GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X N.V. te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 29 april 1999, aangevuld bij schrijven van 10 september 1999. Het beroep is gericht tegen de uit-spraak van de inspecteur, gedagtekend 23 april 1999, betref-fende de aan belang-hebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1994 met dagtekening 31 januari 1998. De onderhavige aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van ¦ a. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag conform de standpunten van belanghebbende tot een berekend naar een belastbaar bedrag van, primair, ¦ b dan wel, subsidiair, ¦ c. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. Met toestemming van de voorzitter van de Meervoudige Belastingkamer heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden. Ter zitting van 20 september 2000 zijn verschenen als gemachtigden van belanghebbende mr. A (B Belastingadviseurs te Y) en mr. C (DEF te Z), tot zijn bijstand vergezeld van mr. G en vergezeld van drs. H, mr. I en J, alsmede mr. drs. K namens de inspecteur, tot zijn bijstand vergezeld van mr. L RA en M. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. De inspecteur heeft zich over het in de pleitnota van de gemachtigden voor het eerst aangevoerde beroep op het gelijkheidsbeginsel niet ter zitting kunnen uitlaten. Het Hof heeft partijen medegedeeld dat, indien het Hof bij de beoordeling van de zaak aan het beroep op het gelijkheidsbeginsel mocht toe-komen, de inspecteur daartoe nog schriftelijk in de gelegenheid zal worden gesteld. Het door belanghebbende ingestelde beroep betreffende de navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1994, bij het Hof bekend onder kenmerk-nummer 99/1309, is op verzoek van partijen door het Hof gevoegd met de onderhavige zaak behandeld. De tot die procedure behorende stukken worden geacht ook in dit geding te zijn ingebracht; de tot dit geding behorende stukken worden geacht in die procedure te zijn ingebracht. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1.1. Belanghebbende oefent, door middel van vier voor de heffing van de vennootschapsbelasting met haar in een fiscale eenheid gevoegde dochtermaatschappijen, onder meer het levensverzekeringsbedrijf uit. Tot de in het kader van die bedrijfsuitoefening door belanghebbende gevoerde producten behoren koopsompolissen en premiebetalende verzekeringen met winstgarantie. 2.1.2. Belanghebbende kent drie categorieën koopsompolissen, te weten direct ingaande lijfrenten (hierna: DIL), betaalbaar aanvullend pensioenpolissen (hierna: BAP) en overige (alle polissen hierna tezamen ook: koopsompolissen). 2.2. Tussen het Ministerie van Financiën en de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van het Levensverzekeringswezen (hierna: de NVBL) is in februari 1969 een afspraak gemaakt inzake de fiscale behandeling van de premiereserve en inzake de regeling van de egalisatiereserve. Deze afspraak is neergelegd in een op 11 april 1969 door de betrokken partijen opgesteld document (hierna: het Convenant; bijlage 6 bij de aanvulling op het beroepschrift). Het Convenant luidt -voor zover hier van belang- als volgt: “ Premiereserve A. waarderingsgrondslagen Hoofdregel 1. De algemene regel is voortaan dat de grondslagen voor de berekening van de premiereserve gelijk zijn aan de grondslagen van het tarief waarop de verzekeringen zijn of worden gesloten. Niederstwertprinzip 2. Omrekening van de premiereserve naar in totaal zwaardere grondslagen (d.w.z. resulterend in een hogere uitkomst) is slechts geoorloofd op de volgende wijze: (.