Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/141 WIA Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 december 2024, 24/414 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 25 februari 2026 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben een schriftelijke zienswijze gegeven op vragen van de Raad. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 september
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Staal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. Het Uwv heeft op 22 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een nadere zitting en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van de beslissing op bezwaar van 21 december 2023, waardoor het besluit van 21 oktober 2022 herleeft waarbij appellante met ingang van 28 maart 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 22 september 2025 is volledig aan haar bezwaren tegemoetgekomen. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor het geven van schriftelijke inlichtingen op 17 september 2025 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-). De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak bepalingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht in beroep. Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.335,-; - bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari
- (getekend) J.H. Ermers De griffier is verhinderd te ondertekenen.