GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 22 juli 2004 in de zaak onder rekestnummer 1163/2003 NOT van: [appellant], wonende te[plaats], APPELLANTE, advocaat: mr.drs. G.E.M Mesters, gemachtigde: W. van Bentem, t e g e n [geïntimeerde] oud-notaris te [plaats], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. J.A. Huijgen. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Namens appellante, verder te noemen klaagster, is bij een op 13 november 2003 ter griffie ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Gravenhage, verder te noemen de kamer, van 15 oktober 2003 waarbij de door klaagster tegen geïntimeerde, hierna te noemen de oud-notaris, ingediende klacht niet-ontvankelijk is verklaard. 1.2. Op 22 december 2003 is van de zijde van klaagster een aanvullend rekest tevens houdende wijziging van eis, ter griffie van het hof ingekomen. 1.3. Van de zijde van de oud-notaris is op 27 januari 2004 een verweerschrift met één bijlage ingekomen. 1.4. Van de zijde van klaagster is op 2 februari 2004 een groot aantal producties ingekomen, waarop de oud-notaris bij brief van 11 februari 2004 zijn reactie gegeven heeft. 1.5. Op 7 juni 2004 is van de zijde van klaagster een brief ingekomen, waarin de gemachtigde van klaagster als zodanig wordt geïntroduceerd. 1.6. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 10 juni 2004. Verschenen zijn klaagster, haar advocaat en haar gemachtigde; de notaris en zijn advocaat. Allen hebben het woord gevoerd. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in haar beslissing van 15 oktober 2003 heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. 4. Het standpunt van klaagster 4.1. Klaagster verwijt de oud-notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij het verlijden van de akte verdeling huwelijksgoederengemeenschap op 18 november 1996. Hij heeft klaagster niet correct bejegend, hij was niet onpartijdig en heeft haar belangen ook niet op andere punten naar behoren behartigd. 4.2. In de eerste plaats is klaagster van mening dat de oud-notaris buiten medeweten en aanwezigheid van klaagster de akte op verzoek van haar ex-echtgenoot heeft verleden. Zij heeft de oproeping noch de conceptakte ontvangen. Klaagster was destijds verhuisd en zij heeft de oproeping pas veel later onder ogen gekregen. 4.3. Voor het geval klaagster toch geacht moet zijn aanwezig te zijn geweest bij het verlijden van de akte op 18 november 1996, stelt zij dat zij toen wilsonbekwaam zou zijn geweest en dat dit voor de oud-notaris kenbaar zou moeten zijn geweest. 4.4. Voorts beklaagt klaagster zich er over dat de akte gepasseerd is zonder dat de volmachten van de zoons van klaagster op juiste wijze zijn geverifieerd. Door deze handelwijze van de oud-notaris zijn de zoons van klaagster benadeeld. 4.5. Klaagster verzoekt het hof in de thans aanhangige procedure de oud-notaris te bevelen een kopie van zijn aantekeningen uit zijn kantooragenda over te leggen. Tevens verzoekt zij het hof te gelasten dat de oud-notaris een afschrift van het “voorlopig koopcontract” betreffende het registergoed aan de Marconistraat 55 te ‘s-Gravenhage overlegt. Tenslotte verzoekt klaagster het hof om de oud-notaris te veroordelen in de kosten van de procedure. 4.6. Klaagster heeft bewijs aangeboden van al haar stellingen, met alle middelen rechtens, in het bijzonder door het horen van getuigen onder wie haar zoon [N] 5. Het standpunt van de notaris 5.1. De oud-notaris betwist de klacht ten stelligste en stelt dat klaagster wel degelijk de persoon is geweest die voor hem is verschenen op 18 november 1996 ter zake van het passeren van een akte van verdeling. In dat verband wijst de notaris er op dat hij klaagster en haar ex-echtgenoot gewezen heeft op de gevolgen van de voorgenomen verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Bovendien was klaagster al eerder bij de oud-notaris op kantoor geweest. 5.2. De oud-notaris verklaart desgevraagd dat hem - voor zover hij zich kan herinneren - niets is opgevallen aan klaagster wat zou moeten duiden op een bij haar bestaand wilsgebrek. Eveneens desgevraagd heeft de oud-notaris verklaard dat hij in gevallen waarin hij twijfelde aan de bekwaamheid van een van de betrokken partijen hij de comparanten naar huis heeft gestuurd en niet is overgegaan tot het passeren van de akten. 