GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Vierde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een beslissing van de Inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is op 27 mei 2003 ter griffie van het gerechtshof een beroepschrift ontvangen, ingediend door A (...) te Q als zijn gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de beslissing van de inspecteur, vervat in een brief van - naar het Hof verstaat - 16 april 2003. In deze brief reageert de inspecteur op een brief van de gemachtigde van 1 april 2003 inzake het bezwaar tegen de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1990, alsmede tegen de navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1991 en de daarbij opgelegde verhogingen ter grootte van 100% van de nagevorderde belastingen, van welke verhogingen geen kwijtschelding is verleend. Het beroep strekt tot vernietiging van de beslissing van de inspecteur en van evenvermelde navorderingsaanslagen. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert primair tot het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep en subsidiair tot vernietiging van zijn beslissing en terugwijzing van de zaak. Ter zitting van 19 december 2003 zijn verschenen namens belanghebbende voornoemde gemachtigde, vergezeld van B, en namens de inspecteur C., vergezeld van D, E en F. De gemachtigde heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Ter zitting is met instemming van partijen gelijktijdig behandeld het beroep van een andere cliënt van de gemachtigde, welk beroep bij het Hof is geadministreerd onder kenmerk 03/02527. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Naar aanleiding van aan de inspecteur bekend geworden gegevens inzake een buitenlandse bankrekening zijn met dagtekening 31 december 2002 de onder 1 vermelde navorderingsaanslagen en verhogingen aan belanghebbende opgelegd. Dit is geschied in het kader van het zogenoemde 'rekeningenproject' van de Belastingdienst. 2.2. Tegen deze navorderingsaanslagen en verhogingen is bij brief van de gemachtigde van belanghebbende, gedagtekend 21 januari 2003 en door de inspecteur ontvangen op 22 januari 2003, bezwaar gemaakt. In het bezwaar wordt onder meer een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en op artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO). 2.3. Bij brief van 28 januari 2003 deelt de inspecteur onder meer het volgende aan de gemachtigde van belanghebbende mee: "De Belastingdienst is zich bewust van het bestaan van een aantal verschillen van inzicht tussen inspecteur en belanghebbenden in het kader van het rekeningenproject. In de meeste gevallen gaat het daarbij om vragen over de volgende fiscaal juridische onderwerpen: - de (on)rechtmatigheid van het gebruik van informatie door de inspecteur; - het al dan niet handelen door de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van bestuur; - het recht van de inspecteur om een boete op te leggen en de hoogte van die boete - de toepasselijkheid van de inkeerbepaling. Momenteel voeren de Belastingdienst en (...) Advocaten Notarissen Belastingadviseurs vanuit een oogpunt van proceseconomie overleg teneinde op een zo kort mogelijke termijn de bovengenoemde geschilpunten voor te leggen aan de fiscale rechter. Voor meer informatie met betrekking tot dat overleg en die procedures kunt u terecht op de volgende websites: (...). Ik verzoek u mij te berichten of u instemt met het aanhouden van uw bezwaar totdat op deze procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. Indien u instemt met het aanhouden van uw bezwaar zal ik u na het onherroepelijk worden van de uitspraken voor voornoemde procedures in de gelegenheid stellen om te worden gehoord. (...)." 2.4. Bij brief van 4 februari 2003 schrijft de gemachtigde onder meer het volgende aan de inspecteur: "Nu een aanslag met een boete is opgelegd, heeft belanghebbende recht op een spoedige afwikkeling van het ingediende bezwaar. Daarbij rijst de vraag welk concreet belang bestaat aan de zijde van de Belastingdienst bij het verzoek om instemming door de belastingplichtige. In afwijking van de Awb hebt U al het recht de uitspraak op het bezwaar een jaar aan te houden (...). Daarenboven zal in het kader van het rekeningenproject de afdoeningsperiode (...) nogmaals met een jaar (kunnen) worden verlengd. Uw verzoek om instemming lijkt daarmee opportuun over twee jaren, als op dat moment de in Uw brief genoemde procedures nog niet zijn afgerond. Gaarne verneem ik nog welk concreet belang bestaat bij instemming, zodat ik Uw verzoek met mijn cliënt kan bespreken. (...)." 2.5. Nadat de inspecteur zijn verzoek heeft herhaald in zijn brief van 5 februari 2003 schrijft de gemachtigde onder meer het volgende: "Namens cliënt kan ik U mededelen dat hij de aanslagen inclusief boeten als bijzonder belastend ervaart. Nu niet duidelijk is welk belang cliënt heeft bij instemming, volsta ik thans met een verwijzing naar de wettelijke termijnen die U ter beschikking staan. (...)." 2.6. Bij brief van 28 februari 2003 (abusievelijk gedagtekend 28 januari 2003) deelt de inspecteur onder meer het volgende aan de gemachtigde mee: "(...) op grond van artikel 25, lid 1, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) de termijn voor de afdoening van een bezwaar een jaar na ontvangst van het bezwaar is. Ik zal voorlopig nog geen uitspraak doen op uw bezwaar. De reden hiervoor is dat ik wil wachten op de uitkomsten van andere procedures welke gevoerd zullen worden over een aantal belangrijke, en voor uw bezwaar relevante, rechtsvragen welke spelen binnen het rekeningenproject. Zodra ik de uitkomsten van die procedures ken neem ik contact met u op. Voor de volledigheid merk ik op dat de termijn van 1 jaar eventueel nog verlengd kan worden." 2.7. Bij brief van 27 maart 2003 schrijft de gemachtigde onder meer het volgende aan de inspecteur: "(...) dat cliënt uitdrukkelijk niet instemt met een aanhouding. (...) Voorts leidt cliënt uit Uw brief af dat ook door U aan de rechtmatig- en juistheid van de aanslagen ernstig getwijfeld wordt. Dat deze (deels) in stand zullen blijven, staat dus geenszins vast. Deswege verzoeken wij u ten minste de opgelegde boeten per omgaande te vernietigen." 2.8. Bij brief van 31 maart 2003 schrijft de inspecteur onder meer het volgende aan de gemachtigde: "Ik heb uw brief ontvangen en voor kennisgeving aangenomen. (...) De termijn van artikel 25, lid 1, AWB hanteer ik uit proceseconomische overwegingen. Uw instemming heb ik daarvoor niet nodig. (...)". 2.9. Bij brief van 1 april 2003 schrijft de gemachtigde onder meer aan de inspecteur: "In goede orde ontving ik uw brief waarin u het verzoek om aanhouding toelicht. Hieruit maak ik op dat U in ieder geval voornemens bent de namens cliënt ingediende bezwaarschriften aan te houden tot er in de proefprocedure op een aantal hoofdvragen is beslist. Nu aanslagen met boeten zijn opgelegd, heeft belanghebbende recht op een spoedige afwikkeling van het ingediende bezwaar. (...) Tenslotte gaan wij er voorshands vanuit dat cliënt gedurende de aanhouding - behoudens ingeval van verstrijken van termijnen - niet (opnieuw) wordt geconfronteerd met (navorderings)aanslagen (en boeten). " 2.10. Bij brief van 16 april 2003 (abusievelijk gedagtekend 1 april 2003) schrijft de inspecteur, onder verwijzing naar de brief van de gemachtigde van 1 april 2003, onder meer het volgende: "Betreft: X/fiscus, uw brief van 1 april 2003 Geachte heer A, U verzoekt (...) geen navorderingsaanslag(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.