GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur.
(1988)heeft, nu de bepaling van artikel 16, vierde lid, van de AWR hier toepassing mist. Belanghebbende stelt hiertoe dat hij in de periode 1985 tot en met 1990 uitsluitend heeft belegd in aandelen van Nederlandse ondernemingen, dat deze aandelen in Nederland worden aangehouden bij AD, dat het beginvermogen van de Zwitserse rekening afkomstig is uit en is overgeboekt vanuit Nederland, dat het vermogen volledig deel heeft uitgemaakt van de aangiften voor de inkomstenbelasting van belanghebbende tot 1982, dat dit vermogen wordt aangehouden voor een Nederlander en dat het wordt beheerd vanuit Nederland. Onder deze omstandigheden kan, zo stelt belanghebbende, niet worden gesproken van "een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt aangehouden of is opgekomen". 5.1.
- De inspecteur stelt daar tegenover dat de omstandigheden die belanghebbende naar voren brengt niet relevant zijn. De aandelen bevinden zich in depot bij AD, doch niet voor belanghebbende, maar, zoals in het beroepschrift ook wordt omschreven, voor C-bank Amsterdam, welke bank één depot heeft bij AD. In dit depot zijn alle stukken verzameld voor effectenrekeningen die worden aangehouden bij de buitenlandse kantoren van C-bank. 5.1.
- De rekening in kwestie wordt door belanghebbende aangehouden bij een Zwitserse rechtspersoon die in Zwitserland het bankbedrijf uitoefent. Uit de stukken van het geding komt naar voren dat de registratie van de rekening ook in Zwitserland wordt gevoerd en de mutaties vanuit Zwitserland worden medegedeeld aan de door belanghebbende aangewezen persoon, welke persoon zich voor opdrachten met betrekking tot die rekening ook moet wenden tot de bank in Zwitserland. Nu belanghebbende niet heeft kunnen aangeven op welke wijze belanghebbendes gerechtigdheid tot de onderliggende vermogenswaarden tevens zou zijn op te maken uit registraties die voorhanden zijn bij Nederlandse (financiële) instellingen, moet worden geoordeeld dat aannemelijk is dat de rol van AD zo beperkt is als door de inspecteur is beschreven en dat het beheer van de rekening in handen is van C-bank Zürich. Waar met betrekking tot de verruiming van de navorderingstermijn de achterliggende gedachte, zoals in de wetsgeschiedenis tot uitdrukking gebracht, was dat het de Nederlandse fiscus in feite ontbreekt aan toereikende controlemogelijkheden om naar het buitenland overgebrachte spaargelden en dergelijke bezittingen (banktegoeden, effecten en dergelijke) te achterhalen, is op grond van het vorenoverwogene naar het oordeel van het Hof ten aanzien van de via de niet-aangegeven bankrekening gehouden aandelen zowel naar de tekst als naar de strekking van de wettelijke bepaling sprake van in het buitenland gehouden vermogensbestanddelen en van in het buitenland opgekomen inkomensbestanddelen. De omstandigheden vermeld onder 5.1.
- hiervóór doen aan dit oordeel niet af. Deze omstandigheden - en dan met name de omstandigheid dat het gaat om aandelen in Nederlandse vennootschappen - maken ook niet, zoals belanghebbende stelt, dat hier sprake is van een buitenproportionele en exceptionele uitbreiding van de navorderingstermijn. 5.1.
- Het vorenstaande oordeel geldt evenzeer voor de aandelen AE die via de Zwitserse rekening worden gehouden. Hetgeen belanghebbende stelt, namelijk dat de waardestijging van deze aandelen niet plaatsvindt in Zwitserland, doch op de Nederlandse Antillen dan wel (fictief) in Nederland, is immers niet van belang. Voor de toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR is beslissend langs welke weg inkomensbestanddelen aan de belastingplichtige opkomen, en niet de plaats van de economische activiteit waarin die voordelen hun oorsprong vinden of dat het inkomenskarakter van die voordelen uitsluitend wordt bepaald door de inhoud van de Nederlandse belastingwet. 5.1.
- Voorts wordt in het beroepschrift de vraag opgeworpen of zich hier geen schending voordoet van de artikelen 48, 52 of 53 van het EG-Verdrag, nu aan kapitaal aangehouden in het buitenland wettelijk strengere eisen gelden dan kapitaal aangehouden in het binnenland. Deze stelling, die niet nader is toegelicht, wordt door het Hof verworpen, reeds om de reden dat het in de onderhavige zaak gaat om het aanhouden van een rekening in Zwitserland, welk land niet tot de gemeenschap behoort, zodat niet kan worden ingezien op welke wijze de vrijheid van het communautaire verkeer hier in het geding is. 5.1.
- Uit het overwogene onder 5.1.
- tot en met 5.1.
- volgt dat het bepaalde in artikel 16, vierde lid, van de AWR de onderhavige navordering toelaat, zodat het gelijk inzake geschilpunt a. aan de inspecteur is. 5.2.
- De onderhavige verhoging van 100 percent is opgelegd met toepassing van artikel 18, eerste lid, AWR (tekst tot 1998). De inspecteur heeft in het Voorschrift administratieve boeten 1993 (VAB 1993), laatstelijk gewijzigd bij regeling van 28 maart 1995, nr. AFZ 95/10041, Stcrt. 107, geen aanleiding gevonden voor enigerlei kwijtschelding. 5.2.
- Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 2 mei 2001, nr. 36.199, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1987, dient de vraag of de opgelegde verhoging in stand kan blijven, te worden beantwoord aan de hand van artikel 67n AWR (tekst vanaf 1 januari 1998). Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt: 'Een vergrijpboete wordt niet opgelegd aan de belastingplichtige die alsnog een juiste en volledige aangifte doet (…) vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden'. 5.2.
