GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 8 juli 2004 in de zaak onder rekestnummer 1078/03 GDW van: [naam], gerechtsdeurwaarder te [plaats], APPELLANT, advocaat: mr. J.A. van Ham t e g e n [naam], wonende te [plaats], GEÏNTIMEERDE, gemachtigde: J.H.A. Geerlings en de zaak onder rekestnummer 1088/03 GDW van: [naam], wonende te [plaats], APPELLANT, gemachtigde: J.H.A. Geerlings t e g e n [naam], gerechtsdeurwaarder te [plaats], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. J.A. van Ham 1. Voeging van beide zaken in hoger beroep De over en weer door partijen aangespannen procedures in hoger beroep tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 9 september 2003, zijn door het hof buiten bezwaar van partijen gevoegd daar zij op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en tussen dezelfde partijen aanhangig zijn die ook in eerste aanleg tegenover elkaar stonden. 2. Het verloop van de procedure in de gevoegde zaken 2.1. Namens appellant in de zaak met rekestnummer 1078/03 GDW, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 13 oktober 2003 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer. Op 25 november 2003 is namens de gerechtsdeurwaarder een brief – met een bijlage – ingekomen. Op 31 december 2003 is namens geïntimeerde, hierna te noemen klager, een verweerschrift ingediend. Bij de bestreden beslissing van de kamer is het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 5 november 2002, waarin de voorzitter van de kamer de klacht van klager als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, gegrond verklaard, de bedoelde beslissing van de voorzitter van de kamer vernietigd en de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan de gerechtsdeurwaarder is de maatregel van berisping opgelegd, met aanzegging dat, indien andermaal door hem een van de in artikel 34, eerste lid, bedoelde handelingen of verzuimen wordt gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen. 2.2. Door appellant in de zaak met rekestnummer 1088/03 GDW, verder te noemen klager, is bij een op 20 oktober 2003 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift hoger beroep ingesteld tegen de genoemde beslissing van de kamer. Namens geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder is op 21 november 2003 een verweerschrift ter griffie ingediend. Voorts is op 25 november 2003 namens de gerechtsdeurwaarder een brief – met een bijlage - ingekomen waarin hij klager nadere vragen stelt. 2.3. De zaken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 mei 2004. Verschenen zijn klager, zijn gemachtigde, de gerechtsdeurwaarder en zijn advocaat. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde en de advocaat onder meer aan de hand van pleitnotities. 3. De ontvankelijkheid van het hoger beroep in de zaak met rekestnummer 1088/2003 GDW In deze zaak stelt de gerechtsdeurwaarder zich in de eerste plaats op het standpunt dat klager zijn verzoekschrift niet tijdig heeft ingediend. De beslissing van de kamer, waartegen het hoger beroep zich richt, is verzonden op 18 september 2003. Artikel 45, lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet, hierna: GDW, bepaalt, kort samengevat, dat tegen een beslissing van de kamer binnen dertig dagen na dagtekening van de schriftelijke kennisgeving hoger beroep kan worden ingesteld. De termijn verliep derhalve op zaterdag 18 oktober 2003. Echter op basis van artikel 1, lid 1, van de Algemene Termijnenwet wordt deze termijn verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Hieruit volgt dat de termijn eindigde op maandag 20 oktober 2003, de dag waarop het verzoekschrift ter griffie van het hof is ingekomen. Klager is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep. 4. De stukken van de gedingen Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 5. Beoordeling van de bestreden beslissing Het hof kan zich niet verenigen met de beslissing van de kamer en zal deze derhalve vernietigen. Het hof is van oordeel dat de kamer niet gelijktijdig tot een behandeling van het verzet en een inhoudelijke behandeling van de