GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Douanekamer Uitspraak In de zaak nr. 98/90114 DK de dato 29 augustus 2002
(97)402, waarin is gesteld dat een systeem moet worden gevonden om importeurs in kennis te stellen van gegronde twijfel omtrent de oorsprong van goederen. De Europese Commissie heeft aldus erkend dat er in deze een lacune in haar handelen is geweest. Er is niet voldaan aan de op grond van artikel 211 van het EG-Verdrag en de beginselen van behoorlijk bestuur aan de Commissie gestelde verplichting om een juiste toepassing van het APS-stelsel te verzekeren. Verwezen wordt naar het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 19 februari 1998, zaak T-42/96, Jur. HvJ 1998 II, p. 401 e.v., en met name de overwegingen 133, 176 en 179 daarvan. Door het falen van de autoriteiten in Laos, van de Commissie en van de Nederlandse autoriteiten is het vertrouwens- en rechtszekerheidbeginsel, dat deel uitmaakt van de communautaire rechtsorde, geschonden. 4.
- Indien aan de derogatieverordening, Verordening (EG) nr. 1713/97 van de Commissie van 3 september 1997 (Pb EG 1997, L 242), een terugwerkende kracht langer dan tot 1 augustus 1997 was toegekend, zouden aan de goederen wel de oorsprong Laos zijn toegekend. De Commissie is ook in zoverre nalatig geweest. 4.
- Ten onrechte is alleen belanghebbende als schuldenaar aangesproken. C.C.I. diende als degene die de opstelling van de aangiften ten invoer benodigde gegevens heeft geleverd, terwijl ze van de onjuistheid daarvan op de hoogte was, eveneens als schuldenaar in de zin van artikel 201, derde lid, van het CDW te worden aangesproken. Deze nalatigheid is in strijd met de beginselen van artikel 10 EG-Verdrag en met het rechtszekerheidsbeginsel. 4.
- De Commissie heeft door de navorderingen tevens de bepalingen van artikel 27, sub a en d, EG-Verdrag overtreden. Door haar handelwijze wordt de handel tussen Laos en de Gemeenschap niet bevorderd; het economisch leven wordt ernstig verstoord. Bovendien staat het navorderen door de nationale douane autoriteiten haaks op de tweeledige doelstelling van de mededeling van de Commissie dat de schuld van de onregelmatigheden niet teveel op één bepaalde actor wordt gelegd, en dat de handhaving van het handelsbeleid van de Gemeenschap op evenwichtige wijze wordt toegepast teneinde de ontwikkeling van de partnerlanden, en met name de minst ontwikkelde landen, te bereiken. 4.
- Op grond van de artikelen 3:2 en 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht is de inspecteur verplicht te onderzoeken of de EG-missie zorgvuldig heeft gehandeld. Van een dergelijk onderzoek door de inspecteur in deze is niet gebleken, reeds daarom moet de uitnodiging tot betaling worden vernietigd. Verwezen wordt naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 24 juni 1998, nr. 95/0554/060/1013, UTC 1999/17*. 4.
- De vaststellingen door de inspecteur in punt 3.
- van het vertoogschrift zijn niet af te leiden uit het overgelegde rapport van de EG-missie. Indien die vaststellingen zijn gebaseerd op andere informatie, wordt verzocht die informatie door de inspecteur te doen overleggen. 4.
- Uit de verificatiebescheiden van de onderhavige goederen blijkt dat bij de invoer geen preferentie is toegekend, en dat er dus sprake is van een dubbele heffing van douanerechten. De navorderingen hadden niet mogen worden opgelegd. 4.
- Subsidiair heeft belanghebbende de Tariefcommissie verzocht omtrent de door haar ingenomen standpunten sub 4.
- tot met 4.
- prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
- Het standpunt van de inspecteur 5.
- In het APS-stelsel speelt de verklaring van de exporteur bij de afgifte van het certificaat een sleutelrol. Om het oorsprongscertificaat te verkrijgen doet hij een verzoek aan de autoriteiten van het land van uitvoer om het certificaat te viseren. Hij verstrekt daarbij de gegevens waaruit moet blijken dat de goederen voldoen aan de criteria voor het verkrijgen van de oorsprong van het preferentiële land. De autoriteiten zijn bevoegd, maar niet verplicht om, zowel voorafgaand aan het afgeven van het certificaat als achteraf, een controleonderzoek te doen. Controles achteraf kunnen door de autoriteiten van het land van uitvoer, maar ook door de Europese Commissie worden verricht. In de toezichtstructuur van het APS heeft de Europese Commissie echter geen bijzondere controleplicht of een bijzondere toezichthoudende functie. 5.
