GERECHTSHOF TE AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER BESCHIKKING van 27 september 2001 in de zaak met rekestnummer 471/2001 OK van: DE DEELNEMERSRAAD VAN DE STICHTING PENSIOENFONDS KEMIRA, gevestigd te Vondelingenplaat, gemeente Rotterdam, VERZOEKER, advocaten en procureurs: mr. A.C.M. Kuypers en mr. C.P.R.M. Dekker, t e g e n HET BESTUUR VAN DE STICHTING PENSIOENFONDS KEMIRA, gevestigd te Vondelingenplaat, gemeente Rotterdam, VERWEERDER, advocaat en procureur: mr. E. Lutjens. 1. Het verloop van het geding 1.1 Bij op 15 mei 2001 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties genummerd 1 tot en met 18 heeft verzoeker (hierna ook de deelnemersraad te noemen) de Ondernemingskamer verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, 1. te bepalen dat het bestuur van het Pensioenfonds bij de afweging van alle belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit zoals meegedeeld en overhandigd aan de deelnemersraad op 21 maart 2001, 2. het bestuur te verplichten om dat besluit geheel of ten dele in te trekken, alsmede om de gevolgen van dat besluit ongedaan te maken, 3. het bestuur te verbieden om handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit of onderdelen van dat besluit, waaronder in het bijzonder de vaststelling van de jaarrekening over het jaar 2000 en 4. het bestuur te veroordelen in de kosten van het geding. 1.2 Bij op 27 juni 2001 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met één productie heeft verweerder (hierna ook het bestuur te noemen) de verzoeken bestreden en de Ondernemingskamer verzocht het verzoek (de Ondernemingskamer verstaat: de verzoeken) af te wijzen. 1.3 De advocaten hebben de standpunten van partijen toegelicht ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 12 juli 2001, mede aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities. De advocaten van de deelnemersraad hebben ter zitting nog een akte "Aanvullende produkties" met producties genummerd 18 tot en met 24 overgelegd. Ook ter zitting hebben zij nog producties overgelegd: een aanvulling op productie 4, alsmede een tweetal brieven, gedateerd 11 en 15 mei 2001, van het bestuur van het pensioenfonds aan de deelnemersraad. De verweerder heeft van al deze stukken kennis kunnen nemen en is in de gelegenheid gesteld erop te reageren. 1.4 De advocaten van de deelnemersraad hebben ter zitting - daarnaar gevraagd door de Ondernemingskamer - hun verzoek aldus verduidelijkt dat zij de Ondernemingskamer - mede - verzoeken het bestuur te gelasten de vastgestelde jaarrekening van het pensioenfonds over het jaar 2000 in de door de deelnemersraad voorgestane zin te wijzigen. De advocaat van het bestuur heeft zich - daarnaar gevraagd door de Ondernemingskamer - niet verzet tegen deze verduidelijking van het verzoek. 1.5 De inhoud van de gedingstukken, waaronder de pleitnotities, wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. 1. De vaststaande feiten 2.1 De Stichting Pensioenfonds Kemira (hierna ook het fonds te noemen) is een ondernemingspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 lid 1 onderdeel c van de Pensioen- en spaarfondsenwet (hierna ook PSW te noemen). 2.2 Blijkens zijn statuten stelt het fonds zich ten doel het toekennen van aanspraken op, onderscheidenlijk het uitkeren van, pensioenen aan werknemers en gewezen werknemers (en hun nabestaanden) van Kemira Agro Rozenburg B.V. en enkele aan haar gelieerde vennootschappen (hierna tezamen ook aan te duiden als Kemira). Deze vennootschappen behoren alle tot het concern van de Finse vennootschap Kemira Oy. 2.3 Ultimo 2000 had het pensioenfonds 274 actieve deelnemers, 181 verzekerden met premievrije rechten (zogenoemde slapers) en 128 pensioengerechtigden. 2.4 Het bestuur van de stichting bestaat uit drie A-bestuurders, benoemd door de directie van Kemira, en drie B-bestuurders, die zijn gekozen door de deelnemers. 2.5 Met ingang van 30 januari 1998 is bij het fonds een deelnemersraad als bedoeld in artikel 3 PSW ingesteld. 