klacht kon overgaan zonder behoorlijke oproeping voor het tijdstip van behandeling van de klacht. Aangezien het hof hiervan niet is gebleken kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven. 6. De feiten in beide zaken Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden: a. Bij vonnis van 9 januari 2002 heeft de kantonrechter te Wageningen klager veroordeeld tot betaling van een bedrag in hoofdsom ad € 1.979,39 te vermeerderen met de wettelijke rente, en is klager in de kosten van de procedure veroordeeld. b. Bij exploot van 12 februari 2002 heeft de gerechtsdeurwaarder bovengenoemd vonnis aan klager betekend en gelijktijdig bevel gedaan binnen twee dagen na heden aan de inhoud ervan te voldoen. c. Bij brief van 15 februari 2002 heeft de gerechtsdeurwaarder klager gesommeerd te betalen een bedrag ad € 2.598,67. d. Bij brief van 18 februari 2002 heeft klager de gerechtsdeurwaarder onder meer geschreven: “Op 19 februari doe ik een verzoek tot wraking van de heer kantonrechter mr. Misdorp aangezien hij in deze zaak zowel procedurele als inhoudelijke fouten heeft gemaakt. Ik verzoek u dan ook om deze vordering aan te houden, tot er een uitspraak is op dit verzoek tot wraking.” e. Bij exploot van 27 februari 2002 heeft de gerechtsdeurwaarder klager geïnformeerd over een vergeefse poging om te komen tot beslag op zijn inboedel. Tevens is achtergelaten een betekening van de kosten hieraan verbonden, te weten € 55,18. f. Bij brief van 8 maart 2002 heeft de heer [naam] namens deurwaarderskantoor [naam], geschreven: “Met uw fax van 7 maart 2002 heeft u gemeld in de zaak [naam] verzet te hebben aangetekend tegen het dwangbevel en eventuele beslaglegging. Om te kunnen vaststellen dat opschorting van de executie maatregelen terecht zijn, verzoek ik U mij per omgaande uw verzet bij de Rechtbank te overleggen.” g. Bij brief van 9 maart 2002 weigert klager onder meer de gegevens van zijn verzet ter kennis te brengen van de gerechtsdeurwaarder. 7. Het standpunt van klager 7.1. Kort samengevat verwijt klager de gerechtsdeurwaarder het volgende. De gerechtsdeurwaarder heeft gehandeld in strijd met de eisen van zijn ambt doordat hij: - een vonnis heeft betekend waarvan de rechtmatigheid discutabel is; - kosten in rekening heeft gebracht die discutabel en niet te herleiden zijn; - brieven onbeantwoord heeft gelaten; - zijn ambt heeft misbruikt om illegale eisen te stellen en om onrechtmatig klager onder hoge druk te zetten. 7.2. In zijn verzetschrift tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer breidt klager zijn klacht uit. Behalve over de onder 7.1. genoemde punten beklaagt klager zich onder meer over de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder kantoor houdt en zich presenteert. 7.3. In hoger beroep stelt klager opnieuw de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder kantoor houdt aan de orde en wijst erop dat de gerechtsdeurwaarder hierin geen wijziging heeft aangebracht. 7.4. Tijdens de zitting in hoger beroep verzoekt de gemachtigde van klager om een kostenveroordeling van de gerechtsdeurwaarder. 8.Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder 8.1. De gerechtsdeurwaarder stelt in totaal drie ambtshandelingen te hebben verricht conform de wet- en regelgeving. Voor deze handelingen heeft hij de daarvoor vastgestelde tarieven in rekening gebracht. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder de belangen van klager behartigd door te trachten hem in te lichten over de juiste door hem te volgen rechtsgang. Klager en zijn gemachtigde hebben hier echter geen gebruik van willen maken. 