- De Laotiaanse autoriteiten hebben, na het in samenwerking met hen door de EG-missie ingestelde onderzoek, bevestigd dat: · alle gebruikte grondstoffen en accessoires uit andere landen in Azië zijn ingevoerd; · deze goederen niet door de exporteurs waren ingekocht, maar door de ontbieders ter beschikking gesteld; · alleen kosten van be- of verwerking aan de opdrachtgevers in rekening zijn gebracht. Geconcludeerd is dat alle in de periode eind 1992 - medio 1995 geviseerde certificaten, derhalve ook de certificaten die niet zijn onderzocht en die niet worden genoemd in de bijlagen van het sub 2.
- vermelde rapport, ten onrechte zijn afgegeven. 5.
- Omdat belanghebbende bij de sub 2.
- vermelde aangiften ten invoer 2 en 3 certificaten, Form A, heeft overgelegd met de nummers … en …, en deze nummers op de bij het rapport behorende lijst C voorkomen, is de inspecteur tot boeking achteraf overgegaan van de bedragen aan douanerechten. Wat de overige sub 2.
- genoemde aangiften ten invoer betreft, is de inspecteur tot boeking achteraf overgegaan, omdat G. tegenover de onderzoeksmissie heeft verklaard nimmer textielproducten te hebben vervaardigd die aan de oorsprongscriteria voldeden. 5.
- In 1994, begin 1995 bestond slechts in beperkte kring twijfel omtrent de geldigheid van certificaten uit Laos. Eerst in maart 1995 was er zoveel onduidelijkheid dat besloten werd een onderzoekscommissie in te stellen. De lidstaten zijn op 13 december 1995 van de bevindingen van de EG-missie op de hoogte gesteld. De Nederlandse autoriteiten waren ten tijde van het aanvaarden van de aangiften er niet van op de hoogte dat in Laos nagenoeg geen weef- of breiïndustrie is. De certificaten zijn aanvaard in de veronderstelling dat zij op juiste gronden waren afgegeven. De aangifte van 24 januari 1996 is niet zonder meer aanvaard; het certificaat is door tussenkomst van de Noorse douane ter controle naar Laos gezonden. Op dit verzoek is niet binnen de gestelde termijn gereageerd, zodat het preferentiële tarief is geweigerd. Belanghebbende is bij de aangifte op deze mogelijke consequentie gewezen; derhalve is bij haar geen vertrouwen gewekt. 5.4.
- De Laotiaanse autoriteiten hebben de certificaten geldig gemaakt op grond van de door de exporteur aan hen overgelegde gegevens; die autoriteiten zijn daarbij door de exporteur bedrogen. Er is geen sprake van een actieve gedraging door de autoriteiten bij de aanvaarding van de aangeleverde gegevens. Voorzover al sprake zou zijn geweest van een vergissing door die autoriteiten, dan had die vergissing door de exporteur ontdekt moeten worden. Bestreden wordt dat uit het rapport valt af te leiden dat de Laotiaanse autoriteiten erkennen dat bij hen door gebrek aan kennis een fout of vergissing is begaan. Met de betreffende passage in het rapport van "Laotiaanse zijde" kan ook zijn bedoeld dat anderen in Laos dan de autoriteiten, bijvoorbeeld de exporteurs, de vergissing hebben begaan. De passage moet als excuus richting de EG worden opgevat. De omstandigheid dat de autoriteiten de relevante documenten voorhanden hebben gehad, betekent niet dat zij ook daadwerkelijk naar die documenten een controleonderzoek hebben ingesteld. 5.4.
- Met haar kennis en ervaring als douane-expediteur kon belanghebbende weten dat zij zou worden aangesproken voor de douanerechten als de overgelegde certificaten onjuist zouden blijken te zijn. Het risico dat voortvloeit uit de gedragingen van de opdrachtgever en uit de toezichtstructuur op de toepassing van het APS is voor belanghebbende een normaal bedrijfsrisico, dat voor haar rekening komt. Op belanghebbende rustte daarom een onderzoeksplicht naar de juistheid van de gestelde oorsprong. Nu zij heeft nagelaten dit onderzoek te doen, kan zij niet worden geacht te goeder trouw te zijn. 5.4.
- Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat door de Nederlandse autoriteiten noch door de Laotiaanse autoriteiten een vergissing in de zin van artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW is begaan en dat evenmin aan de overige vereisten van dit artikel is voldaan. 5.