2.6 Het balanstotaal van de activa van het fonds beliep volgens de door het bestuur vastgestelde jaarrekening over 2000 aan het einde van dat jaar NLG 179.919.000. De passiefzijde van de balans vertoonde het volgende beeld (alle getallen maal NLG 1000): Reserves Extra reserve 7.767 Reserve stelselwijziging 1.808 Reserve koersverschillen obligaties 7.311 Reserve koersverschillen aandelen 4.935 21.821 Voorziening pensioenverplichtingen 155.345 Overige technische voorzieningen 990 Schulden op korte termijn Rekening-courant werkgevers 1.421 Overige kortlopende schulden 342 1.763 179.919 2.7 Kemira is in Nederland actief sinds 1 januari 1985. Per die datum heeft Esso Chemie B.V. (hierna ook Essochem te noemen) een deel van haar activiteiten verkocht aan Kemira Agro Rozenburg B.V., toen nog Kemira B.V. geheten. Als gevolg hiervan ging een aantal van circa 375 werknemers over van Essochem en de aan die vennootschap verbonden Stichting Pensioenfonds "Protector" over naar Kemira en het onderhavige fonds. 2.8 Bij overeenkomst van 1 januari 1985 - hierna aan te duiden als de financieringsovereenkomst - zijn Kemira en het fonds - in die overeenkomst aangeduid als "de vennootschap" onderscheidenlijk "de stichting" - onder meer het volgende overeengekomen: "Artikel 1 1. Elke werknemer die krachtens het pensioenreglement van de stichting voor opneming als deelnemer in aanmerking komt zal door de vennootschap aan de stichting worden opgegeven. (…) Artikel 2 1. De stichting verplicht zich ten opzichte van de vennootschap alle werknemers die de vennootschap ingevolge het in artikel 1 bepaalde bij de stichting aanmeldt, als deelnemers in de stichting op te nemen en pensioen toe te kennen volgens de regelen en voorwaarden, neergelegd in het pensioenreglement van de stichting. (…) Artikel 3 1. De vennootschap aanvaardt de rechten en verplichtingen welke in de statuten en het pensioenreglement aan haar zijn verleend c.q. opgedragen. (…) Artikel 4 1. De vennootschap verplicht zich jaarlijks tot betaling van een bijdrage aan de stichting en wel als volgt: a. Uiterlijk negen maanden na afloop van elk boekjaar draagt de vennootschap het actuarieel te berekenen tekort bij, dat blijkens de over dat boekjaar opgemaakte rekening van lasten en baten is ontstaan. (…) 2. De vennootschap behoudt zich evenwel het recht voor haar in lid 1 bedoelde bijdrage te verminderen of te beëindigen a. indien nieuwe wettelijke voorzieningen met betrekking tot de verzorging van de oude dag, de weduwen en/of wezen worden ingevoerd of bestaande voorzieningen in bijzondere mate worden gewijzigd; b. indien de vennootschap verplicht wordt toe te treden tot een bedrijfspensioenfonds (…); c. als gevolg van financieel onvermogen; de financiële positie van de vennootschap dient te blijken uit een door de accountant van de vennootschap opgemaakt rapport. (…) Artikel 5 (…) 3. De tussen de stichting en de vennootschap over en weer verschuldigde bedragen worden geboekt op een door de stichting ten name van de vennootschap in haar boeken geopende rekening-courant". 2.9 Het deelnemerschap en de aanspraken van deelnemers, alsmede de financiering, vinden (mede) hun regeling in de "Pensioenregeling van Stichting Pensioenfonds Kemira" (hierna ook het pensioenreglement te noemen). Dit pensioenreglement, dat laatstelijk is gewijzigd op 26 augustus 1999, houdt onder meer het volgende in: "Artikel 16 - Financiering en bijdragen 1. De financiering van de pensioenaanspraken vindt plaats door vorming van een reserve voor de verworven pensioenaanspraken, waarbij aan de deelnemers de over de achterliggende diensttijd verworven pensioenaanspraken, alsof het dienstverband met de werkgever voortijdig zou zijn beëindigd, integraal zouden zijn gehonoreerd. (…) 3. Behoudens het in artikel 12 omschreven aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen financiert de werkgever de pensioenregeling onder aftrek van de in lid 2 bedoelde deelnemersbijdragen. Ten behoeve van de financiering van het aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen wordt jaarlijks door de werkgever 0,8% van de loonsom aan het pensioenfonds afgedragen. 