GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Team Energiepremies te P, de inspecteur. 1. Loop van het geding 1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 7 mei 2001, aangevuld bij schrijven van 8 juni 2001. Het beroep is gericht tegen een uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 23 maart 2001, betreffende een beschikking tot het niet toekennen van een door belanghebbende aangevraagde energiepremie. 1.2. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot toekenning van een energiepremie van € 1.576,89 (ƒ 3.475). 1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarin concludeert hij tot bevestiging van de bestreden uitspraak. 1.4. De zaak is behandeld ter zitting van 7 november 2001. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal opgemaakt dat is aangehecht aan deze uitspraak. Telefonisch is aan partijen meegedeeld dat in afwijking van de aankondiging ter zitting niet mondeling uitspraak zou worden gedaan. 1.5. Er heeft een schriftelijke behandeling plaatsgevonden. Het Hof heeft de inspecteur bij brief van de griffier van 17 januari 2002 een aantal vragen voorgelegd. De inspecteur heeft deze vragen in zijn brieven van 6 en 26 maart 2002 beantwoord. Belanghebbende heeft hierop gereageerd in zijn schrijven van 16 april 2002. De inspecteur heeft in een brief van 13 mei 2002 gereageerd op de reaktie van belanghebbende. Partijen hebben daarna bij brieven van 6 juni 2002 en 29 mei 2002 schriftelijk ingestemd met het achterwege laten van een nadere zitting en de bekendmaking van de uitspraak door toezending per post zodra deze gereed is. Aan belanghebbende is vervolgens verzocht om een specificatie van het in zijn brief van 6 juni 2002 gedane verzoek om de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de proces- en bezwaarkosten. Die specificatie heeft belanghebbende bij brief van 2 oktober 2002 gegeven. De inspecteur is daarna bij brief van 5 november 2002 in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Nadat de inspecteur bij brief van 18 november 2002 hierop heeft gereageerd hebben partijen wederom schriftelijk ingestemd met het achterwege laten van een nadere zitting. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Op 28 maart 2000 is aan belanghebbende een Energie Prestatie Advies (hierna: het EPA-advies) uitgebracht. Naar aanleiding van dit advies heeft belanghebbende de zoldervloer van zijn woning van isolatiematerialen voorzien. Belanghebbende heeft daarvoor in de maand april 2000 bij diverse vestigingen van Gamma isolatiematerialen gekocht. 2.2. Belanghebbende heeft ter zake van het op basis van het EPA-advies aanbrengen van 500 m² 'doe-het-zelf toepassing isolatie' bij NUON verzocht om toekenning van energiepremie. Het verzoek is door NUON op 11 oktober 2000 ontvangen. In een brief van 2 november 2000 heeft NUON het verzoek afgewezen. Belanghebbende heeft in een schrijven van 9 december 2000 de inspecteur verzocht uitspraak te doen over het door hem ingediende verzoek. De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende bij voor bezwaar vatbare beschikking van 18 januari 2001 afgewezen. Tegen deze beschikking heeft belanghebbende in een brief van 25 februari 2001 bezwaar aangetekend. De inspecteur heeft in de bestreden uitspraak het bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd. 3. Geschil In geschil is of belanghebbende het verzoek om toekenning van de energiepremie tijdig heeft ingediend. 4. Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. In artikel 36a van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst voor het jaar 2000 en hierna te noemen: de Wet) is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald: 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) j. energiezuinige apparaten, energiebesparende voorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie: apparaten en voorzieningen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als apparaten en voorzieningen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie of van de opwekking van duurzame energie. Onder energiebesparende voorzieningen wordt mede verstaan: een EnergiePrestatieAdvies dat voldoet aan bij door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling te stellen eisen (…) In artikel 36p van de Wet is het volgende bepaald: 1. Op de belasting die is verschuldigd ter zake van de levering van aardgas en elektriciteit wordt een vermindering toegepast ter zake van de bedragen die de belastingplichtige heeft uitgekeerd in verband met de aanschaf van niet eerder gebruikte energiezuinige apparaten of energiebesparende voorzieningen (energiepremies). 