Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 december 2024, 23/4220 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 8 januari 2026 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Çankaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft op 14 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en de uitkering van appellante op grond van de Ziektewet (ZW) per 9 december 2022 voortgezet. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit en appellante met ingang van 9 december 2022 weer in aanmerking heeft gebracht voor een ZW-uitkering. Aldus is aan appellante tegemoetgekomen. Van in bezwaar gemaakte kosten is niet gebleken, zodat de Raad moet oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 2.802,-. Daarnaast komen op grond van artikel 1, sub b, van het Bpb de facturen van het revalidatiecentrum van € 119,61 van 2 oktober 2024 en de huisarts van € 89,90 van 4 oktober 2024 voor vergoeding in aanmerking. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.011,51; bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 193,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026. (getekend) F.M. Rijnbeek De griffier is verhinderd te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.