← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2026:156

Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/1174 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2024, 22/3374 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [betrokkene] B.V. te [vestigingsplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 18 februari 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of de rechtbank terecht heeft bepaald dat de werknemer per 16 juli 2020 recht heeft op een IVA-uitkering, omdat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet worden geacht. Volgens het Uwv is betrokkene geen belanghebbende bij de besluitvorming. De Raad volgt dit standpunt en komt tot het oordeel dat het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. PROCESVERLOOP Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 januari

  1. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs. Voor betrokkene is dr. D.C. Heijstek verschenen. Ter zitting heeft het Uwv het voorlopige standpunt ingenomen dat betrokkene geen belanghebbende is en heeft de Raad verzocht om dit nader te mogen onderzoeken. Het onderzoek ter zitting is geschorst om het Uwv hiertoe in de gelegenheid te stellen. Het Uwv heeft bij brief van 17 februari 2025 een gewijzigd standpunt ingenomen. Betrokkene heeft niet gereageerd op dit gewijzigde standpunt. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding
  2. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.
  3. [werknemer] (werknemer) is laatstelijk werkzaam geweest als magazijnmedewerker/uitzendkracht via betrokkene bij een distributiecentrum voor ruim 32 uur per week. Op 5 mei 2014 heeft werknemer zich ziekgemeld met psychische klachten. Hij had toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft aan werknemer een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. 1.
  4. Werknemer heeft een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 21 april 2016 aan werknemer met ingang van 2 mei 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 41,04%. Na een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 20 juni 2018 aan werknemer in aansluiting op de loongerelateerde WGA‑uitkering per 19 februari 2017 een WGAloonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Bij besluit van 31 oktober 2019 is de WIA-uitkering van de werknemer ongewijzigd voortgezet. 1.
  5. Betrokkene heeft op 15 juli 2021 het Uwv verzocht om aan de werknemer een IVAuitkering toe te kennen en daartoe een beoordeling uit te voeren. In het kader van deze herbeoordeling is werknemer op 30 december 2021 door een verzekeringsarts op het spreekuur gezien. Deze arts heeft vastgesteld dat werknemer ongewijzigd geen benutbare mogelijkheden heeft. Bij besluit van 31 december 2021 heeft het Uwv bepaald dat de WGA‑loonaanvullingsuitkering ongewijzigd blijft. 1.
  6. Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 31 december 2021 is bij besluit van 31 mei 2022 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Werknemer wordt ongewijzigd volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt geacht. Daaraan heeft het Uwv een rapport van 19 mei 2022 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag gelegd. 1.
  7. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Uitspraak van de rechtbank
  8. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 31 december 2021 herroepen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de werknemer per 16 juli 2020 recht heeft op een IVAuitkering. Het standpunt van het Uwv
  9. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv heeft tegen die uitspraak onder meer aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien. Hangende de procedure in hoger beroep heeft het Uwv zich op het nadere standpunt gesteld dat betrokkene geen belanghebbende is bij het besluit van 31 december
  10. Nadat het dienstverband bij betrokkene was beëindigd, heeft werknemer vanaf 24 maart 2014 een WW-uitkering ontvangen. Vanuit die situatie heeft de werknemer zich op 5 mei 2014 ziekgemeld. Er is daarom geen sprake van uitval tijdens het dienstverband en ook niet van nawerking. De WIA-uitkering die werknemer sinds 2 mei 2016 ontvangt kan niet aan betrokkene worden toegerekend. Het Uwv zal de registratie in de systemen aanpassen zodat de WIA-uitkering van werknemer niet (meer) aan betrokkene wordt toegerekend. Het standpunt van betrokkene
  11. Betrokkene heeft, ondanks herhaald verzoek, geen inhoudelijke reactie gegeven op het nadere standpunt van het Uwv. Namens WGA Raadgevers, die door betrokkene in de beroepsprocedure gemachtigd was, heeft [persoon] te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen het gewijzigde standpunt van het Uwv en geen meerwaarde te zien in voortzetting van het beroep. Het oordeel van de Raad 5.
  12. Ter zitting van de Raad van 30 januari 2025 en nader toegelicht bij brief van 17 februari 2025 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 31 december 2021 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat betrokkene geen belanghebbende bij dit besluit is. Betrokkene heeft dit standpunt niet bestreden. 5.
  13. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat betrokkene geen belanghebbende is bij het besluit van 31 december
  14. Betrokkene ondervindt geen rechtsgevolgen van de voortzetting van de WIA-uitkering van werknemer. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep van het Uwv slaagt. Conclusie en gevolgen 5.
  15. Omdat het hoger beroep slaagt, zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit is gegrond en het bestreden besluit is in zoverre terecht door de rechtbank vernietigd. Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 31 december 2021 dient echter niet-ontvankelijk te worden verklaard. Omdat het Uwv pas in hoger beroep heeft onderzocht en geconcludeerd dat betrokkene geen belanghebbende is bij de besluitvorming, bestaat aanleiding de beslissing van de rechtbank om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in stand te laten. De rechtbank heeft geen griffierecht geheven.
  16. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Omdat de aangevallen uitspraak niet in stand blijft, wordt van het Uwv voor het ingestelde hoger beroep geen griffierecht geheven. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens de beslissing om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 31 mei 2022; verklaart het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 31 december 2021 nietontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 31 mei
  17. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari
  18. (getekend) D.S. de Vries (getekend) G.T. Hunsel

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.