arrestnummer: rolnummer: 23-000634-03 datum uitspraak: 22 juli 2005 tegenspraak ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 5 februari 2003 in de strafzaak onder parketnummer 13/127016-02 van het openbaar ministerie tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1955], ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres: [adres], thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Noord-Holland Noord, huis van bewaring Zwaag te Zwaag. Omvang van het hoger beroep De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld. Blijkens de appèlakte heeft de officier van justitie zich niet beperkt in haar appèl. De officier van justitie heeft vervolgens het hof een appèlmemorie doen toekomen die alleen is gericht tegen de beslissing van de rechtbank voor zover betreffende de zaak van de moord c.q. doodslag op [slachtoffer 4], tenlastegelegd onder
- Blijkens de brief van 3 februari 2004 van de advocaat-generaal en de mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 februari 2004 wenst het openbaar ministerie het hoger beroep in de zaak van de moord c.q. doodslag op [slachtoffer 4] niet te handhaven. Verdachte is eveneens van het vonnis van de rechtbank in beroep gekomen. Aan verdachte is niet gevraagd of hij tegen de vrijspraken respectievelijk de niet-ontvankelijkheid/heden in appèl is gekomen, maar gelet op de procespositie van verdachte moet worden aangenomen dat het appèl zich slechts richt tegen de bewezenverklaring van de moorden op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep Het openbaar ministerie heeft betreffende het onder 2 tenlastegelegde wegens het ontbreken van belang bij voortzetting van de behandeling van het ingestelde hoger beroep tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep gerequireerd, aangezien het openbaar ministerie thans instemt met het oordeel van de rechtbank dat de tenlastegelegde moord op [slachtoffer 4] niet kan worden bewezen verklaard. Gelet op het voorgaande is het hof, nu het ook zelf daarmee geen redelijk belang van strafvordering geschaad acht, van oordeel dat het openbaar ministerie terzake van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door hem ingestelde beroep. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 23 oktober 2002, 14 januari 2003, 15 januari 2003, 21 januari 2003 en 22 januari 2003 en in hoger beroep van 1 oktober 2003, 15 oktober 2003, 11 november 2003, 4 februari 2004, 6 februari 2004, 8 maart 2004, 10 maart 2004, 25 mei 2004, 11 juni 2004, 30 maart 2005, 31 maart 2005, 24 juni 2005, 4 juli 2005 en 8 juli
- Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 14 januari 2003 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd. Bespreking van gevoerde verweren Namens verdachte is gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging van verdachte, nu sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Daartoe is het volgende aangevoerd: a. Onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie zijn zeer belangrijke veiliggestelde sporen en inbeslaggenomen voorwerpen vernietigd, dit in strijd met de zorgplicht die het openbaar ministerie had tot aan het einde van de verjaringstermijn. Daardoor is verdachte de mogelijkheid ontnomen zijn onschuld aan te tonen. b. In casu is sprake geweest van het onjuist voorlichten door het openbaar ministerie van verdediging, rechtbank en hof met betrekking tot de reden van de onder a. genoemde vernietiging. Tot in hoger beroep is ten onrechte over wateroverlast gesproken als reden voor de vernietiging terwijl er reeds processen-verbaal uit 2002 bij het openbaar ministerie bekend waren waaruit zulks niet bleek. Ten onrechte zijn deze processen-verbaal, hoewel bekend en aanwezig bij het openbaar ministerie, aan de verdediging onthouden. c. Bij de recherche ten tijde van het eerste onderzoek in 1984 (en later in 2002 eveneens) is sprake geweest van een zogenaamde "tunnelvisie", waardoor ten onrechte alle aandacht op verdachte is gericht en twee andere potentiële verdachten, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], al gauw buiten beeld bleven. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Ad a. Vaststaat dat er in 1984, 1991 en 1993 geen geschreven rechtsregel bestond met betrekking tot de duur van de bewaring van in strafzaken inbeslaggenomen goederen. Dit laat onverlet dat van politie en justitie verwacht mag worden dat zij zorgvuldig met de inbeslaggenomen goederen omgaan, mede in het belang van de verdediging van verdachte. Anders dan het hof heeft overwogen naar aanleiding van het op de zitting van 4 februari 2004 gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis is het hof thans van oordeel dat van politie en openbaar ministerie mag worden verwacht dat zij alle goederen in alle zaken waarin het onderzoek zonder resultaat is beëindigd en die nog niet zijn verjaard bewaren. Alleen onder bepaalde omstandigheden is te billijken dat op enig moment in een zaak de beslissing wordt genomen om inbeslaggenomen voorwerpen te vernietigen. Het hof dient thans na te gaan of in deze zaak zodanige omstandigheden zich hebben voorgedaan. In dat verband acht het hof de volgende omstandigheden van belang. In deze zaak is op 29 november 1984 aan verdachte een kennisgeving niet verdere vervolging betekend. Vaststaat dat een aantal in het kader van deze zaak inbeslaggenomen voorwerpen door de politie is vernietigd, naar alle waarschijnlijkheid op of omstreeks 4 januari 1991 en 23 juli