…) Overgangsregeling 3. De na 31 december 1964 gesloten individuele verzekeringen worden geacht te zijn gesloten op een tarief, gebaseerd op een intrestvoet van 3½% indien gesloten tegen periodieke premiebetaling, en van 4% indien gesloten tegen premie-ineens (.…). B. Rekenrente premiereserve fractieverzekeringen (.…) C. Rentekortingen op periodieke premiën en premie-ineens voor collectieve verzekeringen 1. Deze rentekortingen worden met ingang van 1 januari 1969 niet meer ineens voor 100% ten laste van het jaar gebracht waarin deze zijn verleend, maar geactiveerd (c.q. op de premiereserve in mindering gebracht), (….). De aldus geactiveerde bedragen worden ten laste van de winst gebracht in een periode van 8 jaren, te beginnen met het jaar van verlening, en wel met 15% per jaar gedurende de eerste 4 jaren en 10% per jaar gedurende de volgende 4 jaren. (.…). 2. De actiefpost “rentekortingen” wordt beschouwd als een correctie op de premiereserve en wordt mitsdien ook betrokken bij de berekening van de gemiddelde intrestvoet der premiereserve. (….)”. 2.3.1. In een brief van 18 juni 1970 (bijlage 7 bij de aanvulling op het beroepschrift) schreef de NVBL aan de Minister van Financiën onder meer: “Met verwijzing naar (….) de introductie van individuele verzekeringen met contractuele overrentedeling, geven wij in een bijlage bij deze brief aan wat naar onze mening de consequenties van een en ander zijn voor wat de fiscale premiereserve betreft. (….) Gaarne zullen wij vernemen of Uwe Excellentie met onze visie terzake (….) kan instemmen.” 2.3.2. De bijlage luidt, voor zover van belang: “In punt 3 van [het Convenant] staat dat de na 31 december 1964 gesloten individuele verzekeringen worden geacht te zijn gesloten op een tarief, gebaseerd op een intrestvoet van 4% indien gesloten tegen premie-ineens. De per 21 mei 1969 doorgevoerde verhoging van de korting op koopsommen heeft tot gevolg gehad dat - als consequentie van genoemd [Convenant] - de premiereserve voor de koopsomposten, waarop de desbetreffende kortingsregeling van toepassing werd, wordt gebaseerd op een intrestvoet van 4½%. Hiervan is aan (….) de Staatssecretaris van Financiën mededeling gedaan met brief dd. 3 juni 1969. In verband met de verdere stijging van de rentestand sindsdien, is nu een systeem van rentestandskorting op koopsommen voor individuele verzekeringen ingevoerd, waarbij de kortingspercentages van tijd tot tijd worden vastgesteld aan de hand van een objectieve parameter, een systeem dus naar analogie van de SL-korting in de collectieve sector. Doortrekking van de bestaande gedragslijn ten aanzien van de reservering is bij het nieuwe systeem niet goed mogelijk omdat dan op een telkens wisselende intrestvoet zou moeten worden gereserveerd, hetgeen administratief zeer bezwaarlijk is. Wij hebben daarom onze leden geadviseerd koopsomposten voor individuele verzekeringen, gesloten onder vigeur van het nieuwe tarief, te reserveren op basis van de intrestvoet die aan dit tarief ten grondslag ligt, dus op 4%, en de rentestandskorting te activeren en af te schrijven naar analogie van de SL-korting in de collectieve sector.”. 2.3.3. In een brief van 11 oktober 1973 (bijlage 8 bij de aanvulling op het beroep-schrift) verstrekt de NVBL aan het Ministerie van Financiën, zoals afgesproken tijdens een onderhoud naar aanleiding van de brief van 18 juni 1970, nadere informatie inzake op nieuw tarief en tegen koopsom gesloten individuele verzekeringen. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt: “De NVBL heeft haar leden geadviseerd voor verzekeringen, gesloten op nieuw tarief en tegen koopsom, te reserveren op de grondslagen van het tarief, waarbij activering en afschrijving van de rentestandkorting zou geschieden naar analogie van de SL-korting. U vroeg zich af, of deze methode verantwoord is, met name omdat de korting op de koopsom wellicht betrekking heeft op een lange periode. (….) Inderdaad kan niet worden ontkend dat, afhankelijk van de leeftijd, de duur van de periode waarover de korting wordt verleend, relatief lang kan zijn. Berekeningen wijzen overigens uit dat in een vaak voorkomend geval - de [DIL] op het leven van een 65-jarige - in 10 jaar tijd + 70% van de korting moet zijn afgeschreven. Anderzijds geldt dat de kortingen vanzelfsprekend worden afgestemd op de beleggingen die staan tegenover de premiereserve van de onderhavige verzekeringen. (….) Dit resulteert in een gemiddelde looptijd, die korter is dan 10 jaar, gegeven dat na het vijfde jaar wordt afgelost. Op grond van het bovenstaande menen wij dan ook, dat de geadviseerde methode alleszins verantwoord moet worden geacht.”. 2.4.1. Ten aanzien van koopsompolissen handelt belanghebbende als volgt. De interne administratie van belanghebbende, alsmede de Technische tariefsnota’s aan de Verzekeringkamer en aan andere instanties (bijlagen 10.1. t/m 10.7. bij de aanvulling op het beroepschrift) zijn zo ingericht dat een aan de premie(koopsom-) berekening ten grondslag liggende rente van 4% wordt verantwoord. Het automatiseringssysteem van belanghebbende (“N”) is niet in staat met een andere rente te werken dan 4%. De aldus berekende premiereserve wordt steeds gecorrigeerd met een actiefpost “rentestandskortingen” (hierna ook: RSK) die wordt afgeleid uit de daadwerkelijk verschuldigde koopsommen. De verschuldigde koopsommen worden berekend door voor een bepaalde termijn uit te gaan van een bepaald rendement dat in verband staat met de marktrente. De geboekte RSK-bedragen worden per post bepaald als: het verschil tussen de nettokoopsom op tariefsrente en de nettokoopsom op 4%; de posten worden daarna getotaliseerd. De RSK wordt overeenkomstig de in het Convenant onder C gegeven methode afgeschreven. Dit houdt onder meer in dat in het eerste jaar de geboekte RSK direct voor 15% wordt afgeschreven, ongeacht wanneer deze wordt geboekt. 2.4.2. Belanghebbende brengt niet van elke post een offerte uit, doch alleen op verzoek van een (potentiële) klant. Wel wordt van elke post intern een premie-berekening gemaakt. Deze wordt niet aan de klant bekend gemaakt. De offerten c.q. polissen van belanghebbende vermelden niet een rekenrente en niet een rentestandskorting. In de door belanghebbende overgelegde kopieën van offerten van koopsompolissen (bijlagen 9.1. e.v. t/m 9.4. bij de aanvulling op het beroepschrift) wordt gesproken van “een veronderstelde rentestand” (7%). De inspecteur wijst in zijn brief aan belanghebbende van 9 november 1998 (bijlage 6 bij het verweerschrift) op offertes van belanghebbende, sprekende onder meer van “een rekenrente van 6,5%” en van “een afbetalingskoopsom tegen 7%”. 2.5.1. Met ingang van 1 oktober 1982 heeft belanghebbende winstgaranties verstrekt voor de meeste verzekeringen tegen premiebetaling (hierna: garantiepolissen). Deze verzekeringen kennen een recht op een aandeel in de winst van belanghebbende. Een gedeelte van de winstbijschrijving, uit te keren bij in leven zijn van de verzekerde op de einddatum, is gegarandeerd. Dit te garanderen deel wordt uitgedrukt in een percentage van het verzekerde kapitaal bij leven van de hoofdverzekering. Na 1994 zijn door belanghebbende geen garantiepolissen meer gesloten. 2.5.2. Bij de berekening van het verzekerde kapitaal en van de verschuldigde premies uit hoofde van een garantiepolis hanteert belanghebbende een rente van 4%. Te dezer zake wordt geen RSK gevormd. De premiereserve wordt berekend met inachtneming van een rente van 4% over de verzekerde som, waarbij jaarlijks het bedrag van de daadwerkelijk op de desbetreffende polis bijgeboekte winstdeling eveneens tegen een rente van 4% wordt voorzien. 