GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P, de inspecteur.
(1999)de peildatum is voor de vaststelling van het inkomen, zie ook 3d, derde lid, van de Wet. Voorts bepaalt artikel 4, vijfde lid, van de Regeling -in samenhang met artikel 2, derde lid tot en met zesde lid van de Regeling (tot 31 augustus 2000: tweede tot en met vijfde lid)- dat indien over enig jaar: - het inkomen nog niet definitief is vastgesteld, het voorlopig vastgestelde inkomen in aanmerking wordt genomen; - het inkomen nog niet voorlopig is vastgesteld, het inkomen volgens de aangifte van dat jaar in aanmerking wordt genomen; - nog geen aangifte is gedaan, het laatste door de belastingplichtige aan de inspecteur opgegeven geschatte inkomen voor dat jaar in aanmerking wordt genomen; - door de belastingplichtige geen schatting aan de inspecteur is opgegeven, voor dat jaar het door de inspecteur te schatten inkomen in aanmerking wordt genomen. Het Hof leidt hieruit af dat de regelgever heeft gekozen voor een inkomenstoets die zo mogelijk is gebaseerd op door de inspecteur definitief dan wel voorlopig vastgestelde inkomens en dat bij gebrek aan een dergelijke vaststelling het door belanghebbende aangegeven respectievelijk geschatte inkomen in aanmerking wordt genomen. Pas als al deze mogelijkheden ontbreken, is een schatting van het inkomen door de inspecteur maatgevend. 5.
- Vaststaat dat belanghebbende per 3 juli 1998 zelfstandige in de zin van de Wet werd en daarna is gebleven. Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling bepaalt dan dat voor het beoordelen van de ziekenfondsverzekeringsplicht voor het jaar 2000 in aanmerking wordt genomen het inkomen over
- De Regeling koppelt aldus de verzekeringsplicht aan de inkomenshoogte van slechts één toetsjaar. Het Hof is van oordeel dat door een zodanige koppeling onvoldoende recht wordt gedaan aan het door de wetgever voor artikel 3d van de Wet geformuleerde uitgangspunt dat voorkomen moet worden dat een zelfstandige zich regelmatig op een andere wijze tegen ziektekosten zou moeten verzekeren. De in de Regeling neergelegde maatstaf van slechts één toetsjaar is, naar het oordeel van het Hof, in zodanige mate onderhevig aan toevallige omstandigheden en keuzes die de ondernemer binnen de wettelijke mogelijkheden kan maken, dat de hantering van die maatstaf in tal van gevallen - zoals in het onderwerpelijke geval - tot een uitkomst leidt die niet overeenkomt met de door de wetgever voor ogen genomen toetsing aan een meer duurzaam inkomensperspectief. Dat geldt te meer, indien een zelfstandige in de loop van het jaar 1998 is gestart en zijn winst uit onderneming slechts in een gedeelte van het jaar werd gegenereerd, zoals in het onderhavige geval in ongeveer een half jaar. Het inkomen in het startjaar zal zeker in zo'n geval weinig bijdragen aan het zicht op het duurzame inkomen. Het valt voorts niet in te zien waarom voor belanghebbende als een in 1998 gestarte zelfstandige, anders dan voor andere ondernemers, geen betekenis kan worden toegekend aan het voorlopig vastgestelde inkomen over 1999, dan wel het voorlopig over dat jaar aangegeven inkomen. Het Hof begrijpt belanghebbende aldus dat als de inspecteur op de peildatum van 1 oktober 1999 daarmee rekening had gehouden, zijn gemiddeld inkomen boven de ziekenfondsgrens had gelegen. Het in de Regeling opgenomen systeem beperkt zonder duidelijke grond de kennelijk voor andere dan startende ondernemers wel benutte mogelijkheden van het in aanmerking nemen van voorlopig vastgestelde of voorlopig aangegeven inkomens, terwijl die mogelijkheid ook voor de in 1998 gestarte ondernemers zou kunnen worden benut om tot een deugdelijker vaststelling van het duurzame inkomen te komen. Weliswaar staat op de peildatum van 1 oktober 1999 het inkomen over het lopende jaar nog niet definitief vast en het inkomen over 1998 in de regel wel, zodat het laatste gegeven voor de inspecteur meer betrouwbaar is dan het eerste, maar dat is onvoldoende grond voor de regelgever om dan maar alleen het inkomen in een startjaar in aanmerking te nemen, zeker wanneer de onderneming in de loop van dat jaar is gestart, en de wel beschikbare, voorlopige inkomensgegevens over een later jaar te negeren, terwijl laatstbedoelde informatie in een ander verband wel (mede) beslissend is voor de vaststelling van het inkomen in de zin van de Ziekenfondswet. Het vorenstaande voert tot het oordeel dat de Regeling met betrekking tot het in aanmerking te nemen tijdvak en inkomen een zodanig gebrekkige uitwerking bevat van de Wet dat die Regeling voor gevallen als het onderwerpelijke buiten toepassing moet worden gelaten. Het gaat de taak van de rechter te buiten om in de plaats van de hiervoor buiten toepassing gestelde regeling een andere maatstaf te stellen. Maar gelet op het vastgestelde belastbare inkomen van belanghebbende over 1998 en zijn geschatte belastbare inkomen over 1999 was het perspectief van belanghebbende op de peildatum van 1 oktober 1999 dat zijn gemiddeld belastbare inkomen duurzaam boven de ziekenfondsgrens van ƒ 41.200 lag en kon hij zich niet rekenen tot de doelgroep van de Wet. Hoe ook deze Wet voor startende zelfstandigen nader wordt uitgewerkt in de Regeling, belanghebbende behoort, gezien zijn inkomen, niet tot de verplicht verzekerden. Belanghebbende kan niet in de aanslagregeling premie Ziekenfondswet worden betrokken. De aanslag moet worden vernietigd.
- Proceskosten Nu belanghebbende in het gelijk wordt gesteld, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 1 (punt voor het beroepschrift) x € 322 (waarde per punt) x 2 (wegingsfactor) = €
- Beslissing Het Hof: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de voorlopige aanslag in de premie Ziekenfondswet voor het jaar 2001; - verklaart het beroep voor het overige gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vernietigt de voorlopige aanslag in de premie Ziekenfondswet voor het jaar 2000; - gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 27,23 (ƒ 60) aan belanghebbende te vergoeden, en - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 644 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen. De uitspraak is gedaan op 28 augustus 2002 door mrs. Van Ballegooijen, Den Boer en Faase, in aanwezigheid van mr. Koning als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Bij ontstentenis van de voorzitter is de uitspraak door de oudste raadsheer ondertekend. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Cassatie Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.