4. Uiterlijk zes maanden na afloop van het boekjaar draagt de werkgever het actuarieel te berekenen tekort bij, dat blijkens de over de jaar opgemaakte rekening van lasten en baten is ontstaan. (…) Artikel 17 - Toeslagen 1. Voor ingegane pensioenen zal een toeslagbeleid worden gevoerd. Elk jaar opnieuw wordt door de directie vastgesteld of op ingegane pensioenen een duurtetoeslag wordt verleend, alsmede de hoogte daarvan. 2. Indien en voorzover de ingegane pensioenen worden verhoogd met een toeslag, zullen op de premievrije pensioenaanspraken op ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen (…) overeenkomstige toeslagen worden verleend (…)" 2.10 In verband met de in 2.7 vermelde overgang van werknemers/deelnemers van Essochem/Protector naar Kemira/het fonds zijn in het pensioenreglement, voor zover hier van belang, de volgende overgangsbepalingen opgenomen: "Artikel 19 - Overgangsbepalingen 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2, worden als deelnemers aangemerkt zij, die per 1 januari 1985 van Stichting Pensioenfonds "Protector" te 's-Gravenhage zijn overgegaan naar Stichting Pensioenfonds Kemira. 2. Voor de in lid 1 bedoelde deelnemers zullen de tot 1 januari 1985 doorlopende jaren, welke door Stichting Pensioenfonds "Protector" (…) bij de pensioenvaststelling als dienstjaren zijn aangemerkt eveneens als dienstjaren in aanmerking worden genomen. Hierbij worden eveneens in aanmerking genomen de bij de in de vorige volzin bedoelde stichting toepasselijke pensioengrondslagen. (…) 4. In aanvulling op artikel 17 zal voor de in lid 1 genoemde deelnemers het beleid worden gevolgd, dat voorheen bij Stichting Pensioenfonds "Protector" gebruikelijk was ten aanzien van de ingegane pensioenen". 2.11 Nadat over de jaren 1993 en 1994 in verband met tegenvallende bedrijfsresultaten geen duurtetoeslagen waren toegekend is bij de deelnemers onrust ontstaan. 2.12 Twee (voormalige) werknemers van Esso Chemie en Kemira, Bastiaanse en Van Etten, hebben het toeslagenbeleid van het pensioenfonds aangevochten in een dagvaardingsprocedure voor de Kantonrechter te Brielle. 2.13 In augustus 1994 heeft H. Uljee, oud-directeur personeelszaken van Esso Nederland B.V. en oud-bestuursvoorzitter van het pensioenfonds "Protector" desgevraagd een "Beschrijving" gegeven van de wijze waarop Esso Nederland B.V. in de praktijk omging met (duurte)toeslagen op ingegane pensioenen in de periode rondom 1985. In deze beschrijving is onder meer het volgende vermeld: "Het gevoerde beleid droeg door de jaren heen een onverplicht karakter. Aan in één jaar gedane toezeggingen kon geen precedentwerking worden ontleend naar volgende jaren. Jaarlijks werd onderzocht in hoeverre een duurtetoeslag in aanmerking diende te worden genomen; de toeslaghoogte werd daarbij afgeleid van de stijging van het geschoonde prijsindexcijfer over de 12-maandsperiode tot december van het voorgaande jaar. Doordat dit indexcijfer ook een richtlijn is bij het vaststellen van de algemene loonronden voor de werkenden, werd bereikt dat de pensioenen zouden stijgen in relatie tot salarisaanpassingen. De directies van de Toegetreden Ondernemingen hebben vervolgens immer besloten de ingegane (…) pensioenen te verhogen zo het onderzoek naar de toeslaghoogte daartoe aanleiding gaf. De voor de duurtetoeslag benodigde koopsom werd door de Toegetreden Ondernemingen met Protector verrekend, waardoor de nieuwe hoogte van betrokken pensioenen "blijvend" was geworden. Sinds 1979 (en voor het laatst in 1984) gold het percentage tot een zeker basispensioenbedrag. Boven dit (ook geïndexeerde) basisbedrag werd de toeslag, voor zover de 1,0% werd overschreden, volgens de zogenaamde "Hofstra-formule" afgetopt. Na 1984 werd deze aftopping niet langer toegepast, doch werd het vastgestelde percentage over het volle pensioenbedrag berekend. Aldus ontstond de volgende reeks (…) 1980 3,7% tot basis (…) (…) 1993 3,0% (…) Conclusie Ondanks het vrijwillige karakter van genoemd beleid zijn voor de Toegetreden Ondernemingen teleurstellende of negatieve bedrijfsresultaten in de periode rondom 1985 nooit aanleiding geweest een toeslag, die om prijsindex redenen wenselijk was, te passeren". 