2.5.3. Het in de polissen toegekende recht op winstdeling is nader geregeld in de statuten van de vier onder 2.1.1. bedoelde levensverzekerings-/dochter-maatschappijen van belanghebbende. De tekst van de statuten van de belangrijkste dochtermaatschappij (O Levensverzekering Maatschappij N.V.) behoort tot de gedingstukken (bijlage 14 bij de aanvulling op het beroepschrift alsmede bijlage 6 bij de conclusie van repliek). 2.6. De (geautomatiseerde) administratie van belanghebbende is zo ingericht dat daaruit te allen tijde haar verplichtingen c.q. vermogensrechtelijke positie jegens verzekeringnemers kan worden bepaald. Die positie vloeit voort uit de verzekerings-overeenkomsten zoals die ná eventuele wijzigingen luiden. Belanghebbende bewaart de ‘oude’ gegevens, van vóór de wijziging, alsmede afdrukken van berekeningen van die vermogensposities als regel niet langer dan circa 15 maanden. Binnen die termijn zijn de ‘oude’ gegevens overgenomen in de geautomatiseerde berekening van de vermogenspositie in het daaropvolgende jaar. 2.7.1. Bij belanghebbende zijn in de loop der jaren meerdere boekenonderzoeken uitgevoerd. Naar aanleiding van een RAD-controle betreffende de vennootschaps-belasting voor de jaren 1974 t/m 1982 zijn diverse correcties tussen belanghebbende en de belastingdienst overeengekomen. In het controlerapport d.d. 14 oktober 1988 (bijlage 21 bij de aanvulling op het beroepschrift) is onder meer opgenomen, onder 3.301., Premiereserve Leven (Wiskundige reserve), 3.301.3. Netto-reserve: “De netto-reserve wordt in beginsel conform de waarderingsgrondslagen volgens de levendeal d.d. 11 april 1969 bepaald. Echter, terzake van koopsomposten voor individuele verzekeringen valt een kanttekening bij de waarderingsgrondslagen te plaatsen. Sinds enige jaren ligt aan koopsommen voor direct ingaande en uitgestelde “spaar”verzekeringen als rekenrente de “marktrente” ten tijde van afsluiting van de verzekering ten grondslag. Deze rentevoet, al of niet van de duur van de verzekering afhankelijk, wordt door het orgaan Effecten en Beleggingen vastgesteld. Ook de kostenopslagen zijn afwijkend van het Niveautarief. Het gaat met name om “grotere” verzekeringssommen en om de “fiscale” lijfrentepolissen. Ons inziens is hier sprake van speciale tarieven, die hun eigen berekeningsgrondslagen kennen. Het verschil tussen de feitelijk betaalde koopsom en de fictieve brutokoopsom volgens het Niveautarief à 4% rekenrente wordt als rentestandskorting geactiveerd. De waardering van de contante waarde van de toekomstige verplichtingen geschiedt op basis van 4% rekenrente. Verder kunnen leeftijdsterugstellingen volgens koopsomtarief en premiereserveberekening divergeren. Wij zijn de mening toegedaan, dat in de vermelde koopsomgevallen de hoofdregel van de levendeal geweld wordt aangedaan. Deze hoofdregel gebiedt, dat de premiereserve voor deze posten op basis van “marktrente” wordt bepaald. Als gevolg van het feit, dat de geactiveerde rentestandskorting in 8 jaar wordt afgeschreven en de duur van de verzekeringen doorgaans langer dan 8 jaar is, heeft de discrepantie tussen waarderings- en tariefgrondslagen voor vele jaren consequenties op het resultaat. Vooralsnog volstaan wij hier met het signaleren van deze problematiek.”. 2.7.2. De bij belanghebbende ingestelde boekenonderzoeken over de jaren 1983 tot en met 1992 behelsden met name een aantal incidentele gebeurtenissen met een potentieel groot fiscaal belang. Het onderzoek over het jaar 1983 heeft geresulteerd in een controlerapport van 28 juni 1993; de jaren 1984 t/m 1986 zijn beschreven in een controlerapport van 8 juni 1994; de jaren 1987 t/m 1990 in een rapport van 22 juli 1994. Bij schrijven van 14 februari 1997 volgde vervolgens een notitie houdende een definitieve standpuntbepaling aanslagregeling 1984 t/m 1990. De jaren 1991 en 1992 zijn beschreven in een controlerapport van 7 augustus 1997; het jaar 1993 bij rapport van 25 augustus 1997 en het jaar 1994 bij rapport van 14 augustus 1998. 