GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Negende Enkelvoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst te P, hierna de inspecteur. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 17 juli 2002, ingediend door A te B als gemachtigde van belanghebbende en aangevuld bij brief van 14 augustus 2002. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 4 juli 2002, betreffende de aan belanghebbende met dagtekening 24 mei 2002 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 168.970 (€ 76.675). Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag door de inspecteur gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 156.724. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. Op 10 juli 2003 heeft de inspecteur een nader stuk ingediend. De gemachtigde heeft op 17 juli 2003 nadere stukken en een pleitnota ingezonden. Ter zitting van 6 augustus 2003 zijn verschenen de voornoemde gemachtigde, tot bijstand vergezeld van C. Namens de inspecteur is verschenen D. De gemachtigde heeft ter zitting een aanvullende pleitnota voorgedragen en overgelegd. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende was van 1 maart 1999 tot en met 29 februari 2000, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, in dienst bij Q als senior adviseur. Belanghebbende heeft namens Q uitsluitend werkzaamheden als interim manager fysieke distributie verricht voor R. 2.2. In de arbeidsovereenkomst met Q is in artikel 10 onder meer het volgende zogenoemde relatiebeding opgenomen: "Het staat werknemer niet vrij om binnen 12 maanden na het einde van het dienstverband: 1. In dienst te treden bij de cliënten van de werkgever voor wie werknemer in de laatste zes maanden van het dienstverband werkzaamheden heeft verricht, of met wie de werknemer in die periode uit hoofde van het dienstverband met werkgever contact heeft gehad, teneinde dezelfde of vergelijkbare werkzaamheden te verrichten. 2. (…)" Op overtreding van het relatiebeding is in de arbeidsovereenkomst een boete gesteld. 2.3. Op 1 maart 2000 is belanghebbende in dienst getreden bij R. 2.4. In maart 2000 is belanghebbende een gerechtelijke procedure tegen Q gestart teneinde het relatiebeding van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst door de rechter te doen vernietigen. In reconventie heeft Q verzocht belanghebbende te veroordelen in de boete welke op schending van het relatiebeding is gesteld. Op 5 april 2001 heeft de kantonrechter te 's-Hertogenbosch het beroep van belang-hebbende afgewezen en belanghebbende veroordeeld tot betaling van ƒ 60.000 wegens overtreding van het relatiebeding. Op 4 juni 2003 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch dit vonnis bekrachtigd (een kopie van het vonnis van de rechtbank is als bijlage 3 gevoegd bij de brief van de gemachtigde van 17 juli 2003). In verband met deze procedure heeft belanghebbende in 2000 advocaatkosten gemaakt tot een bedrag van ƒ 15.534 (ƒ 12.540 + ƒ 2.994). 2.5. Belanghebbende heeft voor het jaar 2000 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 159.718. Daarin is begrepen een bedrag van f 12.790 aan beroepskosten, waarvan f 12.540 advocaat-kosten. De inspecteur heeft alleen het forfaitaire bedrag aan beroepskosten ad f 3.538 in aftrek toegelaten. Het belastbare inkomen is door hem deswege vastgesteld op f 168.970. In zijn bezwaarschrift heeft belanghebbende - naast de reeds geclaimde advocaatkosten - alsnog aftrek verzocht van het aanvankelijk 'vergeten' bedrag aan advocaatkosten ad f 2.994. De inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. 3. Geschil In geschil is het antwoord op de vraag of de door belanghebbende in 2000 gemaakte advocaatkosten van ƒ 15.534 (ƒ 12.540 + ƒ 2.994) als aftrekbare kosten op het inkomen van belanghebbende in mindering kunnen worden gebracht. 4. Standpunten van partijen 4.1. Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen naar de stukken van het geding. 4.2. Ter zitting hebben partijen hieraan toegevoegd, zakelijk weergegeven: de gemachtigde: De betaalde schadevergoeding heeft voldoende causaal verband met de dienst-betrekking bij Q. Het maakt geen verschil of de betaling tijdens of na de dienstbetrekking plaatsvindt. De zaak is, gezien de jurisprudentie, duidelijk. Het gaat om het causale verband en dat is er. Contractbreuk leidt tot schadevergoeding. Die schadevergoeding is derhalve aan te merken als negatieve inkomsten uit arbeid. Het klopt dat de wegingsfactor 1,5 voor de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit alleen moet worden gehanteerd indien het Hof tot het oordeel komt dat met betrekking tot het bedrag van f 60.000 sprake is van negatief loon. Ik ga niet verder in op de subsidiaire stelling van de inspecteur. Dat niet is gehandeld tijdens de dienstbetrekking bij Q is niet relevant. de inspecteur: Het grootste gedeelte van de aanvullende pleitnota gaat over de daadwerkelijke proceskosten en kosten van de bezwaarfase. Of en hoeveel van deze kosten als schadevergoeding in de zin van artikel 8:73 Awb aan belanghebbende moet worden toegekend, laat ik aan het Hof over. Belanghebbende heeft een bepaling van de arbeidsovereenkomst overtreden waardoor hij veroordeeld is om ƒ 60.000 te betalen aan Q. Deze betaling vormt geen negatief loon of aftrekbare kosten. Ook is geen sprake van het terugbetalen van loon. Alleen indien sprake is van negatief loon, kan na het jaar 2000 de ƒ 60.000 in mindering worden gebracht op het inkomen omdat dergelijke kosten vanaf 2001 niet meer als aftrekbare kosten in aftrek kunnen worden gebracht. Ik zie geen bijzondere omstandigheden om integrale proceskosten aan belanghebbende te vergoeden in plaats van de forfaitaire proceskosten van het Besluit. Er zijn in de bezwaar- of beroepsfase geen fouten gemaakt. In de bezwaar-fase verschilden belanghebbende en ik van mening. Ik weet niet of de door belanghebbende geclaimde bedragen aan proceskosten redelijk zijn. De jurisprudentie waarnaar belanghebbende verwijst, betreft geen vergelijkbare gevallen. De inspecteur heeft zijn eigen lijn gevolgd en is niet ingegaan op de vergelijkbaarheid van de door belanghebbende aangedragen jurisprudentie. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Blijkens artikel 35, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst voor het jaar 2000; hierna: de Wet) zijn aftrekbare kosten, voor zover hier van belang, de "op de inkomsten drukkende kosten voor zover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die inkomsten". De door belanghebbende in 2000 gemaakte advocaatkosten kunnen derhalve alleen dan als aftrekbare kosten worden aangemerkt, indien zij (finaal) causaal samenhangen met de verwerving van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.