Centrale Raad van Beroep – ECLI:NL:CRVB:2026:310
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/1838 JW, 24/1839 JW Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2024, 21/1332, 21/3462 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) Datum uitspraak: 12 maart 2026 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellante heeft mr. R.M. Noorlander, advocaat, gronden ingediend.
Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak de beslissing op bezwaar van 6 februari 2025, aangevuld op 24 maart 2025 (nader besluit) genomen.
Het college heeft een verweerschrift en stukken ingediend. Appellante heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 december 2025 gelijktijdig met het hoger beroep van [naam 1] (in de zaken met de nummers 24/1843 en 24/1844) en van [naam 2] (in de zaken met de nummers 24/1840, 24/1845, 24/1846 en 25/2536). Voor appellante is mr. Noorlander verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Mauricio de Oliveira.
Appellante heeft het hoger beroep ter zitting ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
OVERWEGINGEN 1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026. (getekend) C.W.C.A Bruggeman (getekend) F.M. Gerritsen