2.8.1. In dit laatstgenoemde rapport van 14 augustus 1998 betreffende het onderhavige jaar 1994 (bijlage 2 bij het verweerschrift) wordt het standpunt ingenomen dat de premiereserves door belanghebbende niet conform het Convenant worden berekend omdat de door belanghebbende bij de berekening van in te leggen koopsommen en premies gehanteerde rente hoger ligt dan de rekenrente van 4% welke zij voor de berekening van haar premiereserves bezigt. De inspecteur schrijft in een brief van 30 oktober 1997 aan belanghebbende onder meer (bijlage 1 bij het controlerapport, bijlage 3 bij het verweerschrift): “(…) Onlangs kregen wij de beschikking over de actuariële rapporten van [belanghebbende] over de jaren 1992 tot en met 1995 (…). Een aantal fragmenten daaruit trok onze aandacht. (….) De voorgaande citaten hebben alle betrekking op het individuele bedrijf, althans op de koopsomposten en de premiebetalende posten met winstgarantie die deel uitmaken van dat bedrijf. Wij leiden uit de citaten af dat in dit bedrijf niet een rekenrente van 4% wordt gehanteerd, maar een hogere, marktgerelateerde rente. (…) Aan de citaten uit de stukken uwerzijds ontlenen wij het vermoeden dat een hogere tariefrente bij u aan de orde is in het individuele bedrijf dan 4%. Wij leven in de veronderstelling dat door u thans gepassiveerd wordt op basis van een tariefrente van 4%. Tegen de achtergrond van de (…) hoofdregel uit [het Convenant] houden wij rekening met de mogelijkheid dat een aanzienlijke correctie zou moeten worden aangebracht op de fiscale waardering van de premiereserve. (….)”. 2.8.2. Bijlage 3 bij het controlerapport (bijlage 3 bij het verweerschrift) is een brief van belanghebbende aan de inspecteur van 11 november 1997 welke onder meer luidt: “(…) Voor de reserveringen inzake individuele verzekeringen tegen premie geldt overeenkomstig het convenant dat de grondslagen voor de berekening van de premiereserve gelijk zijn aan de grondslagen van het tarief waarop de verzekeringen zijn of worden gesloten. Voor reserveringen inzake individuele verzekeringen tegen koopsom gaat dit niet op ten aanzien van de gehanteerde rekenrente. Zowel de behandeling van de rentestandskorting individueel als de technische onderbouwing daarvan komt echter al jaren overeen met hetgeen dienaangaande collectief wordt gedaan. De daarvoor opgezette structuur alsmede de achterliggende ideeën zijn gelijk. (….) De gevoerde rentestandskorting voor individueel verwoordt, hoewel niet met zo veel woorden in het convenant beschreven, de “geest” van dit convenant. Ten tijde van de totstandkoming kwam bij individueel geen rentestandskorting voor. Ware dit wel het geval geweest dan zou naar mijn mening de rentestandskorting individueel ook in het convenant zijn opgenomen. (…)”. 2.9.1. In januari 1998 zijn door belanghebbende en de inspecteur besprekingen gevoerd omtrent de vraag hoe de correcties zouden moeten worden berekend indien mocht blijken dat de door belanghebbende gehanteerde methode van berekening van de premiereserve niet zou worden geaccepteerd. De inspecteur heeft vervolgens in samenwerking met belanghebbende een onderzoek doen instellen naar het fiscale belang van het door hem (conform 2.8.1.) ingenomen standpunt. Dit is geschied met behulp van een EDP audit (een onderzoek op het vlak van Electronic Data Processing) bij belanghebbende. Hierbij is de per ultimo 1994 bestaande situatie op benaderende wijze in kaart gebracht. 