2.14 Nadat de vorderingen van Bastiaanse en Van Etten bij vonnis van 18 februari 1997 waren afgewezen door de Kantonrechter te Brielle heeft de Rechtbank te Rotterdam bij vonnis in hoger beroep van 18 februari 1999 het vonnis van de Kantonrechter ten dele vernietigd en voor recht verklaard "dat het Pensioenfonds verplicht is, overeenkomstig het bij Essochem/Protector gebruikelijke toeslagenbeleid tot en met 1984 (zoals vastgelegd in productie 6 bij akte houdende producties d.d. 16 januari 1996 in eerste aanleg, waarbij het daarin genoemde "geschoonde prijsindexcijfer" dient te worden gelezen als "afgeleide C.P.I. alle huishoudens" en mede inhoudende dat negatieve bedrijfsresultaten in beginsel geen invloed hebben op het verlenen van toeslagen) en de gemaakte afspraken, toeslagen te verlenen op de pensioenaanspraken c.q. de ingegane pensioenen van Bastiaanse en Van Etten". 2.15 Bij zijn vonnis heeft de Rechtbank voorts het fonds veroordeeld tot het toekennen van een toeslag over 1994 van 2,3% op de pensioenaanspraak onderscheidenlijk het ingegane pensioen van Van Etten. 2.16 Het fonds heeft tegen het vonnis van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. 2.17 In de loop van 2000 is de status van het fonds ter discussie komen te staan in verband met het voornemen van de Finse moedermaatschappij om de activiteiten van Kemira grotendeels te beëindigen. Ook de wijze van financiering is onderwerp van discussie geworden. 2.18 Bij de agendastukken voor de overlegvergadering van 20 oktober 2000 heeft het bestuur zijn voorkeur voor een zelfstandig voortbestaan van het fonds nader toegelicht. Daarbij is onder meer het volgende vermeld: "Zijn er ook nadelen van een eigen pensioenfonds te noemen? Naar de mening van het bestuur zijn die er niet. De stelling dat een verzekeraar meer zekerheid zou bieden delen wij niet. Het pensioenfonds heeft ruime eigen reserves die voldoende zekerheid bieden voor een solide uitvoering van de pensioenregeling. Het bestuur streeft ernaar om in samenwerking met de deelnemersraad haar beleid zó te formuleren dat ook in de toekomst de pensioenaanspraken veilig worden gesteld op een zo goedkoop en efficiënt mogelijke manier. In dit kader kan niet onvermeld blijven de lopende rechtszaak tussen het pensioenfonds en twee inmiddels gepensioneerden. Zolang deze zaak nog loopt zal overdracht van de pensioenverplichtingen naar een derde (bijvoorbeeld een verzekeraar) niet mogelijk zijn omdat deze derde geen onzekerheid over mogelijke toekomstige claims zal aanvaarden." 2.19 In een op 5 november 2000 gehouden deelnemersvergadering, waarin een actuaris alsmede de voorzitter van het bestuur als gasten aanwezig waren, heeft laatstgenoemde de deelnemersraad geïnformeerd over ideeën die bij het bestuur leven over de herziening van de financiële opzet van het pensioenfonds. Tijdens deze vergadering werd van de zijde van de deelnemersraad ook de indexeringsproblematiek aan de orde gesteld. Blijkens de notulen vond daaromtrent de volgende gedachtewisseling plaats: "W. van der Voort: Heeft het bestuur van het pensioenfonds de intentie om een financiële voorziening te treffen om de claim af te dekken, indien het Fonds in cassatie door de Hoge Raad in het ongelijk gesteld zou worden? J. van den Bosch: Neen, het bestuur ziet hiertoe geen reden na ingewonnen advies bij prof. dr. E. Lutjens (…) Deze heeft gezegd, dat zelfs bij een veroordeling van het bestuur door de Hoge Raad, het nog maar de vraag is welke bedragen het Fonds aan eisers en gelijkgestelde belanghebbenden zou moeten betalen. Prof. Lutjens is ervan overtuigd dat de schade best mee kan vallen, maar zelfs, zo stelt de heer Van den Bosch, als het maximaal denkbare bedrag (naar schatting 15 miljoen gulden) zou moeten worden betaald, kan het Fonds daarvoor nog altijd de overwaarde op obligaties gebruiken". 