GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X B.V. te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, inspecteur. 1. Loop van het geding 1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 4 januari 2002, ingediend door mr. A en B FB (gemachtigden van belanghebbende). Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 28 november 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting over het jaar 1998/1999. Het beroepschrift is door gemachtigden aangevuld bij brief van 19 maart 2002. De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van f 579.046. Na bezwaar is de aanslag gehandhaafd. 1.2. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot nihil. 1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak. 1.4. Bij brief van 29 november 2002 heeft belanghebbende een nader stuk ingebracht. 1.5. Ter zitting van 11 december 2002 zijn verschenen de gemachtigden van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van C, alsmede namens de inspecteur mr. D, tot bijstand vergezeld van E. De gemachtigden hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd met bijlagen. De inspecteur heeft van de bijlagen kennis kunnen nemen en zich daarover kunnen uitlaten. De pleitnota met bijlagen wordt tot de gedingstukken gerekend. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is opgericht bij akte van 7 april 1998 door C. Het geplaatste kapitaal van belanghebbende bedraagt f 2.400.000. C heeft aan haar stortingsverplichting voldaan door inbreng van een in de Q-buurt te Z gevestigde apotheek. Tot 8 juli 1997 werd deze apotheek door haar man, L, onder de naam 'M Apotheek' in de vorm van een eenmanszaak gedreven. Hij heeft deze apotheek op 1 augustus 1987 gekocht en heeft het in de aankoopsom begrepen bedrag aan goodwill afgeschreven in 10 jaar. In 1995 heeft L een verzoek gedaan tot geruisloze inbreng van deze apotheek in een BV, maar deze inbreng heeft geen doorgang gevonden. In dit verzoek is gerekend met een afschrijvingstermijn voor de goodwill van eveneens 10 jaar. L is op 8 juli 1997 overleden. C was enig erfgenaam van L. Zij heeft geen apothekersdiploma en geen ervaring met het apothekersbedrijf. 2.2. Bij akte van 7 april 1998 heeft belanghebbende de besloten vennootschap M Apotheek B.V. opgericht. Deze vennootschap heeft als doel het uitoefenen van de artsenijbereidkunst door personen die in het bezit zijn van het Nederlands apothekersdiploma. Het geplaatste aandelenkapitaal bedraagt f 40.000 en is volgestort door inbreng van de M Apotheek. 2.3. Belanghebbende en haar dochtermaatschappij M Apotheek B.V. vormen een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het eerste boekjaar loopt van 9 juli 1997 tot en met 31 december 1999. 2.4. De overdracht van de apotheek aan belanghebbende heeft ruisend plaatsgevonden. Onder meer met het oog op de berekening van de bij L in aanmerking te nemen stakingswinst en de bepaling van de waarde van de onderneming bij inbreng in belanghebbende is de hoogte van de goodwill van de M Apotheek berekend. Deze berekening, die uitkwam op f 2.400.000, is uitgevoerd door OPG RBA Consultants te Utrecht. De Belastingdienst te P is akkoord gegaan met dit bedrag aan goodwill. 2.5. M Apotheek B.V. heeft een apotheker in loondienst om aan de wettelijke regels voor het drijven van een apotheek te voldoen. Na het overlijden van L hebben tot oktober 1997 achtereenvolgens twee verschillende apothekers in de apotheek gewerkt. Vervolgens is er op 7 oktober 1997 een apotheker in dienst getreden die tot medio 2000 voor M Apotheek B.V. heeft gewerkt. 2.6. De Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (hierna: KNMP) heeft in mei 1997 een rapport uitgebracht onder de titel "Minimumvestigingsnorm voor apotheken". Het rapport bevat onder meer de volgende passage: "Status Op instigatie van (…) de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) hebben (…) een notitie opgesteld die als leidraad kan dienen bij de beoordeling van de bedrijfseconomische haalbaarheid van een apotheekvestiging." Het rapport rekent met een afschrijving op goodwill van 10%. Het rapport behoort tot de gedingstukken. 2.7. De hiervóór genoemde goodwill wordt in de vennootschappelijke jaarrekening in vijf jaren afgeschreven. Ook in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 1998/1999 heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de goodwill in vijf jaren kan worden afgeschreven. 2.8. De Inspecteur heeft zich bij het opleggen van de aanslag op het standpunt gesteld dat de goodwill in tien jaren ten laste van de winst moet worden gebracht en heeft het door belanghebbende aangegeven belastbare bedrag ten bedrage van negatief f 20.954 verhoogd met (2,5 x f 240.000 =) f 600.000 wegens minder kosten van afschrijving op goodwill. 3. Geschil Tussen partijen is in geschil of de afschrijvingstermijn van de goodwill mag worden gesteld op vijf jaar, zoals belanghebbende betoogt. De inspecteur stelt dat de afschrijvingstermijn tien jaar bedraagt. 4. Standpunten van partijen Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen naar de gedingstukken en het aan de uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Het Hof stelt voorop dat voor de bepaling van deze afschrijvingstermijn in het kader van de fiscale winstbepaling wordt aangesloten bij de economische levensduur van de goodwill. Beoordeeld moet worden gedurende welke periode de verworven goodwill voor de onderneming naar verwachting zijn nut zal afwerpen. De levensduur van goodwill wordt naar het oordeel van het Hof beïnvloed door onder meer veranderingen in de vraag naar producten van de onderneming (bijvoorbeeld door de komst van concurrenten of door wijzigingen van de bevolkingssamenstelling in de klantenkring van de onderneming) en de verwachte resterende diensttijd van voor de onderneming belangrijke werknemers (bijvoorbeeld een werknemer die gediplomeerd apotheker is). De levensduur dient zodoende van geval tot geval te worden bepaald. 5.2. Het Hof acht het aannemelijk dat - zoals belanghebbende heeft gesteld - de verkregen goodwill naar verwachting over een periode van niet langer dan vijf jaren voor de onderneming zijn nut zal afwerpen. Daarbij acht het Hof het van belang (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.