GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Eerste Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van de besloten vennootschap X. te Z, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.
(1997)niet de intentie had deze gelden aan belanghebbende terug te betalen en dat belanghebbende zich niet om die terugbetaling heeft bekommerd. De omstandigheid dat belanghebbende de rekening-courantvordering bij de aanvulling op de aangifte heeft verlaagd, doet veeleer vermoeden dat het nooit in de bedoeling van belanghebbende heeft gelegen dat K de aan hem verstrekte gelden zou terugbetalen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende dit vermoeden niet weerlegd. De enkele verwijzing naar een compromisvoorstel dat ruim drie jaar na de geldverstrekking is gedaan, is hiertoe onvoldoende. Gelet op het vorenvermelde, en gelet ook op de omvang van het vorengenoemde bedrag komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende zich dat bedrag van ¦ 2.159.640 liet ontgaan ten gunste van K in zijn hoedanigheid van aandeelhouder en dat K zich ervan bewust was, althans, gezien ook zijn positie als enig aandeelhouder en directeur van belanghebbende, zich er redelijkerwijs bewust van had moeten zijn, dat belanghebbende hem als zodanig heeft willen bevoordelen. Uitgaande hiervan oordeelt het Hof dat het bedrag van ¦ 2.159.640 als een uitdeling van winst dient te worden bestempeld. In zoverre is het gelijk aan de inspecteur. Dit leidt ertoe dat voormeld bedrag niet in de rekening-courantvordering van belanghebbende op K behoort te worden opgenomen en dat de berekende rekening-courantrente hierover, ad ¦ 48.237, niet ten bate van de winst van belanghebbende dient te komen. 5.
- Verlies van na 7 augustus 1997 5.2.
- De inspecteur stelt zich met betrekking tot de verliezen, geleden op de beleggingen van na 7 augustus 1997 (ten bedrage van ¦ 362.675), welke zijn gedaan vanaf de effectenrekening van belanghebbende zelve, op het standpunt dat deze eveneens niet ten laste van de winst van belanghebbende behoren te komen en dat dit geldbedrag in zoverre eveneens aan het vermogen van belanghebbende is onttrokken. Gelet op de eerdere verliesgevende transacties acht de inspecteur het zakelijk belang van de op de effectenrekening van belanghebbende gecontinueerde beleggingen verwaarloosbaar. Hij stelt dat sprake is van een zodanige wanverhouding tussen de uitgaven en het nut voor de onderneming, dat geen redelijk denkend ondernemer kan volhouden dat de beleggingsactiviteiten met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming zijn ontplooid. Met de beleggingen is volgens de inspecteur slechts het particuliere belang van K gediend. Belanghebbende stelt dat zij in korte tijd een aanzienlijk vermogen (ongeveer ¦ 4.500.000, te weten 20% van de totale investering) wilde genereren voor haar plan om M in Nederland op te zetten en dat zij voor dat doel genoodzaakt was om risicovol te gaan beleggen. De uitgaven dragen volgens belanghebbende een zakelijk karakter en zijn gedaan in het belang van de onderneming, ten gevolge waarvan het verlies ten laste van de winst behoort te komen. 5.2.
- Naar het oordeel van het Hof dient in beginsel ervan te worden uitgegaan, gelet ook op hetgeen belanghebbende hieromtrent heeft gesteld, dat de beleggingen op zichzelf beschouwd op zakelijke gronden zijn gedaan. Dat de in geschil zijnde beleggingen uitsluitend zijn gedaan om het particuliere belang van de directeur en enig aandeelhouder, K, te dienen is door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt. Het Hof kan de inspecteur niet volgen in zijn opvatting dat sprake is van een zodanige wanverhouding tussen de uitgaven en het nut voor de onderneming dat geen redelijk denkend ondernemer kan volhouden dat de uitgaven met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming zijn gedaan. Dat de eerdere beleggingen verliesgevend bleken te zijn, doet niet af aan de verwachting van belanghebbende, beoordeeld naar het moment waarop de transacties die zijn uitgevoerd na 7 augustus 1997 werden aangegaan, dat hoge rendementen zouden kunnen worden behaald. Dat het onderhavige type beleggingen riskant is houdt nog niet in dat de keuze voor zulke beleggingen niet op zakelijke gronden kan zijn gedaan. Voor de stelling dat dit niet het geval is geweest, heeft de inspecteur onvoldoende gronden aangevoerd. Het geleden verlies op de beleggingen na 7 augustus 1997, ten bedrage van ¦ 362.675, kan mitsdien ten laste van de winst van belanghebbende komen. In zoverre is het gelijk aan belanghebbende. 5.
- Nu de inspecteur in zijn weergegeven berekening van de belastbare winst volgens de aanslag, als vermeld onder 2.6, ten onrechte de berekende rente over de rekening-courantvordering ad ¦ 48.237 heeft bijgeteld en bovendien, anders dan het Hof heeft geoordeeld, het beleggingsverlies van ¦ 362.675 niet ten laste van de winst van belanghebbende heeft gebracht, dient de aanslag te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ¦ 396.
- Proceskosten Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag als volgt vastgesteld: 2 (voor het opstellen van een beroepschrift plus het verschijnen ter zitting) x € 322 x 1,5 (vanwege het gewicht van het geschil) = €
- Beslissing Het Hof - verklaart het beroep ten dele gegrond - vernietigt de uitspraak van de inspecteur - vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ¦ 396.569 - gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 204,20 (=¦ 450) aan belanghebbende te vergoeden, en - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 966 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen. De uitspraak is gedaan op 29 november 2002 door mrs. Van der Ouderaa, voorzitter, Kostense en Kooijman, leden, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a) de naam en het adres van de indiener; b) de dagtekening; c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d) de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van het beroep ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.