8.2. In hoger beroep voert de gerechtsdeurwaarder aan dat de wijze waarop hij kantoor houdt en zich presenteert geen onderdeel van de oorspronkelijke klacht of van de beslissing van de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders heeft gevormd. Doordat de kamer dit onderdeel van de klacht in behandeling heeft genomen heeft zij de gerechtsdeurwaarder één instantie, namelijk de beoordeling door de voorzitter van de kamer, ontnomen. Wat betreft zijn wijze van presenteren stelt de gerechtsdeurwaarder overigens dat het vervagende onderscheid tussen ambtelijke en niet-ambtelijke werkzaamheden een gevolg is van politieke en beleidsmatige besluitvorming en niet zozeer het gevolg van het handelen van de gerechtsdeurwaarder in kwestie. De gerechtsdeurwaarder stelt dat hij zijn exploten uitbrengt op eigen naam en dat hij noch juridisch, noch financieel een binding met het incassobureau [naam] heeft. De gerechtsdeurwaarder heeft een samenwerkingsovereenkomst met [naam] B.V. Deze vennootschap verricht in opdracht van de gerechtsdeurwaarder alle administratieve handelingen welke nodig zijn voor het kunnen verrichten van aan de gerechtsdeurwaarder opgedragen ambtshandelingen. Verder voldoet het kantoor van de gerechtsdeurwaarder aan de eisen van een goede praktijkuitoefening. 8.3. Tevens stelt de gerechtsdeurwaarder in hoger beroep dat klager noch cliënt noch opdrachtgever is van de gerechtsdeurwaarder. In de optiek van de gerechtsdeurwaarder dient de klacht van klager met betrekking tot de organisatie van zijn kantoor en de samenwerking van zijn kantoor met een ander ook om deze reden niet in behandeling te worden genomen. Daarnaast heeft de tuchtrechtspraak volgens de gerechtsdeurwaarder het karakter van ultimum remedium en staan andere middelen ter beschikking om de beroepsuitoefening van gerechtsdeurwaarderkantoren te stroomlijnen. 8.4. Tot slot beklaagt de gerechtsdeurwaarder zich over de gang van zaken in eerste aanleg. De kamer heeft zich niet gedistantieerd van negatieve uitlatingen van klager en zijn gemachtigde. Voorts heeft de kamer de gerechtsdeurwaarder niet de cautie gegeven en hem niet geadviseerd om zich te laten bijstaan. 9. De beoordeling 9.1. Het hof zal in de eerste plaats de in hoger beroep opgeworpen stelling van de gerechtsdeurwaarder behandelen dat klager geen belang heeft bij de klacht. Met dit standpunt heeft de gerechtsdeurwaarder geen succes. Zijn handelwijze heeft direct gevolg voor de omvang van de door klager te betalen nakosten. Daarmee is het belang van klager onmiskenbaar in geding. 9.2. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder zich beklaagd over de gang van zaken in eerste aanleg. De kamer heeft het onderdeel van de klacht betreffende de kantoororganisatie en presentatie van de gerechtsdeurwaarder, door klager voor het eerst in zijn verzetschrift aangevoerd, in behandeling genomen. Het hof is van oordeel dat de kamer de behandeling van dit klachtonderdeel achterwege had moeten laten nu dit geen onderdeel uitmaakt van de oorspronkelijke klacht, en zal dan ook niet overgaan tot een inhoudelijke behandeling. Dit onderdeel van de klacht, voor het eerst aangevoerd in het verzetschrift van klager, wordt voor behandeling terugverwezen naar de kamer. De overige bezwaren tegen de gang van zaken in eerste aanleg behoeven geen nadere bespreking nu deze door de gerechtsdeurwaarder gestelde tekortkomingen tengevolge van de behandeling in hoger beroep zijn hersteld. 9.3. Het klachtonderdeel betreffende de betekening van het vonnis wordt door het hof als volgt beoordeeld. In zijn algemeenheid is het niet aan de gerechtsdeurwaarder om de rechtmatigheid van een vonnis ter discussie te stellen. Deze rechtmatigheid staat vast totdat een hogere rechter, dan wel dezelfde rechter na verzet, anders heeft beslist. Het had op de weg van klager gelegen om het rechtsmiddel van hoger beroep tegen het vonnis in te stellen. Het betrof hier immers een vonnis dat gewezen was op tegenspraak waartegen niet het (door klager ingestelde) rechtsmiddel van verzet maar dat van hoger beroep openstond. Klager heeft dit nagelaten. Het door klager ingediende wrakingverzoek kan de tenuitvoerlegging van een vonnis niet opschorten. Gelet op de ministerieplicht van de gerechtsdeurwaarder, op basis van artikel 11 GDW, is de gerechtsdeurwaarder terecht overgegaan tot executie. