27
  20. De verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet en de instelling waaraan op grond van artikel 71 een uitkering op grond van deze wet wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van reïntegratie, aan het UWV. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. […] Artikel 61
  21. De loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering bedraagt per kalendermaand: a. 0.75 x (A-B x C/D) over de eerste twee maanden waarin het recht op uitkering bestaat: en b. 0,7 x (A-B x C/D) vanaf de derde maand waarin het recht op uitkering bestaat. Hierbij staat: A voor het maandloon: B voor het inkomen per kalendermaand; C voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is berekend: D voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid. van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
  22. De hoogte van de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering komt overeen met de hoogte van de loongerelateerde uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, indien de verzekerde ten minste een inkomen verdient dat gelijk is aan zijn overblijvende verdiencapaciteit, bedoeld in het derde lid, of indien voor hem geen inkomenseis als bedoeld in artikel 60 geldt. [...]
  23. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. Artikel 76
  24. Het UWV herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien: a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld: b. de verstrekking van een voorziening als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, of 35 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. [...]
  25. Indien daarvoor dringende redenen zijn, kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien. Artikel 77
  26. Een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd. [...]
  27. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. [...] Artikel 91
  28. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid, Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel
  29. eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel
  30. vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel
  31. eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel
  32. vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
  33. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen. [...]
  34. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten Artikel 3:2
  35. Onder inkomen wordt verstaan: a. hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet, met dien verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend: 1°. uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat; 2°. hetgeen wordt genoten uit loondoorbetaling indien het overeengekomen loon niet volledig wordt doorbetaald, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van degene tot w ie de werknemer in dienstbetrekking staat; b. het loon, bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de loonbelasting 1964, voor zover de uitkeringsgerechtigde niet als werknemer als bedoeld in onderdeel a inkomen verdient, met dien verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend: 1°. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in die wet wordt genoten: 2°. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964; c. het belastbaar loon of het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 3.3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.4.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van die wet, voor zover de uitkeringsgerechtigde geen werknemer is als bedoeld in de onderdelen a en b; d. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB- winstvrijstelling, bedoeld in de artikelen 3.74 en 3.79a van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, van die wet, niet geacht worden te behoren tot de winst; e. een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg aan de zelfstandige of de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, onder a en b, van die wet waaronder mede wordt verstaan een uitkering als bedoeld in artikel 4:2b, zevende lid, of artikel 6:3, zevende lid, van die wet aan die persoon. […] Wet op de loonbelasting 1964 (geldig per 1 juli 2023) Artikel 12a
  36. Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het in het kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen: a. het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking; b. het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam, bedoeld in de aanhef, of met het lichaam verbonden lichamen; c. € 51.
  37. […] Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 4.7
  38. Indien een vennootschap verschillende soorten aandelen heeft, heeft de belastingplichtige ook een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect: a. voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal van een soort aandelen aandeelhouder is of b. rechten heeft om direct of indirect aandelen van een soort te verwerven tot ten minste 5% van het van die soort geplaatste kapitaal. […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.