- Aan de hand van het proces-verbaal van 20 september 2002 van [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] is aannemelijk geworden dat de slechte staat waarin een deel van die goederen en sporen zich bevond van dien aard was dat daardoor verder betrouwbaar onderzoek aan deze goederen en sporen onmogelijk was. Overwogen wordt dat niet aannemelijk is geworden dat de inbeslaggenomen goederen en sporen zijn vernietigd om verdachte in enig gerechtvaardigd belang te schaden. Uit het hiernavolgende kan worden afgeleid dat de slechte staat waarin de voorwerpen en goederen zich bevonden niet het gevolg was van grove schuld of nalatigheid van politie en/of justitie. Ad b. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 14, 15, 21 en 22 januari 2003 (pagina 1) heeft mr. W. Anker een preliminair verweer ex art. 283 Sv. gevoerd, inhoudende dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk diende te worden verklaard nu verscheidene processen-verbaal, andere bescheiden en inbeslaggenomen goederen niet meer aanwezig waren. Als reactie op dit verweer heeft het openbaar ministerie bij monde van officier van Justitie mr. N.T. Voorhuis blijkens eerdergenoemd proces-verbaal van de terechtzitting (pagina 2), voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, gesteld: "Het openbaar ministerie is verantwoordelijk voor het completeren van het dossier met belastend en ontlastend materiaal. We hebben daartoe dan ook ons uiterste best gedaan. Zo ook om alles wat er in de zaak [naam] beschikbaar was boven water te krijgen. Het klopt dat er inbeslaggenomen goederen zijn vernietigd. Zij waren wegens wateroverlast niet meer bruikbaar". De rechtbank heeft vervolgens (meergenoemd proces-verbaal van de terechtzitting, pagina 2) het verweer van mr. W. Anker afgewezen, kort gezegd, omdat na het toezenden van de kennisgeving van niet verdere vervolging op 29 november 1984 aan verdachte er op het openbaar ministerie geen zorgplicht meer lag het dossier op orde te houden en uit het betoog van de raadsman niet viel op te maken dat sinds het herleven van de zorgplicht op het moment dat verdachte wederom als verdachte werd aangemerkt, de officier van justitie niet aan die zorgplicht had voldaan. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 november 2003 heeft de getuige [verbalisant 4], voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, verklaard (proces-verbaal van de terechtzitting, p. 3 e.v.): (op vraag 12: "Uit pagina 938 van het dossier blijkt dat een groot aantal T & R sporen op 29 juli 1993 zijn weggegooid dan wel vernietigd. Weet u waarom dit is geschied?"): "Ik weet alleen wat wij zelf onderzocht hebben. In 1993 was er in het archief van het hoofdbureau (het hof begrijpt: aan de Elandsgracht 117 te Amsterdam) sprake van wateroverlast. Er was namelijk een waterleiding gesprongen. Hierdoor waren sommige sporen onbruikbaar geworden. Ik heb "van horen zeggen" dat destijds een commissaris heeft besloten tot vernietiging van de onbruikbare sporen. Immers, door vermenging met water waren vele sporen niet meer bruikbaar". (op vraag 13: "De sporen leken te zijn opgeslagen in kelder P van het hoofdbureau, is in deze kelder wateroverlast geweest?"): "Ik heb van horen zeggen dat de sporen in het onderzoek waren opgeslagen in kelder P van het hoofdbureau. Ook heb ik van horen zeggen dat in kelder P wateroverlast is geweest. Ik ben er echter niet bij geweest". (op vraag 16: "Is hier proces-verbaal van opgemaakt?"): "Ik weet niet of hier een proces-verbaal van is opgemaakt. Ik heb hier wel naar gezocht maar ik heb niets gevonden. Ik heb naar de toenmalige betrokken personen gezocht". Op 30 januari 2004 heeft voornoemde getuige een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de vernietiging van de inbeslaggenomen voorwerpen in de zaak Bolhaar opgemaakt en vervolgens aan het hof doen toekomen. Bij dit proces-verbaal zijn kopieën van drie processen-verbaal gevoegd. Het eerste proces-verbaal is op 23 januari 2002 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5]. Uit dit proces-verbaal blijkt dat een aantal inbeslaggenomen goederen is vernietigd op of omstreeks 4 januari 1991, een ander deel op of omstreeks 29 juli 1993, terwijl weer een ander deel op 11 juli 1984 is teruggegeven aan verdachte. Het tweede proces-verbaal is het onder ad a. genoemde proces-verbaal van 20 september 2002, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Uit dit proces-verbaal blijkt dat met betrekking tot de vernietiging van genoemde goederen en sporen een aantal politiefunctionarissen is gehoord, te weten [verbalisant 6], [verbalisant 7], [verbalisant 8], [verbalisant 9], [verbalisant 10] en [verbalisant 11]. Geen van hen maakt melding van waterschade als reden van vernietiging. Het derde proces-verbaal d.d. 24 april 2002 van verbalisant [verbalisant 12] is voor de beoordeling van deze zaak niet relevant. Uit een bijgevoegd memo van 11 oktober 2002 volgt dat de genoemde processen-verbaal van 23 januari 2002 en 20 september 2002 door getuige [verbalisant 4] naar onder anderen de officier van justitie W.C. van Schaijck zijn gestuurd. Ter terechtzitting van 8 maart 2004 heeft getuige [verbalisant 4] - geconfronteerd met zijn verklaring d.d. 11 november 2003, inhoudende dat hij niet wist of met betrekking tot de vernietiging proces-verbaal was opgemaakt - verklaard (voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven): "Ik heb daar verder helemaal geen bedoeling mee gehad. Ik ben waarschijnlijk in de veronderstelling geweest dat alle verbalen in het dossier zaten. Het dossier is zo dik" (proces-verbaal van de terechtzitting, pagina 19). Ter terechtzitting d.d. 8 maart 2004 heeft getuige en officier van justitie W.C. van Schaijck verklaard, voor zover