- Belanghebbende heeft zich, door tussenkomst van zijn gemachtigden, op vrijdag 21 november 1997 gemeld bij de Belastingdienst met gegevens over de voordien buiten de aangiften voor de inkomstenbelasting en voor de vermogensbelasting gehouden vermogens- en inkomensbestanddelen, verband houdende met een in Zwitserland aangehouden bankrekening. Vóór dat tijdstip, zo staat tussen partijen vast dan wel acht het Hof aannemelijk, hadden zich de volgende gebeurtenissen en omstandigheden reeds voorgedaan: - op vrijdag 24 oktober 1997 was bij K B.V. huiszoeking, bij welke huiszoeking belanghebbende aanwezig was en als verdachte werd verhoord; - het onderzoek was niet alleen gericht op malafide handelingen in het beursverkeer, maar ook op belastingfraude, onder meer met gebruikmaking van coderekeningen; - belanghebbende had in september 1996 van zijn Zwitserse bankrekening in het kader van de a-transactie een bedrag van (omgerekend) ƒ 639.548,01 laten overboeken ten behoeve van de bankrekening Q bij S, welk bedrag kort daarna weer was teruggeboekt; - belanghebbende wist dat de a-transactie onder de aandacht was gekomen van het onderzoeksteam en hij wist dat O, die in voorlopige hechtenis zat, was (en werd) verhoord. 5.2.
- De inspecteur heeft gesteld, doch tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt, dat één of meer personen bij wie de Belastingdienst navraag had kunnen doen op de hoogte zijn geweest van het bestaan van de - onderhavige - Zwitserse bankrekening van belanghebbende. 5.2.
- Tijdens de zitting van 28 maart 2001 heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat het tussen hem en O duidelijk was dat hij, belanghebbende, zou zorgen voor de administratieve afwikkeling van de a-transactie. Ook heeft hij verklaard te weten dat O bevoegd was - uit welken hoofde dan ook - te beschikken over de rekening Q bij S, dat O wist dat belanghebbende beschikte over "enkele miljoenen" in Nederland en in Zwitserland en dat O wist dat er door bemiddeling van belanghebbende geld op de rekening Q was komen te staan ten behoeve van de afwikkeling van de a-transactie. Voorts heeft belanghebbende verklaard dat het in het kader van de a-transactie van zijn Zwitserse bankrekening naar de rekening Q bij S overgemaakte (en later geretourneerde) bedrag aan de hand van de bij brief van 12 december 2000 overgelegde afschriften van Q/S niet naar hem kon worden getraceerd, aangezien die overmakingen zijn geschied via tussenrekeningen (ten name) van de betrokken banken en de desbetreffende afschriften - die ter zitting zijn overgelegd - geen naam of rekeningnummer van de uiteindelijke opdrachtgever en begunstigde vermelden. De inspecteur heeft deze verklaringen niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het Hof uitgaat van de juistheid ervan. 5.2.
- Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij - gesteld reeds dat de Belastingdienst zou achterhalen dat hij betrokken was bij de afwikkeling van de a-transactie en hij over de herkomst van het naar Q overgemaakte bedrag zou worden ondervraagd - had kunnen zwijgen over zijn Zwitserse bankrekening en dat de Belastingdienst het bestaan van die bankrekening ook niet langs andere weg had kunnen achterhalen vanwege het bankgeheim. De inspecteur heeft deze stellingen niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het Hof die stellingen tot uitgangspunt neemt voor zijn beslissing. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende een desbetreffende vraag naar waarheid had moeten beantwoorden, doet daaraan niet af, te minder nu aan belanghebbende de cautie was verstrekt. 5.2.
- Op grond van hetgeen is vastgesteld en overwogen in 5.2.
- tot en met 5.2.
- komt het Hof tot de slotsom dat ten tijde van de verbetering van de aangiften door belanghebbende de serieuze - dat wil zeggen: reële - mogelijkheid bestond dat zijn Zwitserse bankrekening bij het onderzoek van justitie en de Belastingdienst niet zou worden achterhaald of met hem in verband zou worden gebracht. Hieruit volgt dat belanghebbende ten tijde van de verbetering van de aangiften niet wist dan wel - objectief gezien - redelijkerwijs moest vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid van die aangiften bekend was of bekend zou worden. Gelet op artikel 67n AWR is alsdan voor een verhoging geen plaats. 5.2.
- Uit het overwogene onder 5.2.
- tot en met 5.2.
- volgt dat de verhoging dient te vervallen. De overige stellingen van partijen behoeven geen behandeling.
- Proceskosten Nu belanghebbende (gedeeltelijk) in het gelijk is gesteld, acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van de proceskosten in deze en de tien gelijktijdig behandelde zaken waarin belanghebbende (gedeeltelijk) in het gelijk is gesteld, bepaald op totaal ƒ 7.455 (ƒ 710 x 3,5 voor proceshandelingen x 2 wegens het gewicht van de zaak x 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken), waarvan aan de onderhavige zaak toe te rekenen 1/11 ofwel - afgerond - ƒ 678,
- Bijzondere omstandigheden op grond waarvan een hogere proceskostenvergoeding gerechtvaardigd zou zijn, zijn naar 's Hofs oordeel gesteld noch gebleken.
- Beslissing Het Hof: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak van de inspecteur; - vermindert de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ a, zonder verhoging; - veroordeelt de inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van ƒ 678,00 aan proceskosten en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag moet voldoen; - gelast de Staat het betaalde griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak is vastgesteld op 18 juli 2001 door mrs. Schaap, Faase en Den Boer, in tegenwoordigheid van mr. Van Berkensteijn als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.