2.20 In een "Memo", gedateerd 30 januari 2001 heeft de deelnemersraad, op eigen initiatief, aan het bestuur een "advies inzake voorziening indexatieproces" gegeven. De inhoud van dit memo luidt als volgt: "In de achter ons liggende periode is door of namens de Deelnemersraad meerdere malen aan Uw bestuur gevraagd een voorziening te treffen voor het afdekken van het financiële risico dat het pensioenfonds loopt in het proces inzake de indexatie van de pensioenen. Tot nu toe heeft Uw bestuur hierop, met steeds wisselende argumenten, afwijzend gereageerd. Nu wij aan de vooravond staan van wellicht zeer ingrijpende wijzigingen in de opzet van het fonds, acht de Deelnemersraad het niet langer verantwoord deze situatie te laten voortbestaan. Voor een financieel gezonde opzet van het fonds in de toekomst acht de Raad de bedoelde voorziening absoluut noodzakelijk. De Raad adviseert u derhalve de voorziening in het Jaarverslag 2000 aan te brengen. De Deelnemersraad vindt de voorziening dermate belangrijk dat hij een afwijzing van dit advies niet zal accepteren. Een antwoord ziet de Raad met belangstelling tegemoet." 2.21 In een rapport van 2 maart 2001 hebben actuarissen van Heijnis en Koelman B.V. (hierna ook Heijnis en Koelman te noemen) hun bevindingen vastgelegd ter zake van een door hen op verzoek van de deelnemersraad gemaakte analyse van de financiële positie van het pensioenfonds. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld: "De belangrijkste oorzaak welke tot deze adviesaanvraag aanleiding was is de voorgestelde wijziging van de financiële structuur van het fonds en in het verlengde hiervan de discussies omtrent de indexatietoezegging en de financiële positie. (…) 1. Onze visie op de huidige financiële positie (…) Voor de beoordeling van de huidige financiële positie is het van belang om een oordeel te kunnen geven over de grondslagen van het fonds. In deze paragraaf zullen wij afzien van eventuele claims die voortvloeien uit de door u aangekaarte indexatieproblematiek. (…) Uitgangspunt bij de jaarlijkse beoordeling is dat de financiële positie zodanig is dat het fonds met een grote mate van waarschijnlijkheid aan de opgebouwde verplichtingen kan voldoen in een situatie van afwikkeling, dus bij het wegvallen van de sponsor. (…) 1.1 Toereikendheid voorziening De voorziening beoordelen wij in het algemeen door de grondslagen waarop deze is berekend te beoordelen op prudentie (…) (…) Bij een doorsnee pensioenfonds wordt in het algemeen een rekenrente gehanteerd van 4%. Het gaat hierbij om pensioenfondsen welke een toezegging uitvoeren welke valt te karakteriseren als een toezegging met een zogenaamde voorwaardelijke indexatie. De voorziening voldoet op dit punt aan de berekeningswijze. (…) De voorziening zal (…) ons inziens moeten worden verhoogd met een hogere kostenopslag, omrekening voor iets zwaardere sterftetafels en een jaarlijkse toevoeging aan de voorziening pensioenverplichtingen inzake het langlevenrisico. Hiernaast zijn van belang de overige uitgangspunten welke ten grondslag liggen aan de berekening van de prognose. In grote lijnen kunnen wij ons vinden in de veronderstellingen ten aanzien van looninflatie (3.5%), prijsinflatie/indexatie (2%) en verwacht rendement (5.5%). Wij merken hierbij op dat er geen rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van toekomstige hogere indexatie, als gevolg van de claim. (…) 3. Beoordeling van de huidige financiële positie in relatie tot de indexatieproblematiek. Wij hebben op dit moment niet voldoende gegevens voorhanden om een exacte inschatting van de hoogte van de te geven indexatie uit het verleden te kunnen maken. Hiervoor zal ook van belang zijn wat de uiteindelijke juridische uitspraak zal zijn. Wij maken hierover (…) de volgende opmerkingen. 1. Ten aanzien van de indexatieverplichting kunnen wij geen exacte inschatting maken. Hiervoor zou een doorrekening van de voorziening noodzakelijk zijn. Dit ligt meer op de weg van de actuaris van het fonds. 