hiervan belang en zakelijk weergegeven: "Ik ken het proces-verbaal dat verschenen is rond de vernietiging van beslag. Dit proces-verbaal bestaat uit drie onderdelen en ik ken deze stukken. In ieder geval eind 2002 heb ik deze stukken ontvangen. Vervolgens heb ik die stukken aan mijn collega mevrouw Voorhuis gegeven, in ieder geval daar kenbaar gemaakt. Volgens mij heb ik mevrouw Voorhuis die stukken gegeven en verder niet met haar inhoudelijk besproken hoe daar verder mee om te gaan. Wat mij betreft betrof de status van de stukken het resultaat van een interne onderzoeksopdracht van de politieleiding. Het hele onderzoek en alles wat zich in het dossier bevindt en met name het sporenonderzoek - het technische gedeelte - is gebaseerd op wat er op dat moment aan sporenmateriaal aanwezig was en het lijkt mij dat er van onze kant geen enkele vorm van misleiding is. U (het hof begrijpt: de verdediging) beschikt over dat materiaal. Ik kan me niet herinneren of het al dan niet bij de stukken voegen van dit proces-verbaal (het hof begrijpt: bovengenoemde processen-verbaal van 23 januari 2002 en 20 september 2002, alsmede een proces-verbaal van 24 april 2002) tussen mij en mijn collega onderwerp van gesprek is geweest. Het is nooit aan de orde geweest dat dit stuk ook bij andere procespartijen bekend moest worden. Ik heb daar zelf niet aan gedacht. Er is helemaal geen sprake geweest van iets bewust willen achterhouden" ( proces-verbaal van de terechtzitting, pagina 51 e.v.). De getuige en officier van justitie N.T. Voorhuis, verklaart ter terechtzitting van 8 maart 2004, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven: "Ik ken de inhoud van het proces-verbaal dat over de vernietiging van het beslag gaat (het hof begrijpt: de genoemde processen-verbaal d.d. 23 januari 2002, 20 september 2002 en 24 april 2002). Het kan omtrent eind 2002 zijn geweest. De strekking van het proces-verbaal was mij al meegedeeld, dus ik wist dat daar niet meer in stond dan dat wij al wisten, namelijk dat alle inbeslaggenomen voorwerpen waren vernietigd en dat niet echt duidelijk is geworden wat de reden van vernietiging is geweest. Ik weet ongeveer wat erin stond. Ik heb het proces-verbaal niet tot in detail gelezen, want er zijn toen diverse mensen gehoord en niemand wist precies waarom deze specifieke goederen waren vernietigd. Deze uitslag is mij toen zo medegedeeld. Dat alle voorwerpen waren vernietigd was mij bekend en dat heb ik ook van begin af aan aan de rechters en aan een ieder - ook aan de advocaten - meegedeeld. Daar is nooit onduidelijkheid over geweest. Het proces-verbaal is een intern onderzoek geweest naar de wijze van vernietiging van beslag in die periode. Boos opzet heeft totaal geen rol gespeeld bij het niet aan de verdediging verstrekken van dit proces-verbaal. Er is geen enkele reden te noemen waarom dit niet zou zijn verstrekt. Als verdediging heeft u daar alle recht op. Waarom dat het uiteindelijk niet is gebeurd, daar kan ik u eigenlijk geen antwoord opgeven. In het proces-verbaal staat eigenlijk geen nieuwe informatie. Er is mij nooit expliciet gevraagd waarom de voorwerpen zijn vernietigd. In mijn herinnering is mij die vraag nooit gesteld. Als u mij om de reden van de vernietiging van die voorwerpen had gevraagd dan zou het best kunnen dat ik op dat moment niet paraat had dat het proces-verbaal er was, maar dan had ik daar wel navraag naar gedaan. Als ik had geweten dat dit een onderwerp zou worden en als ik had geweten dat er interesse was voor de reden van vernietiging van de inbeslaggenomen voorwerpen, dan was ik te rade gegaan bij de politie en was er waarschijnlijk ook wel een lichtje bij mij gaan branden dat hier een onderzoek naar was geweest en dat wij hier ook wat informatie over hadden. Er zit absoluut geen bewuste keuze of opzet achter dat ik het proces-verbaal niet heb willen overhandigen, want op dit punt valt er helemaal niets te verbergen. Mij is gewoon niet opgevallen dat het proces-verbaal niet in het dossier zat. Er is nooit expliciet om gevraagd. Pas bij de zitting is daar een verweer over gevoerd. Toen is echter niet de reden van vernietiging gevraagd en is ook niet gevraagd of dit was onderzocht. Ik wist dat de goederen vernietigd waren. Mij is meermalen verteld dat de goederen wegens wateroverlast zijn vernietigd. [verbalisant 4] heeft mij dit meermalen verteld" (proces-verbaal van de terechtzitting, pagina 60 e.v.). Mede gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 maart 2004 afgelegde verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], is komen vast te staan dat op enig moment, waarschijnlijk rond 1990/1991, wateroverlast is geweest in kelder P van het hoofdbureau van politie aan de Elandsgracht 117 te Amsterdam, de kelder waar ook inbeslaggenomen goederen en sporen van de zaak [naam] waren opgeslagen, en dat daarbij een groot aantal goederen en sporen onbruikbaar is geworden. Aannemelijk is dat de getuigen Voorhuis en [verbalisant 4] deze wateroverlast in gedachten hadden bij het afleggen van eerdergenoemde verklaringen, ook al maken bovengenoemde processen-verbaal van 23 januari 2002 en 20 september 2002 van de reden van de vernietiging van de inbeslaggenomen goederen en sporen geen enkele melding. Getuige [verbalisant 4] heeft, na zijn eerdere verklaring dat hem onbekend was of omtrent de vernietiging van de inbeslaggenomen goederen en sporen een proces-verbaal was opgemaakt, op eigen initiatief alsnog de processen-verbaal van 2 januari 2002, 20 september 2002, 24 april 2002 en het memo van 11 oktober 2002 aan het hof doen toekomen. Gezien het