Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 23/2150 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 juni 2023, 21/664 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 4 maart 2026 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. Y.J.K. van Nunen, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om vergoeding van de door appellant geleden schade. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 mei
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Nunen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft psychiater dr. J.J.D. Tilanus als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 8 januari 2025 rapport uitgebracht. Appellant heeft een zienswijze ingediend. Het Uwv heeft op 25 maart 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft hierop gereageerd. Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten. OVERWEGINGEN 1.
- Vastgesteld wordt dat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 25 maart 2025 alsnog volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Hierdoor bestaat er feitelijk geen geschil meer tussen partijen. Dat brengt mee dat, nu appellant het hoger beroep niet heeft ingetrokken, het hoger beroep van appellant door het ontbreken van een procesbelang niet-ontvankelijk wordt verklaard. 1.
- Omdat het Uwv appellant na het instellen van beroep en hoger beroep tegemoet is gekomen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken. Zie hiervoor overweging
- Wettelijke rente
- Het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari
- Proceskosten 3.
- Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze na het verslag van het deskundigenonderzoek en 0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke reactie van 31 maart 2025, met een waarde per punt van € 934,-) voor de aan appellant verleende rechtsbijstand. Daarnaast wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de door appellant gemaakte reiskosten, in totaal € 33,
- 3.
- In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding die het Uwv aan appellant moet betalen € 2.835,
- 3.
- Ook moet het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; - veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor vermeld; - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.835,80; - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 136,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart
- (getekend) E.W. Akkerman (getekend) S.P.A. Elzer CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.