2.9.2. In het onder 2.8.1. bedoelde controlerapport is terzake onder meer vermeld dat doorgaans noch de polisdossiers, noch het geautomatiseerde “moederbestand” (O) informatie bevat omtrent het gehanteerde tarief en dat, omdat ook de netto koopsom in O ontbreekt, het terugrekenen van de rentevoet onmogelijk is. Het bestand O per ultimo 1994 was niet meer aanwezig. Wel bleken diverse rentelijsten met informatie omtrent de gehanteerde rente in een bepaalde periode voorhanden. Belanghebbende heeft de inspecteur medegedeeld dat “enige jaren geleden” voor niet-fiscale doeleinden geprobeerd is om een berekening van de wiskundige reserve op tariefsrente te maken doch dat dit om bovengenoemde redenen is opgegeven. In het controlerapport wordt voorts geconcludeerd dat belanghebbende niet voldoet aan de bewaarplicht met betrekking tot tariefsinformatie en dat hierdoor controle op de naleving van de hoofdregel van het Convenant in de vorm van een post-voor-post berekening niet mogelijk is. De door de belastingdienst over 1994 aangebrachte correcties zijn, in samenwerking met belanghebbende, benaderingswijze berekend. 2.10.1. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar in november 1995 aangifte gedaan van een belastbaar bedrag van ¦ d (een belastbare winst van ¦ e en verrekenbare verliezen van ¦ g). Bij de primitieve aanslagregeling in januari 1998 heeft de inspecteur ingevolge zijn onder 2.8.1. omschreven standpunt een correctie aangebracht van ¦ i miljoen ten aanzien van de premiereserve voor koopsompolissen en ¦ k miljoen ten aanzien van de premiereserve voor garantiepolissen. 2.10.2. Het EDP onderzoek heeft uiteindelijk geleid tot een brief van belang-hebbende aan de inspecteur van 16 april 1998 (bijlage 12 bij de aanvulling op het beroepschrift) waarin belanghebbende de door de inspecteur voorgestane correctie inzake de koopsompolissen berekent op een bedrag van ¦ m. Op 10 juli 1998 (bijlage 13 bij de aanvulling op het beroepschrift) zond belanghebbende de inspecteur een brief waarin nadere berekeningen van de correctie koopsompolissen zijn opgenomen uitgaande van de door de inspecteur ingenomen standpunten en uitkomende op een correctie van ¦ n. 2.10.3. Bij navorderingsaanslag van 31 augustus 1998 betreffende het onderhavige jaar 1994 heeft de inspecteur de eerder aangebrachte correctie ten aanzien van de premiereserve koopsompolissen tot ¦ o verhoogd. 3. Geschil 3.1. Ten aanzien van de koopsompolissen zijn de volgende vragen in geschil: 3.1.1. Mag belanghebbende de premiereserve berekenen als het saldo van: de passiefpost “premiereserve”, bepaald met inachtneming van een rente van 4%, en de actiefpost “rentestandskortingen”, bepaald door het verschil tussen de betaalde nettokoopsommen en de nettokoopsommen berekend op 4%, op welke actiefpost overeenkomstig de in het Convenant onder C gegeven methode wordt afgeschreven? 3.1.2. Zo de voorgaande vraag ontkennend dient te worden beantwoord, is in geschil of belanghebbende zich terecht beroept op het vertrouwensbeginsel. 3.1.3. Zo de voorgaande vraag ontkennend dient te worden beantwoord, is in geschil of belanghebbende zich terecht beroept op het gelijkheidsbeginsel. 3.1.4. Zo de voorgaande vraag ontkennend dient te worden beantwoord, is in geschil de omvang van de door de inspecteur aangebrachte correctie, waarbij de inspecteur stelt dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de wettelijke administratieplicht en/of de wettelijke bewaarplicht (artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). 