vorenoverwogene, alsmede de hierboven weergegeven onderdelen van de verklaringen van de getuigen Van Schaijck, Voorhuis en [verbalisant 4] acht het hof niet aannemelijk geworden dat getuige Voorhuis tijdens de terechtzitting in eerste aanleg, noch getuige [verbalisant 4] tijdens de terechtzitting in hoger beroep, doelbewust misleidende informatie aan verdachte, verdediging, rechtbank c.q. hof heeft verstrekt. Terecht stelt de verdediging dat deze processen-verbaal van 23 januari 2002, 20 september 2002 en 24 april 2002, die reeds op 11 oktober 2002 naar het openbaar ministerie waren gestuurd, hadden dienen te worden doorgestuurd naar verdachte en zijn raadslieden. Verdachte en zijn raadslieden hadden ter terechtzitting in eerste aanleg ervan mogen uitgaan dat het dossier volledig was (dat wil zeggen: inclusief genoemde processen-verbaal), en naar de volledigheid van het dossier niet expliciet behoeven te vragen. Dit houdt niet in dat alle mogelijke stukken (waaronder bijvoorbeeld de journaals) altijd aan het dossier dienen te worden toegevoegd, doch bij genoemde processen-verbaal ligt dit anders, te meer nu omtrent de vernietiging van de inbeslaggenomen goederen en sporen op 14 januari 2003 een preliminair verweer is gevoerd. Het hof acht het derhalve onjuist dat genoemde processen-verbaal eerst kort voor de terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2004 aan de verdediging ter hand zijn gesteld. Gelet echter op het feit dat deze stukken slechts een nieuw licht doen schijnen over de periode waarin, de wijze waarop en de (waarschijnlijke) reden waarom de vernietiging heeft plaatsgevonden en op geen enkele wijze iets ontlastends ten aanzien van verdachte inhouden, heeft het feit dat verdachte eerst kort voor 4 februari 2004 kennis heeft kunnen nemen van deze stukken hem niet in zijn verdediging geschaad. Daarbij wordt tevens overwogen dat de verdediging in verband met deze stukken getuigen heeft kunnen doen horen en ook heeft laten horen en zich over deze stukken thans (uitvoerig) heeft kunnen uitlaten. Ad c. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting (met name de verklaringen van de getuigen [verbalisant 4],[verbalisant 13] en [verbalisant 14]) is aannemelijk geworden dat vanaf het begin van zowel het onderzoek in 1984 als van het in 2002 weer opgestarte onderzoek, er steeds drie (mogelijke) verdachten in beeld waren: [betrokkene 1], [betrokkene 2] en verdachte. In 2002 kwam daar kort [betrokkene 3] bij. Vast is komen te staan dat naar al deze personen uitgebreid onderzoek is gedaan. Nadat bleek dat zowel [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een alibi hadden en [betrokkene 3] als (mogelijke) verdachte al snel afviel, bleef verdachte als enige verdachte over. Dat het veronderstelde alibi van [betrokkene 2] later niet valide bleek te zijn doet aan het voorgaande niet af. Gelet op het voorgaande kan niet gezegd worden dat bij de hiervoor onder a, b en c genoemde omstandigheden - noch bij elke omstandigheid afzonderlijk noch bij alle drie omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien - sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Van bewuste misleiding van of het bewust onthouden van stukken aan verdachte, zijn raadslieden, de rechtbank of het hof die voor de beoordeling van de strafzaak van verdachte van wezenlijk belang waren, is niet gebleken. Om die reden wordt het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging van verdachte verworpen, nu in dit verband ook overigens geen omstandigheden zijn gesteld of aannemelijk geworden die tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zouden moeten leiden. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege de verjaring Door het openbaar ministerie is ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, voor zover met betrekking tot de tenlastegelegde doodslag, tot niet-ontvankelijkheid gerequireerd, aangezien dit feit conform artikel 70, sub 4, van het Wetboek van Strafrecht is verjaard. Door de raadslieden van verdachte is ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde betoogd dat het hof zich niet over de (partiële) niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie hoeft uit te laten, nu het in verband met de verstreken verjaringstermijn van doodslag duidelijk is dat de vervolging van verdachte op moord ziet en niet op doodslag. Ten aanzien van de ontvankelijkheid overweegt het hof het volgende. Nu de tenlastelegging zowel doodslag als moord, telkens meermalen gepleegd, behelst, dient het hof zich ambtshalve op de voet van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering uit te laten over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde doodslag, meermalen gepleegd. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van strafvordering ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde meermalen gepleegde doodslag conform artikel 72, lid 2, (oud), van het Wetboek van Strafrecht - na te zijn gestuit - opnieuw is aangevangen met de vordering tot verlenging van de gevangenhouding van 24 april
