arrestnummer rolnummer 23-002701-01 datum uitspraak 20 februari 2003 tegenspraak Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 19 juli 2001 in de strafzaak onder parketnummer 15/035215-00 tegen: [verdachte] geboren te Amsterdam op [geboortedatum] 1966 wonende te [adres], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almere Binnen te Almere. Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 juli 2001 en in hoger beroep van 19 maart 2002, 2 april 2002, 11 juni 2002, 10 september 2002, 19 november 2002 en 6 februari 2003. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. De tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen. Bespreking van de gevoerde verweren. De raadsman heeft in het onderdeel van zijn betoog dat is getiteld: "Een redelijk vermoeden van schuld" -kort samengevat- het volgende aangevoerd: 1. De gegevens, verkregen uit het FIBASE-systeem van de fiscus, zijn onrechtmatig verstrekt/verkregen. De FIOD-ambtenaren, werkzaam binnen het CARGO/HARC-team dat het opsporingsonderzoek heeft verricht, hebben gehandeld in strijd met het in deze van toepassing zijnde verbod tot bekendmaking (van gegevens uit de registers van de belastingdienst) zoals neergelegd in het van toepassing zijnde artikel 67, eerste lid van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Zij hebben deze gegevens verstrekt ten behoeve van de opsporing van commune/opiumwet delicten, derhalve voor een ander doel dan in genoemd artikel is aangegeven. Bewijsuitsluiting dient te volgen. 2. Ook zijn de gegevens verkregen uit het Kentekenregister, die gebruikt zijn om de vermogenspositie van [verdachte] te inventariseren met het oog op de verdenking van het plegen van opiumwetdelicten, onrechtmatig verkregen. Ook deze gegevens zijn verstrekt/gebruikt voor een ander doel dan aangegeven in de regelgeving daaromtrent, meer in het bijzonder artikel 3 van het Privacyreglement kentekenregister 1996, als gevolg waarvan bewijsuitsluiting dient te volgen. 3. De aan het opsporingsonderzoek ten grondslag liggende CID informatie (AH 01) die gelet op het onderzoek ter terechtzitting niet actueel was en gelet op het onder 1 en 2 gestelde niet kon worden opgewaardeerd met andere aanwijzingen, levert onvoldoende grond op voor een verdenking als bedoeld in artikel 27 Wetboek van Strafvordering en de inzet van dwangmiddelen. Meer in het bijzonder is onrechtmatig getapt, nu op grond van genoemde "zachte" CID-informatie niet gezegd kan worden, dat aan de voorwaarde van artikel 126m Wetboek van Strafvordering is voldaan, te weten dat het onderzoek het tappen dringend moet vorderen. Bewijsuitsluiting dient te volgen. Voorts heeft de raadsman met betrekking tot het doorlaatverbod van artikel 126ff Wetboek van Strafvordering, het volgende betoogd. 4. Met betrekking tot op zijn minst de tenlastegelegde verdovende middelen transporten van 28 september 2000 en 14 november 2000 is er gelet op de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting sprake geweest van een redelijke mate van zekerheid met betrekking tot de aanwezigheid van verdovende middelen, zodat ingrijpen rechtens was aangewezen. Het niet ingrijpen, zoals in casu is geschied, is in strijd met de beginselen van een integere strafrechtspleging, zodat gezien het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 juli 2002 (nr. 01704/01) weliswaar niet de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het geding is, maar wel tenminste bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering op zijn plaats is. Een en ander leidt er volgens de raadsman toe dat de bewijsmiddelen die direct zijn verkregen uit de gekozen opsporingsmethode, van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Subsidiair dient strafvermindering te volgen. Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt. Ad 1. Dit verweer moet alleen al worden verworpen omdat het miskent dat het in de onderhavige zaak in de eerste plaats gaat om het binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Europese Gemeenschap, zodat de ambtenaren van de belastingdienst (in casu de FIOD-ambtenaren die behoorden tot het CARGO/HARC-team) ingevolge de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen juncto de Douanewet hierbij een eigen controle- en opsporingstaak hadden, waarbij zij gebruik konden maken van de hun specifiek ten dienste staande middelen zoals het raadplegen van de registers van de belastingdienst. De opvatting dat het de ambtenaren in het CARGO/HARC-team niet vrijstond aan andere in dat team werkzame opsporingsambtenaren de uit genoemde registers verkregen informatie ter beschikking te stellen, zoals nog door de raadsman betoogd, vindt overigens geen steun in het recht, ook niet in het door de raadsman in dit verband genoemde Voorschrift informatieverstrekking 1993. Ad 2. De stelling van de raadsman dat het de ambtenaren in het CARGO/HARC-team niet vrijstond de gegevens uit het Kentekenregister te gebruiken vindt geen steun in het recht, waaronder de regelgeving daaromtrent. Ad 