2. Voor de toekomstige indexatieverplichting zal in ieder geval een beleggingsbeleid noodzakelijk zijn dat ligt boven een strategische mix met 10% in aandelen. Wij denken dat hiervoor het aandeel zakelijke waarden in de beleggingsmix ongeveer 40% zou moeten bedragen. Om dit te bewerkstelligen zou het noodzakelijke weerstandsvermogen toenemen met ongeveer 18 miljoen gulden. Hieraan moet dan nog worden toegevoegd de toename van de voorziening pensioenverplichtingen als gevolg van te weinig gegeven indexatie in het verleden. 3. Onze conclusie is dat de middelen ontoereikend zullen zijn om een dergelijke claim uit eigen middelen te financieren. Indien het verloop van de rechtszaak zodanig is dat het fonds een hogere indexatie moet toepassen (zowel over het verleden als over de toekomst) zal op dat moment het fonds moeten kunnen terugvallen op de onderneming. Op het moment dat het fonds de banden met de onderneming heeft doorgesneden valt deze financieringsbron mogelijkerwijs weg. 4. Opmerkingen inzake de nieuwe structuur en alternatieven (…) De financieringsovereenkomst staat in artikel 8a en 8c kortingen voor de onderneming toe. Gezien de hele opzet kunnen wij de logica hier niet van inzien. Van belang is dat in de huidige situatie de bepaling is opgenomen dat wanneer de extra reserve boven een bepaalde grens komt het meerdere wordt gerestitueerd. Andersom zal de onderneming in de huidige situatie bij een negatieve extra reserve moeten bijstorten. (…) Van belang is (…) dat op het moment dat de onderneming deze band doorsnijdt alle risico's voor het fonds zijn afgedekt middels voorzieningen. Dit betekent onder meer dat de voorziening op een toereikend niveau zal moeten liggen en dat er een voldoende weerstandsvermogen aanwezig moet zijn om een zekere mate van indexatie te kunnen garanderen. Hiernaast zal een claim op toekomstige verhoogde indexatie alsmede inhaalindexatie uit het verleden volledig moeten kunnen worden gehonoreerd". 2.22 Bij brief van 21 maart 2001 heeft het bestuur meegedeeld geen gehoor te zullen geven aan het in 2.20 vermelde advies. 2.23 Bij brief van 17 april 2001 heeft het bestuur een (herzien) concept van het jaarverslag 2000 van het pensioenfonds alsmede een (herzien) conceptverslag van de actuaris toegezonden aan de deelnemersraad ter voorbereiding op een gezamenlijke vergadering van bestuur en deelnemersraad, te houden op 26 april 2001. 2.24 Blijkens het herziene concept-jaarverslag heeft de directie van Kemira Agro Rozenburg B.V. besloten de ingegane pensioenen en de premievrije rechten met ingang van 1 april 2000 met 1,5% en met ingang van 1 april 2001 met 1,7% te verhogen. 2.25 Onder het hoofdje "Ontwikkelingen binnen het pensioenfonds" is in het herziene concept-jaarverslag onder meer het volgende opgenomen: "Reorganisatie bij Kemira Agro Rozenburg B.V. Ten gevolge van de reorganisatie bij Kemira Agro Rozenburg B.V. zullen de activiteiten grotendeels worden beëindigd. Dit heeft voor het pensioenfonds als gevolg dat het aantal actieve deelnemers zal afnemen. Gezien deze ontwikkeling heeft het bestuur gemeend om een in 2000 geplande Asset & Liability studie uit te stellen tot het moment dat het fonds in een meer stabiele situatie komt te verkeren en er een betere langere termijn voorspelling te maken is van de toekomstige kasstromen in het fonds. De gewijzigde verhouding tussen actieve deelnemers en niet-actieve deelnemers is voor het bestuur aanleiding geweest om te onderzoeken of er betere alternatieven zijn voor een goede uitvoering en dekking van de pensioenregeling. Het bestuur is, na advies te hebben ingewonnen bij de actuaris van het fonds, tot de conclusie gekomen dat het pensioenfonds ook in de ontstane situatie nog steeds de beste uitvoerder is voor de pensioenregeling. Hierbij zijn het toekomstig financieel draagvlak van het pensioenfonds en het zeker stellen van de pensioenverplichtingen jegens de deelnemers en de service naar de deelnemers toe van doorslaggevende betekenis geweest. Aanpassing financieringsovereenkomst (…) De wijziging per 1 januari 1998 van de waarderingsgrondslagen voor de beleggingen en voor de vaststelling van het resultaat van het pensioenfonds, is voor het bestuur aanleiding geweest om een studie te laten uitvoeren naar de wijziging van de huidige financieringsovereenkomst tussen het fonds en de aangesloten ondernemingen. Hierbij zal rekening worden gehouden met door beide partijen gewenste wijzigingen in verband met de ontwikkelingen bij Kemira Agro Rozenburg B.V. (…) Het bestuur zal de nieuwe financieringsovereenkomst (…) in de loop van 2001 voor advies aan de deelnemersraad voorleggen". 