- Nu er in de vijftien jaren daarop geen daad van vervolging heeft plaatsgevonden die de verjaring stuitte, is het onder 1 tenlastegelegde, voorzover telkens doodslag betreffende, dan ook krachtens artikel 70, sub 4, van het Wetboek van Strafrecht verjaard. Het openbaar ministerie dient derhalve terzake van het onder 1 tenlastegelegde, voor zover het telkens doodslag betreft, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair onder a. primair ten laste is gelegd (moord op [slachtoffer 1]), zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewezengeachte Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair onder b. primair en c. primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 4 maart 1984 te Amsterdam: b. opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] en c. opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte: b. met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met kracht met een touw en/of een riem, gedurende enige tijd de hals van die [slachtoffer 2] dichtgesnoerd en dichtgesnoerd gehouden, tengevolge waarvan voornoemde[slachtoffer 2] is overleden en c. met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een scherp en/of puntig voorwerp vijf maal in de hartstreek van die [slachtoffer 3] gestoken, waardoor het hart van die [slachtoffer 3] werd geperforeerd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] is overleden. Hetgeen onder 1 primair onder b. primair en c. primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 primair onder b. en c. primair bewezengeachte:
- Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal nummer 2000/84 d.d. 5 maart 1984 opgemaakt door [verbalisant 15] en [verbalisant 16], respectievelijk hoofdagent en agent van de gemeentepolitie Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 2 t/m 3 van "dossier 1984"). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven: Op maandag 5 maart 1984 omstreeks 17.53 uur kregen wij via de mobilofoon de opdracht te gaan naar perceel [adres] te Amsterdam. Onmiddellijk begaven wij ons naar voornoemd perceel. Wij zagen dat de toegangsdeur in de gang van perceel 20-II op een kier stond. Hierop liep ik, eerste verbalisant, de hal van de woning in. Ik liep rechtsaf de hal in, in de richting van de woonkamer. Ik zag dat de gordijnen van de woonkamer gesloten waren en dat er een schemerlamp brandde. Tevens viel mij op dat het licht in de hal aanstond. Vanuit de hal zag ik links van mij in de woonkamer een kind op de grond liggen op haar (het hof begrijpt en leest telkens hierna: zijn) buik, met het gezicht naar de hal gekeerd. Ik zag dat om zijn nek een soort lederen zweep gesnoerd zat. Meteen hierop voelde ik aan de pols van het kind, en voelde geen hartslag. Ik voelde dat het kind ijskoud was. Gezien vanuit de hal zag ik achter dit kind het lichaam van een vrouw liggen, eveneens op haar buik met haar hoofd in de richting van de kachel die brandde. Ik zag dat beiden waren gekleed in nachtkleding. Hierop liep ik naar het lichaam van de vrouw en zag aan de blote delen van haar lichaam dat zij lijkvlekken vertoonde. Op het moment dat collega Anemaet naar de huiskamer liep, ben ik tweede verbalisant, de kamer gelegen schuin links tegenover de toegangsdeur binnengelopen. Ik zag dat de deur van deze slaapkamer tot in de verste stand was geopend. Ik zag dat op het bed tegen de achterwand van deze kamer een kind op haar rug lag. Ik zag dat de hals van dit kind was doorgesneden en dat haar nachtkleding met bloed was besmeurd. Tevens zag ik dat de gordijnen waren gesloten. Gelijk dat ik binnenkwam voelde ik aan de linkerpols van het kind. Ik voelde geen polsslag en dat het kind koud was.
- Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal nummer 2000/1984 d.d. 5 maart 1984 opgemaakt door [verbalisant 17] en [verbalisant 18], beiden hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie te Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 255 t/m 309 van "dossier 1984"). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven: Op maandag 5 maart 1984 te 19.00 uur hebben wij met gebruikmaking van een bandrecorder het perceel [adres] te Amsterdam ingesproken. Het relaas van inspreken luidt, voor zover van belang, als volgt: De woonkamer: Voor de deuropening ligt een stoel van de eethoek, welke links van de deuropening is, de poten zijn gekeerd in de richting van de deuropening. Op een afstand van ongeveer 1,5 meter vanaf de plint van de toegangsopening liggen twee lijken op de grond. Het eerste lijk betreft dat van een klein jongetje van een jaar of acht à negen en het betreft het lijk van kennelijk de moeder, die erachter ligt. De houten rugleuning van de stoel ligt tussen de voorpoten van de staande houten stoel. De stoel is enigszins van de tafel weggeschoven midden de kamer in. Onder de zitting van deze stoel ligt gedeeltelijk het hoofdje van het slachtoffer, het hoofdje ligt ook tegen de rugleuning van de omgevallen stoel. Het hoofd ligt met de rechterzijde vlak op de grond waarvan het aangezicht is gekeerd in de opening van de kamer. Het slachtoffertje (jongetje) ligt gedeeltelijk op zijn buik en op zijn rechterheup. De benen zijn gekeerd in de richting van de slaapkamer grenzende aan de woonkamer. Ter hoogte van de rug in het midden ongeveer tussen de schouderbladen zijn donkere vochtvlekken met duidelijke steekwonden tot in het lichaam, ongeveer tien steekwonden. Bij de elleboog is tussen de arm en de vloerbedekking een leren riempje zichtbaar, een kort leren riempje, ter hoogte van de schouder is een stuk touw zichtbaar met een stuk hout eraan bevestigd. Het touw heeft een knoop aan het uiteinde. Om de hals van het slachtoffertje zien we een dik touw gestrengeld om de nek en de hals, zit als het ware in het vlees al met daaronder nog een blauwe smalle riem, waarvan de gesp aan de rechterzijde van het schoudertje op de ochtendjas van de moeder ligt. Een lus van het touw steekt omhoog. Het touw loopt door tot aan de rugzijde van het jongetje onder de ochtendjas van de moeder, hier zit ook een klos aan het uiteinde. Het betreft hier een soort springtouw met houten uiteinden. Het jongetje ligt met de rechterschouder en de