← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2026:170

241614 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 241614 PW-PV Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 juni 2024, 23/3058 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur) Datum uitspraak: 10 februari 2026 Zitting heeft: E.J.M. Heijs Griffier: A.T. Dannenberg De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 februari

  1. Appellant is niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.M. Janssen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
  2. Met besluiten van 28 maart 2017, 20 juni 2017 en 25 januari 2018 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 1 oktober 2016 en de gemaakte kosten van bijstand over de periode 1 oktober 2016 tot en met 28 februari 2017 teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 6.852,40 (€ 4.759,44 en € 2092,96). Met een besluit van 9 augustus 2017 heeft het dagelijks bestuur appellant een boete opgelegd van € 2.320,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. Verder heeft het dagelijks bestuur met een besluit van 29 maart 2018 appellant € 3.395,60 aan bijzondere bijstand toegekend in de vorm van leenbijstand. Deze besluiten staan in rechte vast.
  3. Met een besluit van 31 maart 2023 heeft het dagelijks bestuur appellant meegedeeld af te zien van verdere invordering van de nog openstaande vordering van € 1.114,54 in verband met het onder 1 vermelde boetebesluit. Verder heeft het dagelijks bestuur in dit besluit een overzicht opgenomen van de nog openstaande vorderingen in verband met de andere onder 1 vermelde besluiten.
  4. Appellant heeft tegen de openstaande vorderingen bezwaar gemaakt. Het dagelijks bestuur heeft met een besluit van 19 april 2023 (bestreden besluit) het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat het overzicht van de openstaande vorderingen niet is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het niet op rechtsgevolg is gericht.
  5. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  6. Appellant is het niet eens met het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat de genoemde vorderingen niet bestaande vorderingen zijn en dat deze vorderingen onrechtmatig zijn. Deze beroepsgronden slagen niet.
  7. Uit de hiervoor genoemde besluiten volgt dat het dagelijks bestuur vorderingen heeft op appellant. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is de schriftelijke mededeling over de hoogte van nog terug te betalen bedragen, waarover in het verleden al besluiten zijn genomen, niet op rechtsgevolg gericht en daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Dit is vaste rechtspraak. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. De stelling van appellant dat de door het dagelijks bestuur gestelde schulden onrechtmatig zijn, kan daarom onbesproken blijven.
  8. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand blijft.
  9. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij is vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) A.T. Dannenberg (getekend) E.J.M. Heijs Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2300.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.