GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep -na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden- van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen te P, verweerder. 1. Loop van het geding Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volks-verzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ¦ 355.967. Bij uitspraak van 14 juni 1995 heeft verweerder de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ¦ 354.982. Nadien is de aanslag ambtshalve verder verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ¦ 351.982. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage. De eerste meervoudige belastingkamer van dat Hof heeft bij uitspraak van 27 januari 1998 de uitspraak van verweerder vernietigd en de aanslag gehandhaafd zoals deze door verweerder na ambtshalve vermindering nader was vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 april 1999, nr. 34.138, de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage vernietigd en het geding verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad. Dit Hof heeft partijen bij schrijven van 29 april 1999 uitgenodigd een schriftelijke toelichting bij de voortgezette behandeling te geven. Verweerder heeft gereageerd bij schrijven van 24 juni 1999. Namens belanghebbende heeft B (C Accountants) te Z als haar gemachtigde gereageerd bij brief van 28 juni 1999. Ter zitting van 8 september 1999 zijn verschenen de gemachtigde, alsmede D namens verweerder, tot zijn bijstand vergezeld van de heer E. Beide partijen hebben vóór de zitting een pleitnota ingezonden, waarvan de inhoud als hier ingelast wordt beschouwd. Verweerder heeft ter zitting een reactie op de pleitnota van de gemachtigde voorgedragen en (met bijlagen) overgelegd. Ook deze reactie geldt als hier opgenomen. De gemachtigde heeft van de bijlagen kennis kunnen nemen en zich daarover kunnen uitlaten. Het Hof rekent alle hiervoor genoemde stukken tot de stukken van dit geding. Ter zitting is tevens behandeld de samenhangende zaak van X Holding B.V., bij het Hof bekend onder kenmerknummer P99/1223 inzake de vennootschapsbelasting 1992. De tot die procedure behorende stukken worden geacht ook in dit geding te zijn ingebracht; de tot dit geding behorende stukken worden geacht in die procedure te zijn ingebracht. 2. Tussen partijen vaststaande feiten Het Hof verwijst voor de tussen partijen vaststaande feiten naar de aangehechte kopie van de uitspraak in de procedure P99/1223, waarin voor “belanghebbende” dient te worden gelezen “X Holding BV” (hierna: X BV) en voor “X” “belanghebbende”. 3. Het geschil na cassatie Na verwijzing is in geschil of sprake is van een (middellijke) winstuitdeling door X BV aan belanghebbende. De inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend en heeft de winstuitdeling vastgesteld op ¦ 223.654. 4. Standpunten van partijen Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen naar de stukken van het geding, alsmede naar de aangehechte kopie van de uitspraak in de procedure P99/1223, waarin voor “belanghebbende” dient te worden gelezen “X BV” en voor “X” “belanghebbende”. 5. Beoordeling van het geschil 5.1.1. In de onderhavige procedure heeft de inspecteur gesteld dat sprake is van een (middellijke) winstuitdeling omdat X BV zich ter zake van de overdracht, per 1 april 1992, van de handel in gebruikte auto’s winst heeft laten ontgaan ten gunste van haar toenmalige zustervennootschap Autobedrijf F B.V. (hierna: F BV) en dat zowel deze vennootschapen als hun gezamenlijke aandeelhouder, belanghebbende, zich daarvan bewust waren. De inspecteur heeft de winstuitdeling gesteld op ¦ 223.654. Na verwijzing dient een en ander in volle omvang aan de orde komen. 5.1.2. Hiertoe dient ten eerste te worden bepaald of en zo ja, in hoeverre, de overdracht door X BV van de handel in gebruikte auto’s aan F BV op grond van artikel 10, onder a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 moet leiden tot een correctie van de winst van X BV. Het Hof heeft in de heden besliste procedure P99/1223 terzake geoordeeld dat sprake is van een winstverschuiving van X BV naar F BV ter grootte van ten minste ¦ 223.654, zodat de door de inspecteur in aanmerking genomen winstcorrectie van X BV niet te hoog is. 5.2. Voor het bestaan van de hiervoor onder 5.1.1. bedoelde winstuitdeling is tevens vereist dat de aandeelhouder door de vennootschap wordt bevoordeeld in die zin dat sprake is van een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder als gevolg waarvan enig geldbedrag of andere waarde, gedekt door de in de vennootschap aanwezige winst, ten gunste van de aandeelhouder wordt onttrokken. Voorts is vereist dat zowel de betrokken vennootschap(pen) als de aandeelhouder zich bewust zijn van die bevoordeling. 5.3.1. Met betrekking tot belanghebbendes vermogenspositie heeft de inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, gesteld dat zich tengevolge van de onzakelijke overdracht een vooruitgang in het vermogen van belanghebbende heeft voorgedaan omdat de aandelen F BV over 1992 in waarde zijn gestegen (waarde per ultimo 1991: negatief ¦ 91.725 en per ultimo 1992: ¦ 30.000), terwijl ook belanghebbendes vordering op F BV ad nominaal ¦ 100.156, welke per ultimo 1991 waardeloos was, (nagenoeg) volwaardig is geworden. De fiscaal compensabele verliezen van F BV, welke per ultimo 1991 ¦ 132.025 beliepen, zijn in het onderhavige jaar 1992 volledig gecompenseerd. 5.3.2. Belanghebbende heeft de waardestijging van de aandelen F BV als zodanig niet weersproken. Ook naar ’s Hofs oordeel is te dezen voldoende aannemelijk geworden dat zich in 1992 een waardestijging van de aandelen F BV heeft voorgedaan en dat die waardestijging enkel het gevolg is geweest van de winstgevende exploitatie van de van X BV verkregen handel in gebruikte auto’s in dat jaar. De overige activiteiten van F BV gedurende 1992, de verhuur van het pand aan de Industrieweg, waren immers -evenals in voorgaande jaren- verliesgevend. Wel heeft belanghebbende gesteld dat zijn vordering op F BV nimmer onvolwaardig is geweest. Het Hof acht zulks, gelet op het vorenstaande en op de onder 5.3.1. vermelde vermogenssituatie van F BV, evenwel niet aannemelijk geworden. Daaraan doet niet af dat belanghebbende de vordering in zijn aangifte voor de vermogensbelasting steeds voor de nominale waarde heeft opgenomen. Mitsdien is voldoende komen vast te staan dat belanghebbende eveneens vanwege een waardestijging van zijn vordering op F BV is verrijkt. 5.4.1. Ten aanzien van de bewustheid c.q. bevoordelingsbedoeling van X BV, F BV (hierna ook: de BV’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.