← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2026:257

Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/2444, 25/2445 en 25/2446 WIA Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 oktober 2025, 25/4805, 4807 en 25/4808 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 5 maart 2026 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft [gemachtigde ] hoger beroep ingesteld. De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer. OVERWEGINGEN In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb. Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep. Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Als een partij wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener dan komt diens handelen in beginsel voor risico van die partij. Een termijnoverschrijding is in een dergelijk geval doorgaans niet verschoonbaar vanwege de professionaliteit die bij beroepsmatig handelen mag worden verwacht. Op dit uitgangspunt wordt alleen een uitzondering gemaakt als sprake is van (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de professionele rechtshulpverlener of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant. De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 22 oktober 2025 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 22 oktober 2025 en geëindigd is op 3 december

  1. Het beroepschrift is op 4 december 2025 ontvangen en dus na afloop van de beroepstermijn door de gemachtigde van appellant ingediend. Bij brief van 18 december 2025 is gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. De gemachtigde van appellant heeft daarop bij brief van 14 januari 2026 geantwoord dat sprake is van een zeer beperkte termijnoverschrijding en dat deze verschoonbaar is. Er bestond aanvankelijk geen aanleiding om hoger beroep in te stellen omdat appellant dacht dat het Uwv binnen afzienbare tijd uitvoering zou geven aan de uitspraak. Het Uwv hanteerde echter een langere hersteltermijn dan appellant had verwacht. Bij het ontvangen van de beslissingen op bezwaar op 27 november 2025 was nog niet duidelijk welke rechtsmiddelen openstonden en of er nog sprake was van procesbelang. De juridische complexiteit, de vragen over het procesbelang en rechtsmiddelen en de psychische/gezondheidssituatie van appellant hebben volgens de gemachtigde van appellant geleid tot het overschrijden van de hoger beroepstermijn. De gemachtigde heeft daarmee geen (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Om de termijn veilig te stellen had de gemachtigde van appellant tijdig (in ieder geval pro forma) hoger beroep kunnen instellen. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander in tegenwoordigheid van R.E. Vet als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart
  2. (getekend) S.B. Smit-Colenbrander (getekend) R.E. Vet Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.