3. In het proces-verbaal RCID-informatie nr. 782-187/2000 van de Dienst Centrale Recherche (Criminele Inlichtingen Eenheid) van de politie Amsterdam/Amstelland d.d. 3 mei 2000, opgemaakt door H. van Ommen, wordt zeer gedetailleerde en door de Criminele Inlichtingen Eenheid betrouwbaar geachte informatie gegeven betreffende verdachte [verdachte] en zijn medeverdachte [medeverdachte 1], waaronder een nauwkeurige beschrijving van de manier waarop al gedurende een jaar of twee cocaïne door hen met KLM-vliegtuigen binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht. De inhoud van deze informatie luidt als volgt: "[medeverdachte 1] is al ongeveer 2 jaar bezig met de invoer van cocaïne in samenwerking met Colombianen. Zij krijgen de cocaïne binnen via een KLM-vliegtuig afkomstig van de Nederlandse Antillen/Venezuela. De cocaïne zit verstopt in de flightkit van het toestel en wordt hieruit gehaald door een KLM-medewerker, zijnde een contact van [medeverdachte 1], genaamd [verdachte]. Deze kan makkelijk bij de vliegtuigen komen. De partijen komen om de twee weken binnen. De Colombiaan staat bekend als [betrokkene]. Vliegtuigen met als eindbestemming Amsterdam worden gebruikt voor de invoer van cocaïne. Werknemers van de grondploeg, die bevoegd zijn om in laadruimte 1 of de belly de waardevolle goederen eruit te halen, zorgen er ook voor dat de cocaïne er uitgehaald wordt. De cocaïne zou verstopt zitten in lichtmetalen kisten (mogelijk aluminium) waarop een witte sticker is bevestigd met de rode letters AOG. De vliegtuigen waarin de cocaïne in de desbetreffende laadruimten wordt verstopt, komen in geen geval uit risico landen". Deze CID-informatie -die blijkens het onderzoek ter terechtzitting, waaronder de getuigeverklaring van verbalisant Van Ommen, nog steeds actueel was op 4 juli 2000- vormt voldoende grondslag voor het in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Daaraan doet niet af dat een deel van genoemde CID-informatie achteraf niet geheel juist bleek te zijn. Aard, ernst en omvang van hetgeen via dat CIE-procesverbaal werd gerelateerd rechtvaardigden voorts de inzet van dwangmiddelen, zoals -als voldoende dringend- telefoontaps. Ad 4. Met betrekking tot de tenlastegelegde invoer van cocaïne op 14 november 2000 faalt het verweer reeds omdat die dag wel tot inbeslagname is overgegaan. Met betrekking tot de tenlastegelegde invoer van cocaïne op 28 september 2000 is van handelen in strijd met het doorlaatverbod zoals bedoeld in artikel 126ff Wetboek van Strafvordering geen sprake, nu blijkens de stukken van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting, meer in het bijzonder blijkens de verklaring van de ter terechtzitting als getuige gehoorde verbalisant Oosterhof, de aanwijzingen omtrent de aanwezigheid en vindplaats van drugs niet zodanig waren dat die aanwijzingen redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel lieten dat er verdovende middelen op een bepaalde plaats en tijdstip aanwezig waren. Voorzover er overigens op enig tijdstip al sprake zou zijn geweest van een situatie waarin ingevolge artikel 126ff Wetboek van Strafvordering een plicht tot inbeslagneming zou hebben bestaan, dan nog kan verdachte zich niet beroepen op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering terzake, reeds omdat het bepaalde in artikel 126ff Wetboek van Strafvordering niet in het leven is geroepen in het belang van verdachte en voor hem derhalve geen rechtens te beschermen belang in het geding is. De bewezenverklaring Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 is tenlastegelegd, met dien verstande dat: -Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde- hij in de periode van 12 tot en met 14 november 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 116.370,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; -Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde- hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2000 tot en met 1 oktober 2000 (te weten op of omstreeks 11 september 2000 en 15 september 2000 en 28 september 2000) te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; -Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde- hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2000 tot en met 21 november 2000, te weten op of omstreeks 11 september 2000 en 15 september 2000 en 28 september 2000 en 30 oktober 2000 en 14 november 2000 en 17 november 2000 en/of 20 november 2000, in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten (telkens) het opzettelijk verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren en telkens (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4) binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, telkens - een ander heeft trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of mede te plegen en/of - zich en/of één of meer anderen telkens gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en/of voorwerpen, en/of vervoermiddelen en/of gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.