arm op de onderzijde van de ochtendjas van de moeder. Op een afstand van ongeveer een halve meter in dezelfde richting ligt op de vloer het stoffelijk overschot van een vrouw. Deze vrouw is gekleed in een lichtblauwe ochtendjas waaraan de onderzijde diverse bloedvegen/vlekken zichtbaar zijn en een wit/beige nachtgewaad en zij draagt roze korte sokjes waarvan de bovenzijde omgeslagen is. De vrouw ligt met het hoofd naar de muur van de kamer en de doucheruimte en de vrouw ligt met de voeten gekeerd richting straatzijde van het perceel. Tussen het jongetje en de vrouw ligt achter de stoel een rode opgerolde riem. Het is een smal riempje. Er zijn zeer veel lijkvlekken zichtbaar, de rechterhand van de vrouw is bijna geheel zwart. Slaapkamer van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]. We spreken nu de slaapkamer in waarin zich het stoffelijk overschot van het meisje bevindt. Bij binnenkomst recht tegenover de toegangsdeur staat tegen de wand in de rechterhoek van de kamer een éénpersoonsbed, hoofdzijde in de richting van de badkamer en de voetzijde in de richting van de achterzijde van het perceel. Op het matras ligt het stoffelijk overschot van een meisje in de leeftijd van negen à twaalf jaar. Dit meisje is gekleed in een blauw pyjamaatje. Daaronder is een hemdje zichtbaar met aan de voorzijde van de borst diverse steekwonden. Het hemdje is geheel doorbloed. Het slachtoffer ligt ruggelings op het bed. De hand is tot aan de pols geheel voorzien van lijkvlekken. Op de pols van het rechterarmpje zijn enkele bloedspatten en bloedvegen zichtbaar. Het slachtoffertje ligt in een soort bocht, een U-bocht met het hoofd gekeerd in de richting van de muur. De nek vertoont een grote snijwond en een kleine snijwond daarnaast aan de linkerzijde. Op de wang van het slachtoffertje, de linkerwang, is een bloedveeg zichtbaar. Het aangezicht is gekeerd in de richting van het plafond. Bij de hals op het laken is een grote plas bloed zichtbaar met daaromheen enkele bloedspatten zowel aan de rechter- als aan de linkerzijde. Aan de rechterzijde is één grote bloedspat zichtbaar en aan de linkerzijde zijn diverse bloedspatten zichtbaar.
- Een geschrift, zijnde een kopie van het verslag als bedoeld in artikel 29T der Wet op de lijkbezorging d.d. 5 maart 1984, opgemaakt door dr. M.J. Simmelink, lijkschouwer der gemeente Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 125 t/m 126 "dossier 1984"). Dit verslag houdt als verklaring van voornoemde lijkschouwer onder meer in, zakelijk weergegeven: Op 5 maart 1984 om 19.00 uur heb ik in perceel [adres] te Amsterdam het lijk geschouwd van een vrouw van ongeveer 35 jaar. Zij heeft een wurgspoor rond de hals en een schaafwond. Verder geen uitwendig letsel. Schouw: volledig lijkstijf, geheel afgekoeld, lijkvlekken over het hele lichaam.
- Een geschrift, zijnde een kopie van het verslag als bedoeld in artikel 29T der Wet op de lijkbezorging d.d. 5 maart 1984, opgemaakt door dr. M.J. Simmelink, lijkschouwer der gemeente Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 137 t/m 138 "dossier 1984"). Dit verslag houdt als verklaring van voornoemde lijkschouwer onder meer in, zakelijk weergegeven: Op 5 maart 1984 om 19.00 uur heb ik in perceel [adres] te Amsterdam het lijk geschouwd van een jongetje van ongeveer zes jaar oud. Hij had steekwonden op zijn rug en links bovenin zijn hals. Er zat een touw rond zijn hals gesnoerd. Schouw: geheel lijkstijf, geheel afgekoeld, lijkvlekken over het hele lichaam.
- Een geschrift, zijnde een kopie van het verslag, nummer 84109/V021 van het Gerechtelijk Geneeskundig Laboratorium van het Ministerie van Justitie, d.d. 29 maart 1984, opgemaakt door de beëdigde deskundige M. Voortman, arts en patholoog-anatoom (doorgenummerde bladzijden 515 t/m 520 "dossier 1984"). Dit verslag houdt als verklaring van voornoemde deskundige onder meer in, zakelijk weergegeven: Op 6 maart 1984 heb ik de uit- en inwendige schouwing verricht van het lijk van: [slachtoffer 1], gewoond hebbende te Amsterdam, [adres] en dood aangetroffen te Amsterdam op 5 maart 1984 te omstreeks 17.56 uur, teneinde na te gaan de oorzaak van haar dood. Er was enige lijkstijfheid aan de benen en overigens waren de spieren slap. Er waren sterk ontwikkelde, niet wegdrukbare blauwrode lijkvlekken aan de buikzijde van het lichaam. De maag was vrijwel leeg. Bij de sectie op het lijk van [slachtoffer 1] is het navolgende gebleken: A. - Het gelaat was blauwrood. - Er waren talrijke stipvormige bloedinkjes in de huid en de bindvliezen van de oogleden. B. - Er was een circulair drukspoor aan de hals. C. - Er waren bruinrode huidveranderingen met oppervlakkige ontvelling rechts zijwaarts van het strottenhoofd en links zijwaarts onder aan de hals. - Er was enige onderhuidse bloeding aan de hals en er waren bloedingen op en in de halsspieren. - Er was een breuk van de linker grote hoorn van het schildkraakbeen. - Er waren bloedingen onder het kraakbeenvlies van het strottenhoofd en op en in de linker kwab van de schildklier. - Er was een bloeding in de achterste keelwand. De sub A, B en C samengevatte sectiebevindingen wezen op verstikking, veroorzaakt door inwerking van uitwendig, mechanisch, samendrukkend en omsnoerend geweld op de hals. Een andere doodsoorzaak werd niet gevonden. Het sub B genoemde circulaire drukspoor past bij omsnoering met een koord of "touw": strangulatie. De sub C samengevatte bevindingen konden passen bij wurging. Conclusie: [slachtoffer 1] overleed door verstikking ten gevolge van inwerking van uitwendig, mechanisch, samendrukkend en omsnoerend geweld op de hals.