2.26 In de toelichting op de balans is onder het hoofdje "Grondslagen van waardering en resultaatbepaling" onder meer het volgende opgenomen: "Vanaf 1 januari 1998 is Stichting Pensioenfonds Kemira overeenkomstig Titel 9 Boek 2 Burgerlijk Wetboek onderworpen aan de richtlijnen voor de jaarverslaggeving. Het Bestuur heeft in 1998 besloten om de aanbeveling in de Richtlijn Pensioenfondsen te volgen en de beleggingen te waarderen tegen actuele waarde. Belangrijkste consequentie hiervan is dat in tegenstelling tot voorgaande jaren obligaties op beurswaarde worden gewaardeerd, zoals reeds bij aandelen het geval was. Gerealiseerde en ongerealiseerde koersverschillen op zowel aandelen als obligaties worden in de staat van baten en lasten verantwoord. Verder heeft het Bestuur besloten per 1 januari 1998 naast de reeds bestaande reserve koersverschillen (op aandelen) een reserve koersverschillen obligaties te vormen, welke vanuit de bestemming van het saldo baten en lasten gemuteerd wordt. In de staat van baten en lasten begrepen gerealiseerde en ongerealiseerde koersverschillen op obligaties worden hierbij toegevoegd c.q. onttrokken aan de reserve koersverschillen op obligaties. De in de staat van baten en lasten begrepen koersverschillen op aandelen worden op overeenkomstige wijze toegevoegd c.q. onttrokken aan de reserve koersverschillen aandelen. Extra reserve In samenhang met de tot en met 1997 gehanteerde waarderingsgrondslagen werd, overeenkomstig het reglement, de extra reserve gehandhaafd op 5% van de voorziening pensioenverplichtingen en kwam een eventueel overschot in mindering op de door de werkgevers verschuldigde bijdragen. Het Bestuur heeft in overleg met werkgevers besloten de wijze van deze verrekening voor de jaren 1998, 1999 en 2000 op basis van de tot en met 1997 toegepaste systematiek te continueren. Zodoende is er geen effect van de stelselwijziging op de verrekening met werkgevers zolang de financieringsovereenkomsten hierop nog niet aangepast zijn. Reserve stelselwijziging Doordat met de werkgevers ultimo 1998, 1999 en 2000 op basis van de oude grondslagen wordt afgerekend, resteert er bij de bestemming van het saldo over deze jaren nog een bedrag van totaal f 1.808.000. In afwachting van een nog te realiseren aanpassing van de financieringsovereenkomst met de werkgevers is dit bedrag gereserveerd in een aparte reserve stelselwijziging". 2.27 In de toelichting op de balans is onder het kopje "Rechtsgedingen" het volgende opgenomen: "Op 18 februari 1999 is door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam vonnis gewezen in een zaak die door twee gewezen deelnemers aanhangig was gemaakt tegen het Pensioenfonds. In dit vonnis is het Pensioenfonds verplicht om, overeenkomstig een voor deze twee gewezen deelnemers van toepassing zijnde oude pensioenregeling gebruikelijke toeslagenbeleid tot en met 1984, toeslagen te verlenen op de pensioenaanspraken c.q. de ingegane pensioenen van twee deelnemers. Het Pensioenfonds is van mening dat deze uitspraak op goede gronden bestreden kan worden en heeft derhalve cassatie ingesteld. Ten tijde van het opmaken van de jaarrekening is het nog niet duidelijk in hoeverre de uitspraak financiële gevolgen heeft voor het Pensioenfonds welke in de jaarrekening verwerkt zouden moeten worden. Gezien deze onzekerheid is in de jaarrekening geen voorziening opgenomen. Overigens bedraagt het maximale risico circa f 3,5 miljoen". 