arrestnummer rolnummer 23-000521-02 datum uitspraak 27 juni 2003 tegenspraak VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank van het arrondissement Amsterdam van 7 februari 2002 in de strafzaak onder parketnummer 13/127178-01 van het openbaar ministerie tegen [verdachte] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 24 januari 2002 en in hoger beroep van 15 april 2003 en 13 juni 2003. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 januari 2002 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de eerste rechter. Bewijs Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat [medeverdachte] op 18 mei 1996 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft die [medeverdachte] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, van zeer nabij met een vuurwapen die [slachtoffer] in het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welk misdrijf zij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 1 mei 1996 tot en met 18 mei 1996 te Amsterdam opzettelijk heeft uitgelokt, hebbende verdachte die [medeverdachte]: - gevraagd of hij bereid was om tegen betaling een persoon, zijnde die [slachtoffer], van het leven te beroven en - het signalement van die [slachtoffer] medegedeeld en - medegedeeld welk vervoermiddel door die [slachtoffer] werd gebruikt en - de locatie en het moment, alwaar/waarop eerdervermeld delict diende plaats te vinden, getoond en medegedeeld en - naar en van de plaats van het delict vervoerd en - een vuurwapen gegeven en - een of meer geldbedragen in het vooruitzicht gesteld. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Nadere bewijsoverweging Het hof heeft - met de verdediging - geconstateerd dat de verklaringen van de in de tenlaste-legging en bewezenverklaring bedoelde [medeverdachte] onderling verschillen vertonen en dat [medeverdachte] relatief eenvoudig beïnvloedbaar is. Niettemin heeft hij verdachte consistent - op een meineed incident in hoger beroep na - als opdrachtgeefster voor de moord genoemd. Daargelaten de motieven waarom [medeverdachte] zichzelf medio 2001 als dader heeft aangegeven bij de politie, bleek hij vijf jaar na dato over zodanig specifieke daderkennis te beschikken dat het hof bewezen acht dat hij [slachtoffer] op 18 mei 1996 om het leven heeft gebracht. Naast het gegeven dat [medeverdachte] verdachte uitdrukkelijk heeft genoemd als uitlokster, steunt de overtuiging van het hof dat zij inderdaad als zodanig moet worden aangemerkt in het bijzonder op de volgende omstandigheden: * Het slachtoffer van de moord bleek de aanstaande echtgenote (in elk geval: goede vrien-din) te zijn van de man van wie verdachte een kind had; weliswaar onderhield verdachte geen contacten met het slachtoffer, het slachtoffer was geen onbekende voor haar. Ten aanzien van [medeverdachte], daarentegen, is niet aannemelijk geworden dat hij het slachtoffer in een andere hoedanigheid of op een andere wijze kende dan als beoogd doelwit van de aanslag. * Vijf jaar nadat de moord was gepleegd heeft [medeverdachte] verklaard dat verdachte ten tijde van het delict in een witte Ford Escort cabrio reed (waarin zij hem zou hebben vervoerd). Verdachte heeft beaamd dat zij destijds in een dergelijke auto reed en tevens verklaard dat zij regelmatig van auto wisselde en slechts twee maanden over deze auto heeft beschikt. Door de verdediging is aangevoerd dat reële alternatieve mogelijkheden bestaan ten aanzien van de toedracht van de aanslag, waardoor - kort gezegd - (a) de moord niet door [medeverdachte] zou zijn begaan, dan wel (b) [medeverdachte] het feit in opdracht van (een) ander(en) dan verdachte zou heb-ben gepleegd. Het hof acht de feiten waarop deze alternatieven zouden moeten steunen niet aannemelijk geworden. Evenmin acht het hof aannemelijk
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.