- Een geschrift, zijnde een kopie van het verslag, nummer 84110/V022 van het Gerechtelijk Geneeskundig Laboratorium van het Ministerie van Justitie, d.d. 19 maart 1984, opgemaakt door de beëdigde deskundige M. Voortman, arts en patholoog-anatoom (doorgenummerde bladzijden 532 t/m 537 "dossier 1984"). Dit verslag houdt als verklaring van voornoemde deskundige onder meer in, zakelijk weergegeven: Op 6 maart 1984 heb ik de uit- en inwendige schouwing verricht van het lijk van: [slachtoffer 2], geboren te [geboorteplaats] op [1977], gewoond hebbende te Amsterdam, [adres] en dood aangetroffen te Amsterdam op 5 maart 1984 te omstreeks 17.56 uur, teneinde na te gaan de oorzaak van diens dood. Er was weinig ontwikkelde lijkstijfheid. Er waren bleek blauwrode niet wegdrukbare lijkvlekken aan de buikzijde van het lichaam, het sterkst links voor en aan de rechterheup en zijwaarts en voor aan het rechter boven- en onderbeen. Bij de sectie op het lijk van [slachtoffer 2], oud zes jaren, is het navolgende gebleken: A. - Om de hals was een springtouw en een riem aanwezig. - Er was een circulair snoerspoor aan de hals. - Er waren kneusplekjes aan de hals en de nek. - De huid van het gezicht was blauwrood en er waren talrijke bloedinkjes in de huid van het gezicht (m.n. ook de oogleden). B. - Er waren drie steekwonden aan de hals waarvan één de keelwand tweemaal had geperforeerd (via de linker hoorn van het schildkraakbeen). C. - Er waren tien steekwonden aan de rug waarvan acht tot in de linker long reikten. De sub A samengevatte bevindingen wezen op inwerking van uitwendig, mechanisch, omsnoerend, samendrukkend geweld zoals door strangulatie kan worden opgeleverd en met name door strangulatie met het springtouw dat om de hals werd aangetroffen. Blijkens de blauwe kleur van het gelaat en de talrijke (stuwings-)bloedingen in de huid van het gelaat had deze geweldsinwerking tijdens het leven plaats gehad. De sub B en C genoemde steekwonden hadden het uiterlijk van steekwonden zoals met een mes kunnen worden toegebracht. Deze wonden waren ernstig en hadden op zich zelve tot het intreden van de dood kunnen leiden. Gelet op de betrekkelijk geringe tekenen van inwendig bloedverlies waren deze verwondingen echter vermoedelijk opgelopen op een moment dat de bloedsomloop gering was geworden; dat wil zeggen na het oplopen van de samendrukkende geweldsinwerking op de hals. Conclusie: Bij [slachtoffer 2], oud zes jaren, heeft inwerking van uitwendig, mechanisch, samendrukkend en omsnoerend geweld op de hals het intreden van de dood tot gevolg gehad. Er waren drie steekwonden aan de hals en tien steekwonden aan de rug.
- Een geschrift, zijnde een kopie van het verslag, nummer 84111/V023 van het Gerechtelijk Geneeskundig Laboratorium van het Ministerie van Justitie, d.d. 28 maart 1984, opgemaakt door de beëdigde deskundige M. Voortman, arts en patholoog-anatoom (doorgenummerde bladzijden 525 t/m 530 "dossier 1984"). Dit verslag houdt als verklaring van voornoemde deskundige onder meer in, zakelijk weergegeven: Op 6 maart 1984 heb ik de uit- en inwendige schouwing verricht van het lijk van: [slachtoffer 3], geboren te [geboorteplaats] op [1974], gewoond hebbende te Amsterdam, [adres] en dood aangetroffen te Amsterdam op 5 maart 1984 te omstreeks 17.56 uur, teneinde na te gaan de oorzaak van haar dood. Er was enige lijkstijfheid van de kaak en van de benen. Er waren matig ontwikkelde bleek blauwrode lijkvlekken in de rechterflank en aan de buitenzijde van het rechter bovenbeen en binnenzijde van het linker been. Bij sectie op het lijk van [slachtoffer 3], oud negen jaren, is het navolgende gebleken: A. - Er waren aan de voorzijde van het lichaam, in de hartstreek, vijf steekwonden. In twee van de wonden was de voorwand en de achterwand van het hart gekliefd. De langste wond reikte tenminste tien cm diep. - Er was 1.100 milliliter bloed in de linker borstholte. - Er was 50 milliliter bloed in het hartzakje. B. - Er waren drie steekwonden aan de hals; in één van deze steekwonden was de binnenste tak van de linker halsslagader gekliefd. C. - Het gelaat was bleek blauwrood. - Er waren stipvormige bloedingen in de huid van het gelaat. - Er waren streepvormige huidveranderingen circulair aan de hals. De sub A en B genoemde wonden hadden het uiterlijk van steekwonden zoals door steken met een mes kunnen worden opgeleverd. De sub A samengevatte steekwonden hadden groot inwendig bloedverlies veroorzaakt. De doorsteking van het hart kon op zichzelf het intreden van de dood verklaren. De sub B genoemde klieving van de binnenste tak van de linker halsslagader zou tot ernstige verwikkelingen aanleiding hebben kunnen geven. De sub C samengevatte bevindingen wezen op inwerking van uitwendig, mechanisch, samendrukkend en omsnoerend geweld op de hals tijdens het leven. Conclusie: [slachtoffer 3], oud negen jaren, had acht steekwonden opgelopen, waarbij onder meer het hart en de linker binnenste halsslagader ernstig waren beschadigd, hetgeen op zichzelf het intreden van de dood kan verklaren. Er waren bovendien tekenen van inwerking van uitwendig, mechanisch, samendrukkend geweld op de hals. Extra bewijsoverweging: Nu aannemelijk is dat de onder A. en B. genoemde steekwonden in snelle opeenvolging zijn toegebracht, en de onder A. bedoelde steekwonden tot aanzienlijk inwendig bloedverlies hebben geleid, begrijpt het hof het sectieverslag aldus dat het intreden van de dood - op zijn minst mede - het gevolg is geweest van de steken in de hartstreek.