2.28 Bij brief van 21 maart 2001 heeft het bestuur aan de deelnemersraad meegedeeld dat het kennis heeft genomen van het advies dat de deelnemersraad op 30 januari 2001 ongevraagd heeft uitgebracht omtrent een mogelijke voorziening in het kader van de rechtszaak in verband met de indexatie van de ingegane pensioenen en premievrije rechten. In deze brief heeft het bestuur verder meegedeeld, voor zover hier van belang: "Het bestuur heeft een advies tot het treffen van een voorziening tot nu toe niet gevolgd. Het is onvoldoende zeker dat er verplichtingen bestaan in het kader waarvan de voorziening wordt bepleit en welke omvang deze verplichtingen zullen hebben. Indien de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven zal het bestuur uiteraard opnieuw bezien of de hoogte van de in het fonds aanwezige voorzieningen en reserves van dien aard zijn dat het vormen van een aanvullende voorziening is gewenst. De belangrijkste overwegingen om thans geen aanvullende voorziening te vormen zijn: - de uitspraak van de Rechtbank te Rotterdam heeft slechts betrekking op twee individuele personen. - indien de verplichting waaraan het fonds in de zaak van Etten/Bastiaanse door de Rechtbank is gehouden, voor alle slapers en gepensioneerden zou gelden zou er volgens de actuaris sprake zijn van een extra benodigde voorziening van ten hoogste MNLG 3.5. Dit bedrag is voldoende gedekt door de beschikbare reserves uit het fonds. - er is naar de mening van het bestuur en haar adviseurs uit de uitspraak van de Rechtbank te Rotterdam niet een onvoorwaardelijke indexatieverplichting af te leiden." 2.29 Op 30 maart 2001 heeft Watson Wyatt Brans & Co het actuariële verslag over het boekjaar 2000 van het pensioenfonds uitgebracht. In dit verslag is onder meer het volgende vermeld: "Toegepaste actuariële grondslagen (…) intrest: 4% per jaar (…) Rekenrente De voor de vaststelling van de VPV [lees: voorziening pensioenverplichtingen - Ondernemingskamer] te hanteren rekenrente is afhankelijk van het indexatiebeleid en de te verwachten opbrengsten op de beleggingen (…) Gezien het huidige voorwaardelijke indexatiebeleid, waarbij de toeslagen afhankelijk zijn van het behaalde fondsrendement, achten wij een rekenrente van 4% als saldo van het verwachte rendement en indexatie voldoende veilig." 2.30 Bij het concept-rapport van Watson Wyatt Brans & Co is (in concept) de volgende actuariële verklaring gevoegd: "Ondergetekende verklaart de op de balans van de Stichting Pensioenfonds Kemira per 31 december 2000 opgenomen Voorziening Pensioenverplichtingen te hebben gecontroleerd en aldus te hebben vastgesteld: - Voorziening Pensioenverplichtingen ƒ 155.344.965,- Geconstateerd is, dat deze voorziening is berekend op basis van administratieve grondgegevens, waarmee de accountant van de Stichting zich heeft verenigd, en tevens op basis van de door ons aanvaarde actuariële grondslagen en methoden. Op basis van de uitgangspunten zoals vastgelegd in de Actuariële Principes voor Pensioenfondsen is een toereikendheidstoets uitgevoerd. Op basis van deze toereikendheidstoets achten wij het vermogen van de Stichting Pensioenfonds Kemira per 31 december 2000 voldoende om ingeval van beëindiging van premiebetaling aan alle verplichtingen te kunnen voldoen". 2.31 Bij brief van 17 april 2001 (waarvan alleen een concept tot de gedingstukken behoort; productie 13 bij het verzoekschrift) heeft de deelnemersraad het bestuur verzocht om het in 2.28 vermelde standpunt alsnog te wijzigen en de discussie over de vorming van een voorziening uit hoofde van indexatieverplichtingen verder te voeren in het kader van de besprekingen over de reorganisatie van het pensioenfonds. Het bestuur werd verzocht binnen één week te reageren. Daarbij is nog het volgende meegedeeld: "Indien de deelnemersraad binnen de hiervoor gestelde termijn géén reactie heeft ontvangen, ziet de deelnemersraad geen andere mogelijkheid dan beroep in te stellen bij de Ondernemingskamer teneinde:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.