GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 22 juli 2004 in de zaak onder rekestnummer 1097/2003 NOT van: 1.[appellant], wonende te [woonplaats], 2.[appellant], 3.[appellant], 4.[appellant], allen wonende te [woonplaats], APPELLANTEN, t e g e n [geïntimeerde], kandidaat-notaris te [plaats], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. M.F.J.J.M. TIJSSEN. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 22 oktober 2003 ingekomen een geschrift – met bijlagen – namens appellanten, verder te noemen klagers, waarbij zij hoger beroep hebben ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond, verder te noemen de kamer, van 2 oktober 2003, waarbij de klacht tegen geïntimeerde verder te noemen de notaris ongegrond is verklaard. 1.2.Van de zijde van de kandidaat-notaris is op 24 december 2003 een verweerschrift met bijlagen ter griffie van het hof ingekomen. 1.3. OP 10 juni 2004 is van de zijde van de advocaat van de kandidaat-notaris een brief ter griffie van het hof ingekomen, waarin de advocaat mededeelt dat zowel zijn cliënt als hij zelf niet ter zitting zullen verschijnen. 1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 10 juni 2004. Verschenen zijn klagers sub 1 en 2. De kandidaat-notaris is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Klager sub 1 heeft aan de hand van een pleitnotitie het woord gevoerd. Ter zitting heeft klager sub 1 enkele foto’s betreffende ondermeer het registergoed overgelegd alsmede een ongedateerde brief van D.J.W. Heerholtz, verder te noemen Heerholtz. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie als mede van de hiervoor genoemde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer daaromtrent in haar beslissing van 2 oktober 2004 heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. 4. Het standpunt van klagers 4.1. Klagers verwijten kandidaat-notaris dat hij bij de levering op 2 augustus 1999 van de registergoederen te Weert gelegen aan de Wilhelminastraat 49,51 en 53 heeft verzuimd de akte van notaris mr. Verhallen van 30 november 1992, met daarin opgenomen een anti-speculatiebeding, te hanteren. Klagers zijn van mening dat de kandidaat-notaris klagers vooraf had dienen te informeren over de litigieuze verkoop. 4.2. Voorts heeft de kandidaat-notaris dienaangaande verzuimd een berekening te maken om te bepalen of er van meerwinst sprake is. Klagers zijn van mening dat zij door het onzorgvuldig handelen van de kandidaat-notaris ernstig zijn benadeeld en achten de kandidaat-notaris hiervoor aansprakelijk. 5. Het standpunt van kandidaat-notaris 5.1. De kandidaat-notaris betwist ten stelligste de stellingen van klagers. In het bijzonder betwist hij dat het anti-speculatiebeding zich zou richten tot hem in plaats van de betrokken deelgenoot Heerholtz. De kandidaat-notaris is van mening dat hij geen zelfstandige controleverplichting heeft bij het vervolg van een anti-speculatiebeding uit een eerdere akte. De kandidaat-notaris heeft Heerholtz juist op zijn verplichting voortvloeiend uit die akte gewezen. De kandidaat-notaris is van mening dat het hem niet vrij stond zijn ministerie te weigeren. Ook stond het hem niet vrij uit hoofde van zijn geheimhoudingsplicht klagers te informeren over de ophanden zijnde verkoop van de registergoederen. In dat verband wijst de kandidaat-notaris er op dat de verplichting van Heerholzt pas in werking treedt na het passeren van de akte. 5.2. De kandidaat-notaris wijst de aansprakelijkheid tot betaling van hetgeen klagers uit hoofde van het anti-speculatiebeding menen te hebben op de kandidaat-notaris af. Heerholtz, als vervreemder van het registergoed, dient hiertoe aangesproken te worden. Voorts wijst de kandidaat-notaris er op dat klagers de indexatie niet geheel juist berekend hebben door het hanteren van een onjuist prijsindexcijfer over 1992 en 1999. Ook de waarde van het registergoed hebben klagers onjuist berekend door het grondoppervlak te delen door de totale verkoopwaarde van de drie registergoederen. Op basis van de schriftelijke verklaring van de makelaar en beëdigd taxateur J. Saelmans van 10 april 2004 is er zijns inziens geen sprake van enige afrekeningverplichting op basis van het anti-speculatiebeding. De kandidaat-notaris achtte zich dan ook vrij om de akte te verlijden. 6. De beoordeling 6.1. Het hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt. 6.2. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven. 6.3. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - verwerpt het beroep. Deze beslissing is gegeven door mrs. Schipper, Stille, Van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 22 juli 2004. Kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond Nummer: KL 2/2003 BESLISSING van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond in de zaak van: mev[J], mede namens de heer [J], mevrouw [W] en de heer [W], wonende te [adres], hierna tezamen ook aangeduid als [J] c.s., tegen: kandidaat-notaris mr. [M], werkzaam op het kantoor van notaris mr [V], gevestigd te [plaats], correspondentieadres postbus 2720, 6030 AA [plaats], hierna te noemen [de notaris]. De inhoud van het procesdossier De kamer doet recht op de volgende processtukken: - de schriftelijke klacht van [J] c.s. van 24 maart 2003 met bijlagen, door de kamer via de KNB op 8 april 2003 ontvangen; - de schriftelijke reactie van de raadsman van [de notaris], mr. M.F.J.J.M. Tijssen van 16 mei 2003; - de brief van [J] c.s. van 23 juni 2003 met één bijlage; - de schriftelijke reactie van mr. Tijssen voornoemd van 30 juli 2003. De openbare behandeling De kamer heeft de klacht op 11 september 2003 in het openbaar behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen mevrouw [klaagster], de heer [J] en [de notaris], laatstgenoemde bijgestaan door mr. M.F.J.J.M. Tijssen, advocaat te Roermond. De kamer heeft partijen in elkaars tegenwoordigheid gehoord. De vaststaande feiten De kamer gaat uit van de volgende, tussen partijen vaststaande feiten. Op 12 januari 1992 is te Weert overleden mevrou[K], geboren te Weert op 20 juli 1922. Mevrouw [K] had bij testament van 16 juli 1991 tot enige en algemene erfgenamen van haar gehele nalatenschap, ieder voor een/zesde onverdeeld aandeel benoemd [J] c.s. alsmede M.W.M.M. Hinterholzer-Heerholtz en de heer D.W.J. Heerholtz. Van de nalatenschap van mevrouw [K] maakten deel uit de woonhuizen met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen te Weert, Wilhelminastraat 51 en 53, groot drie aren en negentien centiaren. Op 30 november 1992 heeft bij akte van notaris mr. W.H.M. Verhallen te Weert op grond van een tussen de erfgenamen gesloten mondelinge overeenkomst de verdeling en levering van de hiervoor vermelde woonhuizen als volgt plaatsgehad: de volle en vrije eigendom van de woonhuizen werd toegedeeld aan de heer D.W.J. Heerholtz met voor deze de last en de verplichting wegens overbedeling een bedrag van ƒ 21.250,-- uit te keren aan ieder van de andere hiervoor genoemde erfgenamen. In deze akte is verder het volgende anti-speculatiebeding opgenomen: Ingeval de comparant sub 5 (D.W.J. Heerholtz, toevoeging kamer) gedurende het tijdvak van tien jaren na heden de bij deze akte aan hem toegedeelde onroerende zaak met toebehoren (de woonhuizen, toevoeging kamer) vervreemdt, is hij verplicht aan ieder van zijn mede-deelgenoten af te dragen een/zesde gedeelte van de zogenaamde verkoopwinst. Onder verkoopwinst wordt te dezen verstaan het verschil tussen: a. de geïndexeerde overdrachtsprijs; en b. de feitelijke doorverkoopprijs. Onder geïndexeerde overdrachtsprijs wordt te dezen verstaan de getaxeerde waarden van voormelde panden, leeg en ontruimd, zijnde vijf en tachtig duizend gulden (ƒ 85.000,00) respectievelijk zeventig duizend gulden (ƒ 70.000,00), tezamen eenhonderd vijf en vijftig duizend gulden (ƒ 155.000,00), te vermeerderen met de aan het verkochte toegevoegde waarde ingevolge door en voor rekening van de comparant sub 5 genoemd na heden aangebrachte verbeteringen, vermenigvuldigd met een factor. Voor het berekenen van deze factor worden gehanteerd de kwartaalprijsindexcijfers van het nieuwbouwwoningen vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deze factor wordt verkregen door het indexcijfer van het desbetreffende kwartaal van het jaar van doorverkoop te delen door het indexcijfer van het kwartaal waarin de passeerdatum van deze akte valt. Deze factor zal worden afgerond op twee decimalen en zal overigens nooit lager mogen zijn dan één. Als gevolg daarvan zal de geïndexeerde overdrachtsprijs nooit lager zijn dan laatstgemelde getaxeerde waarden. Onder feitelijke doorverkoopprijs wordt te dezen verstaan de opbrengst van de onroerende zaak. Op 14 april 1999 hebben D.W.J. Heerholtz en zijn echtgenote H.C.F. van Donschot met Ringproject Nederland B.V. en Weerter Land Projectcentrum B.V. een overeenkomst gesloten, waarbij zij aan deze vennootschappen voor de prijs van ƒ 812.500,-- hebben verkocht de woonhuizen met aanhorigheden, erf ondergrond en tuin, staande en gelegen te Weert aan de Wilhelminastraat 49, 51 en 53, tezamen groot elf aren en tien centiaren. De levering heeft plaatsgevonden bij notariële akte, die op 2 augustus 1999 werd verleden ten overstaan van [de notaris] als plaatsvervanger van mr. [V], notaris te [plaats]. [De notaris] heeft Heerholtz in het kader van het verlijden van de leveringsakte van 2 augustus 1999 gewezen op zijn mogelijke verplichtingen op grond van het anti-speculatiebeding. De mededeling van Heerholtz dat van verkoopwinst geen sprake was, heeft [de notaris] geverifieerd bij een beëdigd taxateur. De inhoud van de klacht De klacht houdt - zakelijk weergegeven - in dat [de notaris] bij de levering van de woonhuizen op 2 augustus 1999 heeft verzuimd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.