2. De vermindering bedraagt per apparaat of voorziening een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling aangewezen bedrag. De vermindering wordt slechts toegepast indien wordt aangetoond dat dit bedrag als energiepremie is uitgekeerd aan degene die ter zake van de aanschaf van dat apparaat of die voorziening bij de belastingplichtige een verzoek om toekenning van de energiepremie heeft ingediend en de verzoeker de eigenaar, de huurder of de verhuurder van een als woning gebruikte onroerende zaak is, waaraan de belastingplichtige aardgas of elektriciteit levert. 3. Degene die ter zake van de aanschaf van het apparaat of de voorziening bij de belastingplichtige een verzoek om toekenning van de energiepremie heeft ingediend kan zich bij geschillen met betrekking tot de toekenning van de energiepremie wenden tot de inspecteur met het verzoek over dat verzoek een uitspraak te doen. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. De beschikking wordt mede bekendgemaakt aan de belastingplichtige. Indien de beschikking strekt tot uitkering van de energiepremie, is de belastingplichtige daartoe gehouden. (…) 6. Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de vermindering wordt verleend en kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. Aan het zesde lid van laatstgenoemd artikel is uitvoering gegeven in de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag (tekst voor het jaar 2000 en hierna te noemen: de Uitvoeringsregeling). In artikel 8n van laatstgenoemde regeling is het volgende bepaald. 1. Het verzoek om toekenning van de energiepremie bedoeld in artikel 36p, tweede lid, van de wet wordt gedaan bij de belastingplichtige die aardgas of elektriciteit levert aan de als woning gebruikte onroerende zaak ten behoeve waarvan het apparaat of de voorziening is aangeschaft. 2. Het verzoek wordt gedaan nadat de voorziening is aangebracht of het apparaat in gebruik is genomen doch ten hoogste dertien werken na aanschaf van de voorziening of het apparaat. 3. Het verzoek wordt gedaan met gebruikmaking van een formulier dat in overeenstemming is met één van de in de bijlage bij deze regeling opgenomen modellen EP1, EP2, EP3 en EP4. 4. Het verzoek kan niet worden gedaan indien: a. het gezamenlijk bedrag van de energiepremies per verzoek minder bedraagt dan ƒ 100; b. het een voorziening betreft ten behoeve van een woning, waarvoor de bouwvergunning is afgegeven op of na 1 januari 1998. In de Uitvoeringsregeling energiepremies (tekst van het jaar 2000) is - voor zover hier van belang - bepaald: Art. I. A. Deze regeling verstaat onder wet: Wet belastingen op milieugrondslag. B. Als apparaten en voorzieningen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, onderdeel j, van de wet worden aangewezen de apparaten en voorzieningen opgenomen in bijlage I bij deze regeling. C. Als belastingvermindering bedoeld in artikel 36p, tweede leid, van de wet wordt aangewezen: het bedrag per apparaat of voorziening opgenomen in bijlage II bij deze regeling. In genoemde bijlage I staat - voor zover hier van belang - vermeld: 2021 EnergiePrestatieAdvies (EPA) voor één woning (…) Bestaande uit: een EnergiePrestatieAdvies dat voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 36a, eerste lid, onderdeel j, van de wet, waarbij het meetresultaat op geen andere woning van toepassing wordt verklaard en er uit het EnergiePrestatieAdvies tenminste één voorziening die op de energiepremie-lijst staat wordt toegepast. In genoemde bijlage II staat - voor zover hier van belang - vermeld: Nummer Apparaat/Voorziening Eenheid Bedrag (in guldens) (…) 2006 Doe-het-zelf toepassing isolatie m² 5 (…) 2021 EPA t.b.v. één woning (*) woning 350 (…) * Wanneer op basis van een EPA één of meerdere maatregelen worden getroffen die behoren tot de nummers 2001 t/m 2020, dan wordt de premie voor die maatregel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.