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond. 9.4. Wat betreft de in rekening gebrachte kosten oordeelt het hof als volgt. Het hof kan, in een tuchtprocedure als de onderhavige, een geschil over de omvang van die nakosten en executiekosten slechts marginaal toetsen. Het hof wil in deze kwestie voorop stellen dat in de proceskostenveroordeling bij vonnis van 9 januari 2002 besloten ligt dat de zogenoemde “nakosten” voor rekening van klager komen alsmede dat de executie van dit vonnis zich tot die kosten mag uitstrekken. Voor de zogenoemde executiekosten ligt het anders. Zij worden verhaald door middel van de executie zelf op basis van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften. Het hof komt na marginale toetsing, en mede in aanmerking nemende het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders, tot het oordeel dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die tot het oordeel nopen dat de gerechtsdeurwaarder in redelijkheid niet tot het in rekening brengen van bedoelde kosten had kunnen komen. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond. 9.5. Het klachtonderdeel waarin klager stelt dat de gerechtsdeurwaarder zijn brieven niet beantwoordt, wordt door het hof als volgt beoordeeld. De correspondentie zoals deze uit het dossier blijkt komt het hof niet als onzorgvuldig voor. Het hof is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder er goed aan had gedaan om de brief van 18 februari 2002, waarin de gemachtigde van klager onder meer vraagt om uitleg van de verschillende genoemde tarieven in de specificatie van 15 februari 2002, te beantwoorden. De gerechtsdeurwaarder heeft dit echter nagelaten. Voor het overige bieden de overgelegde stukken onvoldoende houvast om te komen tot het oordeel dat de gerechtsdeurwaarder brieven onrechtmatig beantwoord heeft gelaten. Het hof acht dit onderdeel van de klacht gegrond doch niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. 9.6. Tot slot acht het hof de klacht van klager dat de gerechtsdeurwaarder zijn ambt heeft misbruikt om illegale eisen te stellen en om onrechtmatig klager onder hoge druk te zetten onvoldoende onderbouwd en derhalve ongegrond. 9.10. Het hof wijst het verzoek van gemachtigde van klager tot vergoeding van de kosten door de gerechtsdeurwaarder af reeds omdat voor toewijzing van een dergelijk verzoek in het kader van een tuchtprocedure geen plaats is. 9.11. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven. Het vooroverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing. 9. De beslissing Het hof: in beide zaken: - vernietigt de beslissing van de kamer van 9 september 2003; - verwijst terug naar de kamer het onderdeel van de klacht zoals behandeld in rubriek 9.2.; - verklaart ongegrond de onderdelen van de klacht zoals behandeld in de rubrieken 9.3., 9.4. en 9.6.; - verklaart gegrond het onderdeel van de klacht zoals behandeld in rubriek 9.5.; - wijst af het verzoek tot vergoeding van de kosten van klager. Deze beslissing is gegeven door mrs. Schipper, Van der Reep en Van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 8 juli 2004. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 9 september 2003 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet in de zaak met nummer 328.2002 ingesteld door: [ ], wonende te [ ], klager, gemachtigde [ ], tegen: [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagde. 1. Verloop van de procedure Bij beschikking van 5 november 2002 heeft de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders een beslissing ex artikel 39 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet gegeven op een door klager tegen de gerechtsdeurwaarder ingediende klacht. Bij aangetekende brief van 18 november 2002 is klager een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden. Bij brief van 29 november 2002 is klager tegen de beslissing van de voorzitter in verzet gekomen. Het verzet is vervolgens behandeld ter openbare terechtzitting van 24 juni 2003, alwaar klager, zijn gemachtigde en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 9 september 2003. 2. Het verzet en de gronden daarvan Klager heeft in verzet een groot aantal gronden aangevoerd die hierna – deels samengevat – zullen worden vermeld.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.