GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 22 januari 2004 in de zaak onder rekestnummer 212/2003 NOT van: [K], wonende te [woonplaats], APPELLANTE, t e g e n [N], notaris te [plaats], GEÏNTIMEERDE. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Door appellante, verder te noemen klaagster, is bij een op 25 februari 2003 ter griffie ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en de kandidaat-notarissen te Leeuwarden, verder te noemen de kamer, van 23 januari 2003. Bij deze beslissing is klaagster in haar klacht tegen geïntimeerde, verder te noemen notaris, gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige acht de kamer de klacht ongegrond dan wel heeft de kamer zich niet bevoegd geacht kennis te nemen van de klacht. 1.2. Op 18 maart 2003 is door de notaris een verweerschrift ingediend. 1.3. Van de zijde van de notaris is op 16 april 2003 per faxbericht een verzoek om uitstel ter griffie ingekomen. 1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 november 2003. Klaagster en de notaris zijn verschenen. Zij hebben beiden het woord gevoerd, klaagster aan de hand van een overgelegde pleitnotitie. 1.5. Na sluiting van de behandeling is op 4 december 2003 een brief van klaagster ingekomen ter griffie van het hof, waarin zij op verzoek van het hof meedeelt dat zij zich eerst in november 2001 realiseerde dat zij een bedrag van fl. 14.113,95 aan rente over de schuld van haar moeder diende te betalen. 1.6. Bij brief van 10 december 2003 heeft de notaris gereageerd op de brief van 3 december 2003 van klaagster, waarin hij bericht dat het antwoord van klaagster hem geen aanleiding geeft tot commentaar. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en van de hiervoor vermelde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in haar beslissing hieromtrent heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof daarvan uitgaat. 4. Het standpunt van klaagster 4.1. Klaagster verwijt de notaris - kort en zakelijk weergegeven - dat hij in gebreke is gebleven klaagster volledig inzage te geven in het financiële verloop van de nalatenschap van haar overleden moeder, mevrouw [M], hierna te noemen erflaatster, overleden op 12 maart 1992. Klaagster heeft hier herhaaldelijk om verzocht (sub a). 4.2. In een ander verwijt dat klaagster de notaris maakt ( sub b en i ) ligt de klacht besloten dat de notaris na april 1992 heeft gehandeld of nagelaten in strijd met de zorg die hij had behoren te betrachten ten opzichte van klaagsterdoor haar onvoldoende voor te lichten. over de financiële gevolgen van het testament van erflaatster. Bij de vermogensopstelling van de nalatenschap is de schuld (fl. 24.000,--) van klaagster aan de boedel opgenomen alsmede een de rente van 6%. Klaagster betoogt dat de notaris haar eerder hierover had dienen te informeren, nu haar eerst bij kennisname van de conceptboedelbeschrijving en verdeling van 14 november 2001 duidelijk werd dat zij inzake deze schuld fl. 14.113,95 aan rente diende te betalen. 4.3. Klaagster verwijt de notaris tevens dat hij haar informatie heeft onthouden en haar in het geheel niet heeft betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap. Alhoewel zij legitimaris is, wordt zij niet als volwaardig erfgename behandeld. Bovendien handelt de notaris als ware hij executeur en dit in opdracht van uitsluitend de broer van klaagster(sub c, e en h). 4.4. Bovendien heeft de notaris de, volgens klaagster, tè hoge declaratie, niet willen specificeren. Met name de uren die de klerk heeft besteed aan het overschrijven van bankafschriften en de uren die de kandidaat-notaris heeft besteed om zich in te werken in het dossier roepen bij klaagster vraagtekens op (sub d, f en g). 4.5. Tenslotte verwijt klaagster de notaris dat hij zijn afspraken niet nakomt (sub j). 5. Het standpunt van de notaris 5.1. De notaris stelt in de eerste plaats dat klaagster tijdens het leven van erflaatster meerdere schenkingen heeft ontvangen en dat zij als gevolg hiervan reeds haar legitieme heeft ontvangen. Het verdere verloop van bij- en afboekingen op de bankrekeningen na het overlijden van erflaatster op 12 maart 1992 zijn voor klaagster dan ook niet van belang. Zij had immers niets meer te vorderen. 5.2. Voorst stelt de notaris dat erflaatster haar woning had overgedragen aan haar kinderen: klaagster en haar broer. Beiden zijn de koopsom van fl. 48.000,-- schuldig gebleven. Dit blijkt uit de onderhandse akte van schuldbekentenis d.d. 23 augustus 1985 waarin staat dat over deze lening door klaagster met ingang van 1 januari 1986 6% rente per jaar moet worden betaald. Na het overlijden van erflaatster is de woning verkocht. De verkoopopbrengst is, voor zover de notaris hiervan op de hoogte is, niet voor aflossing van de geldlening gebruikt. Klaagster had zich kunnen en moeten realiseren dat zij voor deze geldlening rente verschuldigd bleef, ook na het overlijden van erflaatster. 5.3. Met betrekking tot het verwijt van klaagster dat de notaris haar informatie onthoudt ter zake van de afwikkeling van de erfenis, verwijst de notaris naar de hoeveelheid correspondentie tussen hem en klaagster. De notaris betwist ten stelligste dat hij klaagster informatie heeft onthouden, dan wel dat hij zijn afspraken niet nakomt. 