- Het belang van een belastingplichtige bij de openbaarmaking van een onderzoek moet worden afgewogen tegen het algemene belang dat de uitvoerende diensten ongestoord controle kunnen uitoefenen of opsporingswerkzaamheden kunnen verrichten. Verkregen gegevens over fraude moeten eerst op hun juistheid worden getoetst. Begin 1995 was er onvoldoende bewijs van fraude voorhanden om een waarschuwing voor het gebruik van certificaten uit Laos te doen uitgaan. Pas na de evaluatie van de bevindingen van de onderzoekscommissie, derhalve in de tweede helft van 1996, behoorde een algemene waarschuwing tot de mogelijkheden. Ook van belanghebbende bleek pas toen dat zij textielproducten van de door de EG-missie bezochte bedrijven had betrokken. Dit was dus op een tijdstip ná de data waarop de onderhavige invoeraangiften zijn gedaan. Zodra de inspecteur in staat was specifieke informatie te verschaffen, is dit ook gebeurd. De Commissie noch de Nederlandse douane heeft daarom onrechtmatig jegens belanghebbende gehandeld. Aan de Commissie is geen bijzondere toezichthoudende taak met betrekking tot de uitvoering van het APS toegekend; zij is geen douaneautoriteit. Reeds daarom mist het sub 4.
- genoemde arrest toepassing. 5.
- Binnen het APS-stelsel kunnen na ampele herweging van belangen wijzingen worden aangebracht. In casu is dit gebeurd met de sub 4.
- genoemde Verordening (EG) nr. 1713/
- De Europese Commissie is vrij om te bepalen wanneer die wijziging van kracht wordt. Hieraan kan geen vertrouwen worden ontleend, dat ook de criteria met betrekking tot de oorsprong ten aanzien van een eerdere periode op dezelfde soepele wijze worden toegepast. 5.
- In artikel 84 van het UCDW en artikel 211 van het EG-Verdrag zijn taakstellende bepalingen opgenomen; hieraan kunnen geen rechten in een concreet geval worden ontleend. Het besluit nr. 96/C 170/01 van de Raad van 28 mei 1996 (Pb EG 1996, C 170) betreffende de boeking achteraf van de douaneschuld is gegrond op artikel 152 (oude nummering) van het EG-Verdrag en behelst een studieopdracht aan de Commissie. Het besluit betreft geen wetgeving in formele zin. Het besluit en de daarop volgende sub 4.
- genoemde mededeling van de Commissie zien op de mogelijke toekomstige besluitvorming en zijn derhalve niet voor de onderhavige zaak van belang. De Commissie en de Nederlandse autoriteiten hebben binnen de bestaande wetgeving naar behoren gehandeld. 5.
- Artikel 27 van het EG-verdrag geeft de grenzen aan waarbinnen de Commissie haar taken op het gebied van het douanetarief moet uitvoeren. Binnen die grenzen is de Commissie vrij keuzes te maken. De keuze om de tariefpreferentie te corrigeren en daarmede douanerechten na te vorderen valt binnen die grenzen. 5.
- Belanghebbende heeft de onderhavige certificaten van oorsprong, Formulier A, aan de inspecteur verstrekt, en is daarmee schuldenaar voor de douaneschuld. Tussen de verschillende mogelijke schuldenaren bestaat geen rangorde; het ligt binnen de discretionaire bevoegdheid van de inspecteur om te kiezen voor belanghebbende. Uit onderzoek blijkt dat bij de verificatie en de verdere afhandeling van de onderhavige aangiften geen boeking van een douaneschuld heeft plaatsgevonden. In het onderhavige geval is derhalve geen sprake van dubbele heffing van douanerechten.
- De rechtsoverwegingen 6.
- De Commissie, bij uitstek de bevoegde Europese instelling om toe te zien op de goede werking van het APS en om waar nodig onderzoek daarnaar te doen, heeft in het sub 2.
- rapport ten aanzien van de door de missie onderzochte, door de C.C.I. afgegeven certificaten van oorsprong geconcludeerd, dat deze ten onrechte zijn geldig gemaakt. De Laotiaanse autoriteiten hebben de door de missie vastgestelde feiten en conclusies bevestigd. 6.
- Naar het oordeel van de Douanekamer vormt het sub 6.
- overwogene voldoende grondslag voor de ongeldigverklaring van de sub 2.
- genoemde certificaten van oorsprong en voor de navordering van de niet-geheven douanerechten. De omstandigheid dat, met uitzondering van de sub 2.