3.2. Ten aanzien van de garantiepolissen zijn de volgende vragen in geschil: 3.2.1. Mag belanghebbende de premiereserve berekenen als de som van: de passiefpost voor de verzekerde hoofdbedragen, exclusief winstgarantie, met inachtneming van een rente van 4%, en de passiefpost ter zake van de jaarlijks plaatsgehad hebbende winstbijschrijvingen, bepaald met inachtneming van een rente van 4%? 3.2.2. Zo de voorgaande vraag ontkennend dient te worden beantwoord, is in geschil of belanghebbende zich terecht beroept op het gelijkheidsbeginsel. 3.2.3. Zo de voorgaande vraag ontkennend dient te worden beantwoord, is in geschil de omvang van de door de inspecteur aangebrachte correctie, waarbij de inspecteur stelt dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de wettelijke administratieplicht en/of de wettelijke bewaarplicht (artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). 4. Standpunten van partijen 4.1. Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen naar de stukken van het geding. belanghebbende: 4.1.1. Belanghebbende betoogt, kort gezegd, dat berekening van de premiereserve voor individuele koopsompolissen met inachtneming van een rente van 4% in overeenstemming is met de toepasselijke bepalingen van het Convenant, omdat deze rekenrente ten grondslag ligt aan haar desbetreffende tarieven. De RSK vormt een correctiepost op de premiereserve. De afschrijving van de RSK vindt plaats analoog aan het bepaalde onder C van het Convenant. Onderdeel C van het Convenant is daar weliswaar niet voor geschreven, maar een zodanige handelwijze valt binnen de geest van het Convenant en wordt, naar aanleiding van de brieven van de NVBL aan het Ministerie uit 1970 en 1973, door alle Nederlandse levensverzekeraars gevolgd. In het jaar van afsluiting van de polis kan derhalve 15% van de RSK worden afgeschreven, ongeacht de datum van afsluiting van de polis. Belanghebbende stelt subsidiair dat de gemiddelde afsluitdatum voor DILs op ongeveer 1 mei van een jaar ligt, en voor BAPs op ongeveer 1 juni van een jaar. De gemiddelde looptijd van koopsompolissen is 12 jaren. 4.1.2. Aan de omstandigheden dat het Ministerie, na brieven van en overleg met de NVBL, in het geheel niet heeft gereageerd, dat de inspecteur reeds 24 jaren de handelwijze van belanghebbende heeft gevolgd en zulks ook nádat in 1988 door de RAD was geconcludeerd dat deze niet in overeenstemming met het Convenant zou zijn, onleent belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen dat niet vóór het jaar 1999, althans 1998, die handelwijze wordt gecorrigeerd. 4.1.3. Voor garantiepolissen geldt ook een disconteringsrente van 4%. De premie-reserve wordt berekend met een rente van 4% over de verzekerde som plus de daadwerkelijk bijgeboekte jaarlijkse winstdeling. Voor zover het gegarandeerde winstdeel aan het eind van de looptijd hoger is dan de daadwerkelijk voorziene winstdelen, vindt bij expiratie van de polis bijboeking plaats. Zulks komt overigens nauwelijks voor. De voorziening representeert te allen tijde de verplichtingen van belanghebbende onder de overeenkomst, waarbij rekening wordt gehouden met tussentijdse beëindiging. In de methode van de inspecteur kan tussentijds of tegen het eind van de looptijd sprake zijn van een aanzienlijk te lage voorziening. de inspecteur: 4.1.4. De inspecteur stelt, kort gezegd, dat belanghebbende voor haar tarifering van de koopsompolissen een hogere feitelijke rente hanteert dan 4% en dat de hoofdregel van het Convenant vereist dat de premiereserve tegen dat hogere rentepercentage (te destilleren uit de betaalde nettokoopsommen) wordt gedisconteerd. Dit verschilt met de door belanghebbende gehanteerde methode omdat de afschrijving van de RSK door belanghebbende niet plaatsvindt gedurende de gehele looptijd van de polis van, gemiddeld, 14 jaren (BAP’s), 13 jaren (DIL’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.