5.3. Ten aanzien van de volmachten van de zoons van klaagster verweert de oud-notaris zich als volgt. De oud-notaris vermag niet in te zien op welke wijze de zoons van klaagster benadeeld zouden zijn; aan hun positie is niets veranderd. Dit geldt te meer nu de zoons geen partij zijn bij onderhavige procedure. 6. De beoordeling 6.1. Het verzoek van klaagster om de medewerking van de oud-notaris te gelasten teneinde de door klaagster verlangde stukken over te leggen en het verzoek aan het hof om de notaris te veroordelen in de kosten van de procedure, zijn ter zitting namens klaagster ingetrokken, zodat deze verzoeken geen nadere bespreking behoeven. 6.2. Het hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt. 6.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven. 6.4. Het hof zal het bewijsaanbod van klaagster afwijzen, reeds omdat dit onvoldoende onderbouwd dan wel niet ter zake dienend is. Het vooroverwogene leidt tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - verwerpt het beroep. Deze beslissing is gegeven door mrs. Stille, Rang en Van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 22 juli 2004. Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen ’sGravenhage Beslissing inzake de klacht onder nummer 02-52 van: [klaagster] wonende te [woonplaats], hierna ook te noemen klaagster, gemachtigde: mevrouw mr. drs. G.E.M. Mesters te Amsterdam, tegen [notaris], oud-notaris te [plaats], hierna ook te noemen de notaris, gemachtigde: mr. J.A. Huijgen te ’s-Gravenhage. De procedure De Kamer heeft kennisgenomen van: ? de klacht, ingekomen op 3 december 2002; ? het verweerschrift van de notaris; ? de repliek van klaagster; ? de dupliek van de notaris. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2003. Daarbij waren aanwezig: ? klaagster, vergezeld door haar gemachtigde en door de heer W.E. Bentem, juridisch medewerker van het kantoor van de gemachtigde; ? de notaris, vergezeld door zijn gemachtigde. De feiten 1. Klaagster is gehuwd geweest met de heer [N]. Het huwelijk is in 1994 ontbonden door echtscheiding. Vóór 1994 heeft klaagster ten minste eenmaal persoonlijk contact gehad met de notaris, die kantoor hield in Den Haag. 2. In 1995 hebben klaagster en haar ex-echtgenoot via hun respectieve advocaten met elkaar gecorrespondeerd over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Blijkens een brief van 18 november 1994 van haar advocaat aan de raadsman van haar ex-echtgenoot heeft klaagster te kennen gegeven dat zij het psychisch niet meer aankan en, louter om de zaak te kunnen sluiten, instemt met een “forse overbedeling” van haar ex-echtgenoot. In een brief van 13 april 1995 heeft haar advocaat onder meer vermeld: “Een, naar ik aanneem, laatste punt dat nog moet worden geregeld is het pensioen.” 3. Op 18 november 1996 is ten overstaan van de notaris een akte “verdeling huwelijksgoederengemeenschap” opgemaakt. De akte vermeldt dat op die datum voor de notaris zijn verschenen: [N] voormeld (mede namens de twee zoons van hem en klaagster) en klaagster zelf. Verdeling volgens de akte leidt tot overbedeling van de ex-echtgenoot van klaagster. Onderaan de minuut van de akte, die een ruim aantal doorhalingen en bijschrijvingen bevat, zijn – naar luid van de akte – de handtekeningen van de beide comparanten en van de notaris geplaatst. Een van de aangebrachte wijzigingen betreft de toevoeging van de bepaling dat de beide comparanten aanspraak maken op verevening van hun pensioenrechten; in het concept was op dit punt vermeld dat zij afzien van enige verevening. In de akte is vermeld dat de notaris de identiteit van klaagster heeft vastgesteld aan de hand van haar paspoort. De notaris beschikte over (een fotokopie van) dit paspoort. Hij was ten tijde van het verlijden van deze akte niet op de hoogte van de onder 2 bedoelde correspondentie. 4. De notaris had klaagster een schriftelijke oproeping gezonden voor het passeren van de onder 3 bedoelde akte. Deze oproeping (met de concept-akte van verdeling) is gestuurd naar het adres – Marconistraat 55 te ’sGravenhage – waar klaagster en haar ex-echtgenoot hadden samengewoond, maar waar op dat moment alleen laatstgenoemde was ingeschreven; klaagster had toen een ander adres. De oproeping bevatte (in elk geval) een onjuistheid met betrekking tot het testament van klaagster. In de akte van 18 november 1996 is voor de beide comparanten het zelfde adres, Marconistraat 55 te ’sGravenhage, vermeld. 5. Klaagster heeft (tijdens
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.