- vermelde certificaatnummers … en …, de certificaatnummers …, …, … en …, en het sub 2.
- genoemde ongenummerde certificaat, niet in het missierapport worden genoemd, laat zulks onverlet. De sub 2.
- geciteerde verklaring is immers duidelijk, en laat een algemeen beeld zien dat ook op de goederen van laatstgenoemde certificaten van toepassing moet zijn. 6.
- De douanerechten hebben een exclusieve Europeesrechtelijke grondslag. De voorwaarden waaronder van deze rechten kan worden afgezien zijn, voorzover hier van belang, limitatief opgesomd in artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW. Er is geen sprake van een vergissing van de bevoegde autoriteiten van het uitvoerende land, wanneer zij op basis van door de fabrikant of exporteur aangeleverde gegevens, die bij een algemene controle geloofwaardig lijken, in eerste instantie certificaten geldig maken. Belanghebbende heeft wel gesteld, doch onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten van Laos zelf een actieve bijdrage hebben geleverd bij het verzamelen van de oorspronkelijke gegevens van de certificaten. Evenmin is komen vast te staan dat die autoriteiten, terwijl zij op de hoogte waren van de juiste feitelijke gegevens, de Laotiaanse oorsprong hebben gecertificeerd uitsluitend op basis van een onjuiste uitlegging van de oorsprongsregels. Op grond daarvan oordeelt de Douanekamer dat geen sprake is van een door de Laotiaanse autoriteiten begane vergissing. 6.
- In navolging van het arrest van het Hof van Justitie van 7 september 1999, C-61/98, UTC 1999/53, oordeelt de Douanekamer dat het gemeenschapsrecht op geen enkele wijze aan autoriteiten, die op de hoogte zijn van een mogelijke fraude bij het gebruik maken van preferenties in het kader van het APS, de verplichting oplegt de aangever ervoor te waarschuwen dat hij ten gevolge van die fraude douanerechten schuldig kan worden, ook niet wanneer deze te goeder trouw heeft gehandeld. 6.
- Niet is gebleken dat de afgifte en het gebruik van de onderhavige certificaten zijn te wijten aan ernstige tekortkomingen van autoriteiten, die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een efficiënt controlesysteem. Belanghebbendes beroep op het sub 4.
- vermelde arrest van het Gerecht van eerste aanleg faalt derhalve. 6.
- Het gebruik dat de Commissie maakt van de bevoegdheid om bij verordening ten aanzien van bepaalde landen van uitvoer maatregelen te treffen die derogeren aan de voorwaarden voor toepassing van het APS, staat niet ter beoordeling aan de Douanekamer. Dit geldt evenzeer voor de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een dergelijke verordening. 6.
- De inspecteur mocht bij het doen van de onderhavige uitnodiging tot betaling uitgaan van de in het geding overgelegde stukken, zonder zelf nader onderzoek te doen - zo volgt ook reeds uit rechtsoverweging 6.
- - naar de wijze waarop de EG-missie zijn controle heeft verricht. Niet is gebleken dat de inspecteur zich heeft gebaseerd op andere stukken dan die hier in het geding zijn gebracht. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die duiden op een onzorgvuldig handelen van de inspecteur. Reeds daarom worden de sub 4.
- en 4.
- vermelde grieven van belanghebbende verworpen. 6.
- In artikel 201, derde lid, van het CDW is geen dwingende rangorde van de mogelijke schuldenaren van een douaneschuld aangegeven. De inspecteur heeft niet in strijd met enig rechtsbeginsel gehandeld door belanghebbende - als aangever - conform het bepaalde in de eerste volzin van laatstgenoemd artikel van het CDW als schuldenaar van de onderhavige douanerechten aan te merken. De Douanekamer is niet bevoegd de rechtvaardigheid of de billijkheid van de Europeesrechtelijke regeling van de aansprakelijkheid van de douaneschuld te beoordelen. 6.
- De Douanekamer heeft geen reden te twijfelen aan de mededeling van de inspecteur dat geen eerdere heffing van douanerechten heeft plaatsgevonden. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, kan er ook niet toe leiden dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd. 6.
- De Douanekamer ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de bestreden uitspraak wordt bevestigd.
- De proceskosten De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.
- De beslissing De Douanekamer bevestigt de uitspraak, waarvan beroep. Aldus gewezen in raadkamer op 29 augustus 2002 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, H.J. Bokhorst en mr. A. Bijlsma, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink, griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. De griffier: De voorzitter: Beroep in cassatie Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
- Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a) de naam en het adres van de indiener; b) de dagtekening; c) de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.