5.4. Ten aanzien van het door klaagster gestelde inzake de nota van de notaris verweert deze zich als volgt. In het kader van het verzamelen van alle financiële gegevens zijn door de notaris, op verzoek van klaagster, bankafschriften over een periode van 5 jaar opgevraagd bij de Friesland Bank. Nadat de broer van klaagster had medegedeeld de originele bankafschriften te hebben vernietigd. Na ontvangst van de kopieën is door de medewerker van de notaris een overzicht gemaakt van de bankafschriften, aangezien de omschrijvingen op deze kopieën aan duidelijkheid te wensen overlieten. Ook heeft de medewerker verdere navraag gedaan bij de Friesland Bank indien er summiere omschrijvingen voorkwamen op de bankafschriften. De hiervoor benodigde tijd (20 uur) is opgenomen in de nota. Anderzijds is, volgens de notaris, veel tijd die aan het dossier is besteed, niet gedeclareerd. Dit blijkt uit een door de notaris opgesteld overzicht. Na het vertrek van de medewerker is het dossier overgenomen door de kandidaat-notaris. De notaris stelt dat dit dossier een zeer complexe zaak betreft, met als gevolg dat het de kandidaat-notaris tijd kostte om zich het dossier eigen te maken. Ook hier stelt de notaris dat, ter compensatie, niet alle aan het dossier bestede uren zijn gedeclareerd. Het totaal overziend is de notaris van mening dat de nota eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. 5.5. Tijdens een bespreking op 6 december 2001 heeft de notaris zijn (voorlopige) nota aan klaagster toegelicht. Ook heeft de notaris klaagster geïnformeerd over de tijdsregistratie op zijn kantoor. Nog diezelfde dag is aan klaagster een overzicht van de geregistreerde uren gezonden. De notaris stelt zich op het standpunt dat uit de door hem gespecificeerde nota veel kan worden opgemaakt. Het zou veel tijd kosten om het door klaagster gewenste overzicht op te stellen, hetgeen tot gevolg zou hebben dat de nota moet worden verhoogd. 6. De beoordeling 6.1. Ter zitting heeft klaagster de klacht betreffende het declaratiegeschil ( sub d, f en g ) ingetrokken, zodat het hof hierover geen oordeel hoeft uit te spreken. 6.2. Aan het oordeel van het hof zijn thans nog de navolgende klachtonderdelen onderworpen te weten: sub a,b,c,e,h, en j. 6.3. Ten aanzien van klachtonderdeel sub a is het hof, met de kamer, van oordeel dat de notaris niet in gebreke is gebleven met betrekking tot het verschaffen van inzicht inzake het financiële verloop van de nalatenschap ten opzichte van klaagster. Het hof acht de klacht op dit onderdeel ongegrond. 6.4. Ten aanzien van de klachtonderdelen sub b en i, is door klaagster bij brief van 3 december 2003 betoogd dat zij in november 2001 de conceptboedelbeschrijving en verdeling kreeg toegestuurd door de notaris waarin de schuld aan erflaatster met een bedrag te betalen aan rente ad fl. 14.113,95 was opgenomen. Naar de mening van klaagster realiseerde zij zich voor het eerst dat zij dit bedrag verschuldigd was. Bovendien is klaagster van mening dat de notaris haar eerder hierover had moeten informeren. 6.5. Het hof stelt voorop dat klaagster op 23 augustus 1985 de schuldbekentenis heeft ondertekend, waaruit blijkt dat zij per 1 januari 1986 6% rente verschuldigd is over fl. 24.000,--. Voorts stelt het hof vast dat, zoals blijkt uit de stukken, er successieaangifte is gedaan door de notaris, waaruit de schuld dient te blijken. Op 23 oktober 1992 is de aangifte in concept aan klaagster gezonden. In 1994 is een voorlopige aanslag opgelegd. In de loop der jaren is er diverse malen uitstel gevraagd door de notaris voor het indienen van de aangifte, dit naar aanleiding van het feit dat klaagster het niet eens was met de inhoud van de aangifte. Klaagster wordt derhalve bekend verondersteld met de aangifte. Het bovenstaande blijkt uit de lijst van verrichtte werkzaamheden zoals overgelegd door de notaris. Voorts heeft klaagster geprocedeerd inzake de nalatenschap van erflaatster bij de rechtbank te Leeuwarden tegen haar broer, waarbij op 5 februari 1999 de procedure is geschikt. Ook in deze procedure dient de vermogensopstelling ter sprake te zijn gekomen. Het hof is dan ook van oordeel dat klaagster bekend mag worden verondersteld met de vermogenspositie inclusief de schuld met rente voordat zij de conceptboedelbeschrijving en verdeling onder ogen kreeg. Dit klemt te meer, nu klaagster met de notaris vanaf het moment van overlijden van erflaatster doende is geweest met de nalatenschap van erflaatster tot aan het indienen van de klacht. Onder deze omstandigheden valt de notaris niet te verwijten dat hij klaagster ter zake onvoldoende heeft geïnformeerd 6.6. Het hof zal de motivering van de kamer eveneens volgen met betrekking tot klachtonderdeel sub c. Ook het hof is van oordeel dat uit de inhoud en omvang van de overgelegde correspondentie blijkt dat de notaris klaagster geen informatie heeft onthouden, dan wel dat hij haar niet in de afwikkeling heeft betrokken. Voorts is het hof van oordeel dat de stand van zaken per overlijdensdatum bepalend is voor enige aanspraak dienaangaande. Derhalve acht het hof ook dit klachtonderdeel ongegrond. 6.7. Voor zover klaagster de notaris verwijt dat hij handelt als executeur van de nalatenschap in opdracht van de broer van klaagster (sub e ), dat hij klaagster niet als volwaardig erfgename zou behandelen (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.