22/2198 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 22/2198 WIA Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 juli 2022, 21/3180 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [ex-werkgever] B.V. (ex-werkgever) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 25 februari 2026 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.J. Hoogeveen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft op 21 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Op 30 oktober 2025 heeft mr. Hoogeveen namens appellante het hoger beroep ingetrokken en verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten betreffende het beroep en hoger beroep. Daarnaast heeft appellante verzocht om toewijzing van een vergoeding van schade ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit laatste verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 oktober 2025 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen Proceskosten De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 3.736,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting, tweemaal 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen en de zienswijze van 20 juni 2024 en 8 mei 2025 op het rapport van B. Sorgdrager, 0,5 punt voor de zienswijze van 9 oktober 2025 op het rapport van M. Vervoort en 0,5 punt voor de nadere zitting van 27 augustus 2025, met een waarde per punt van € 934,-). Daarnaast is een factuur van het Expertise Instituut ten bedrag van € 556,60 ingediend. Ook die kosten dient het Uwv te vergoeden. In totaal bedragen de door het Uwv aan appellante te vergoeden proceskosten, € 6.160,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.