GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Eerste Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur. 1. Loop van het geding 1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 19 november 2001, ingediend door A te T als zijn gemachtigde, hetwelk is aangevuld bij brief van 7 januari 2002. Het beroep is gericht tegen de bij brief van 25 oktober 2001 aangekondigde uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 18 december 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 20.830.372. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. 1.2. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot ontvankelijkverklaring van het bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 19.886.917. 1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. 1.4. De griffier heeft de gemachtigde van belanghebbende bij aangetekend schrijven van 2 juli 2002 mededeling gedaan van dag, uur en plaats van de mondelinge behandeling van het beroep. Gemachtigde heeft bij faxbericht van 13 september 2002 aangegeven dat namens belanghebbende ter zitting van 17 september 2002 niemand zal verschijnen. Namens de inspecteur is verschenen B, tot bijstand vergezeld van C. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, welke tot de gedingstukken wordt gerekend. 1.5. Op 1 oktober 2002 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan waarvan het proces-verbaal op 11 oktober 2002 aangetekend aan partijen is verzonden. Bij brief ter griffie ontvangen op 5 november 2002 is door belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht ad € 41 is tijdig op de rekening van het Gerechtshof bijgeschreven. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende, geboren in 1965, is van 1 januari 1997 tot en met 31 oktober 1997 in loondienst werkzaam bij de besloten vennootschap PBV (hierna: PBV), in welke vennootschap hij een aanmerkelijk belang bezit in de zin van artikel 20a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Van 1 november 1997 tot en met 31 december 1997 is belanghebbende vervolgens in loondienst werkzaam bij de besloten vennootschap HBV 2.2. Bij overeenkomst van 5 juni 1997 heeft belanghebbende de onder 2.1 genoemde aanmerkelijkbelangaandelen in PBV voor $ 10.482.843 verkocht aan HBV. Aan deze verkoop is voorafgegaan een brief van 27 maart 1997 van HBV Company te Q (USA) aan PBV, waarvan de inhoud voor zover van belang luidt: "As we discussed, I would like to summarize in this letter the topics we covered in our meeting on March 20th regarding the possible acquisition of PBV by HBV. (…) As has been the case with each of our prior correspondences, the details provided in this letter are subject to the satisfactory completion of HP's due diligence, PBV and HP agreeing to the terms of a definitive agreement, and HP's obtaining any necessary corporate and third party approvals. This letter does not represent a binding commitment by HP to purchase PBV under any terms." 2.3. Belanghebbende heeft een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 ingediend, welk biljet op 3 juni 1999 ter inspectie is ingekomen en waarbij aangifte is gedaan naar een belastbaar inkomen van ¦ 19.853.574. De inspecteur heeft het in de aangifte aangegeven voordeel uit aanmerkelijk belang ¦ 19.479.850 gecorrigeerd met het bedrag van ¦ 943.455 en de ontvangen rente-inkomsten met een bedrag van ¦ 33.343, waarna het belastbaar inkomen bij de op 28 november 2000 gedagtekende aanslag is vastgesteld op ¦ 20.830.372. De correctie ter zake van het voordeel uit aanmerkelijk belang is een gevolg van de omrekening van US-dollars naar guldens. De inspecteur heeft de dollarkoers van 5 juni 1997 gehanteerd, zijnde ƒ 1,94 per dollar en belanghebbende de dollarkoers van 27 maart 1997 ten bedrage van ƒ 1,85. 2.4. Tegen voornoemde aanslag heeft de gemachtigde van belanghebbende per faxbericht, gedateerd 19 maart 2001, welk bericht de inspecteur op 20 maart 2001 heeft ontvangen, een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 18 december 2001, geadresseerd aan voornoemde gemachtigde, heeft de inspecteur het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard en voorts medegedeeld dat de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar geen aanleiding gaf de aanslag ambtshalve te herzien. 3. Geschil Tussen partijen is het volgende in geschil: 1. Is belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar? 2. Dient ter berekening van het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang de dollarkoers van 17 maart 1997 dan wel die van 5 juni 1997 te worden genomen? 3. Heeft de inspecteur terecht afgezien van het horen van belanghebbende? 4. Standpunten van partijen 4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken. 4.2. Tijdens de zitting is namens de inspecteur - kort samengevat - nog het volgende toegevoegd. De brief van 27 maart 1997, gericht aan Mr. K, heeft mijns inziens niet geleid tot de totstandkoming van een overeenkomst. In het verweerschrift heb ik in het licht van die brief ten onrechte de woorden 'ontbindende voorwaarden' genoemd. Hiermee heb ik in ieder geval niet bedoeld te zeggen dat ik ervan uitga dat er op dat moment een obligatoire overeenkomst tot stand is gekomen. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Ontvankelijkheid bezwaarschrift 5.1.1. Belanghebbende bestrijdt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift en voert daartoe aan dat de Belastingdienst (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.