GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Enkelvoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren te P, de inspecteur. 1. Loop van het geding 1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 4 augustus 1999, ingediend door A als haar gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 9 juli 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 48.062, met een belastingvrije som ter grootte van ƒ 12.784. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 45.362, met eveneens een belastingvrije som ter grootte van ƒ 12.784. 1.2. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en vermindering van de aanslag tot een waarbij de uitgaven voor levensonderhoud, althans de forfaitaire bedragen, volledig in aftrek worden toegestaan en met indeling in tariefgroep 4. 1.3. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak. 1.4. Ter zitting van 11 juli 2000 zijn verschenen belanghebbende, haar dochter B, C en A, alsmede namens de inspecteur D. De gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt. Van de door gemachtigde overgelegde stukken heeft de inspecteur kunnen kennisnemen en zich erover kunnen uitlaten. 1.5. Na de zitting is de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van de behandeling van een beroep van belanghebbende op toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). 1.6. Van de inspecteur is bij brief van 5 december 2000 en van belanghebbende bij brief van 13 december 2000 een kopie ontvangen van de beslissing van de staatssecretaris van Financiën van 1 december 2000 inzake het beroep van belanghebbende op de toepassing van artikel 63 AWR. 1.7. Bij brief van 19 december 2000 heeft het Hof bij de inspecteur nadere inlichtingen ingewonnen. Deze brief is door de inspecteur beantwoord bij brief van 12 januari 2001. Kopieën van de brieven van de inspecteur van 5 december 2000 en van 12 januari 2001 zijn op 30 januari 2001 aan de gemachtigde toegezonden. Gemachtigde heeft op deze brieven gereageerd bij brief van 23 februari 2001. Een kopie van deze brief is op 13 april 2001 aan de inspecteur toegezonden. Partijen hebben desgevraagd medegedeeld dat zij afzien van een twee-de mondelinge behandeling. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende, geboren 2 april 1945 en ongehuwd, vormt met haar dochter, geboren 2 april 1970, een huishouden. De dochter van belanghebbende (hierna ook: de dochter) is sinds haar vijftiende verslaafd aan drugs en sinds haar twintigste aan alcohol. Zij lijdt voorts aan het HIV-virus. 2.2. Over de dochter schrijft een aidsconsulent verbonden aan het a-ziekenhuis op 8 juni 1999 onder meer het volgende: "B, feb 2/4/70, is sinds januari '97 in ons ziekenhuis bekend. Zij is toen sero + getest en opgenomen met een ernstige longontsteking en tuberculose. Sindsdien komt zij regelmatig met haar moeder op de poli (...). Mevrouw is ernstig verslaafd - heroine, cocaïne, pillen, véél alcohol-, en wordt geheel gekleed, verzorgd, begeleid door haar moeder." 2.3. In een brief van 7 juni 1999, gericht aan de inspecteur, schrijft E, arts drugsafdeling PPP van de gemeentelijke geneeskundige en gezondheidsdienst te Z, onder meer het volgende inzake de dochter: "Psychiatrie Sinds 1980 is cliënte bekend met psychosen en opvliegend/obstinaat gedrag. Ondanks dit 'pantser' is ze kind gebleven dat bemoederd wil worden. Ze heeft dan ook nog een goede relatie met moeder die de grenzen bewaakt en cliënte op allerlei manieren steunt. Medisch Cliënte is de laatste jaren ernstig ziek waarvoor ze frequent naar het ziekenhuis moet voor controles en onderzoek. Omdat cliënte al haar uitkeringsgeld uitgeeft aan drugs en alcohol, en in een slechte lichamelijke en psychische toestand verkeerd, is zij voor zorg en begeleiding afhankelijk van haar moeder." 2.4. De dochter heeft in 1997 een uitkering van de sociale dienst genoten ter grootte van ƒ 20.205. 2.5. In een brief 9 mei 1999 schrijft gemachtigde namens belanghebbende onder meer het volgende: "Navraag bij mevrouw X leerde mij dat haar dochter een bijstandsuitkering (...) geniet. Deze uitkering wordt maandelijks op haar bankrekening gestort (...). Gezien het bovenstaande wil ik u erop attenderen dat de dochter van mevrouw X haar maandelijkse uitkering niet aanwendt voor haar levensonderhoud in de vorm van huisvesting, voedsel, kleding en overige eerste levensbehoeften. Haar inkomen besteedt zij voornamelijk aan harddrugs, alsmede rook- en drankwaren." 2.6. In haar aangifte heeft belanghebbende ter zake van uitgaven ter voorziening in het levensonderhoud van haar dochter een bedrag groot ƒ 4.909 als buitengewone lasten verantwoord. Dit bedrag komt nagenoeg overeen met 10 percent van het door belanghebbende aangegeven onzuiver inkomen. Het aangegeven belastbaar inkomen bedraagt ƒ 43.153. 2.7. In een brief aan de inspecteur van 19 juni 1999 heeft gemachtigde aangegeven dat het voor belanghebbende onmogelijk is om alle uitgaven die zij voor haar dochter verricht, per soort te specificeren. 2.8. Ter zitting is overgelegd een rekening van F, tandarts, ten name van de dochter en gedagtekend 8 april 1997, betreffende onder meer het aanbrengen van gebitsprothesen, tot een totaal bedrag van ƒ 1.513,75. 2.9. Bij het opleggen van de aanslag is het aangegeven belastbaar inkomen verhoogd met ƒ 4.909 en vastgesteld op ƒ 48.062 (= 43.153 + 4.909). Bij uitspraak op bezwaar is bij wijze van tegemoetkoming een forfaitaire aftrek toegestaan van ƒ 2.700 (2 x 1.350), als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 in verbinding met artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a, aanhef en 1°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). 2.10. In een brief aan gemachtigde van 1 december 2000 heeft de staatssecretaris van Financiën het verzoek van belanghebbende om de door de inspecteur niet aftrekbaar geachte buitengewone lasten met toepassing van de hardheidsclausule alsnog in aftrek tot te staan afgewezen. 3. Geschil In geschil is of belanghebbende recht heeft - en zo ja tot welk bedrag - op aftrek van buitengewone lasten ter zake van uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van haar dochter. 4. Standpunten van partijen 4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en naar de pleitnota. 4.2. Ter zitting is hieraan van de zijde van belanghebbende nog het volgende toegevoegd. De werkelijke kosten ten behoeve van mijn dochter zijn hoger dan is vermeld in de aangifte. Het is moeilijk om van de uitgaven bonnen te overleggen. Het betreft bij voorbeeld voedingsmiddelen en benzinekosten. Ik begeleid mijn dochter overal naar toe. Bijvoorbeeld naar de methadon-post. Mijn dochter is altijd bij mij, behalve wanneer ze op haar 'gebruikadres' is, want bij mij mag ze niet gebruiken. Ik ben gemachtigd de bijstandsuitkering voor mijn dochter op te nemen. Die uitkering is in twee à drie dagen op. Ik kies ervoor om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de behandeling van een verzoek om toepassing van de hardheids-clausule. Met de kosten van deze procedure is alleen gedoeld op het griffierecht. 4.3. Ter zitting heeft de inspecteur nog het volgende toegevoegd. De door belanghebbende gestelde uitgaven zijn niet aftrekbaar, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaraan de aftrek van die uitgaven met ingang van 1 januari 1997 dient te voldoen. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Met ingang van 1 januari 1997 is het bewijs dat met betrekking tot uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a en 2°, van de Wet IB 1964 dient te worden geleverd in tweeërlei zin aangescherpt. Vanaf genoemde datum dienen evenbedoelde uitgaven (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.