- Een ambtsedig proces-verbaal nummer 2002038173 d.d. 3 december 2002 opgemaakt door [verbalisant 4], inspecteur van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde bladzijden 1001 t/m 1009 zaak "Oostvink", zaakdossier 1., deel XVI Moord/doodslag [naam slachtoffers]). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven: Naar aanleiding van de heropening van de zaken [naam slachtoffers] heeft er op 21 augustus 2002 een bijeenkomst plaatsgevonden te Utrecht met onder andere de navolgende deelnemers: S. Schieveld, forensisch geneeskundige, dr. A. Maes, patholoog, dr. M. Simmelink (de schouwarts uit 1984). Algemene vragen: - Hoe lang duurt het voordat lijkvlekken ontstaan? Dr. Maes: Lijkvlekken zijn na een uur of zes na het intreden van de dood zichtbaar. Lijkvlekken zijn in eerste instantie wegdrukbaar. Na een dag zijn de lijkvlekken niet wegdrukbaar. - Hoe lang duurt het voordat een lijk volledig lijkstijf is? Dr. Maes: Dit hangt af van de omgevingstemperatuur. De lijkstijfheid kan snel beginnen en dan vrijwel altijd in het kaakgewricht. Na circa 36 uur begint de lijkstijfheid te verdwijnen. - Dr. Simmelink, kunt u iets zeggen over de temperatuur van de lichamen? Dr. Simmelink: Ik herinner me dat de buik van de moeder koud aanvoelde. - Zegt dat iets, want in het oude dossier '84 stond specifiek vermeld dat de lichamen volgens de lijkschouwer koud waren? S. Schieveld: Ja, de buik is het laatste gedeelte van het lichaam dat afkoelt. Als de buik inderdaad koud was, dan betekent dat voor mij dat de slachtoffers minimaal 24 uur daarvoor moeten zijn overleden. - Is er iets te zeggen over de gemiddelde verteringsduur van eten bij een gezonde volwassen vrouw? Dr. Maes: Gemiddeld genomen verteert bij een mens het eten en drinken binnen 6-8 uur na nuttiging. Het maakt daarbij niet uit of het een man, vrouw of kind is. - Dr. Maes, verteert het voedsel ook in de maag als iemand al is overleden? Dr. Maes: Nee. - Dr. Simmelink, had u toen, in 1984, een idee wanneer de slachtoffers overleden waren? Dr. Simmelink: Tussen de 24 uur en 48 uur voor het aantreffen. - Kan er iets gezegd worden over de wijze van steken (het hof begrijpt: van [slachtoffer 2])? Zijn de messteken tijdens of na het intreden van de dood toegebracht? Dr. Maes: Er is geen sprake van postmortaal toegebrachte messteken. Dit concludeer ik omdat de bloedcirculatie nog niet helemaal was gestopt. Het slachtoffer was misschien bijna dood. Dit concludeer ik omdat er weinig bloedverlies was. S. Schieveld: Het is waarschijnlijker dat het slachtoffer eerst is gewurgd en toen gestoken. Bij strangulatie kan het lang duren voordat de dood intreedt.
- Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 19 november 2002, nummer 02.01.07.032, opgemaakt door ing. R. Eikelenboom op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed/belofte (doorgenummerde bladzijden 924 t/m 931 zaak "Oostvink", zaakdossier 1., deel XV Moord/doodslag [naam slachtoffers]). Dit verslag houdt als verklaring van voornoemde deskundige onder meer in, zakelijk weergegeven: Op grond van de verkregen informatie over deze zaak en de resultaten van het bloedspoorpatroononderzoek aan de hand van de aangeleverde foto's kan het volgende worden geconcludeerd:
- De poelpatronen op de woonkamervloer, de bloedspatten op de ochtendjas van [slachtoffer 1] en de plaats van de verwondingen bij het slachtoffer [slachtoffer 2] ondersteunen de hypothese dat [slachtoffer 2], toen hij werd gestoken, zich in een liggende positie vlakbij [slachtoffer 1] bevond.
- Het overdrachtpatroon op de ochtendjas is waarschijnlijk ontstaan door een puntig voorwerp zoals een mes.
- Het bloedsporenbeeld op en rondom [slachtoffer 2] ondersteunt de hypothese dat de strangulatie heeft plaatsgevonden voordat de steekverwondingen zijn toegebracht. Als het slachtoffer eerst was gestoken en daarna gestranguleerd dan zouden de bloedstromen in de hals van [slachtoffer 2] er anders hebben uitgezien.
- Gezien de verspreiding van de bloedspatten en overdrachtspatronen op en rondom [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] is de overdracht van bloed van de slachtoffers op de dader aannemelijk.
- Het bloedsporenbeeld en de afwezigheid van afweerverwondingen bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ondersteunen de hypothese dat deze slachtoffers zich niet of nauwelijks hebben verweerd op het moment dat zij werden gestoken. Indien de slachtoffers zich wel hadden verweerd dan was een ander patroon wat betreft de verdeling van de bloedspatten en de richting van de bloedstromen te verwachten.
- Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal nummer 2000/84 d.d. 6 maart 1984 opgemaakt door [verbalisant 19] en [verbalisant 20], beiden hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 36 t/m 46 van "dossier 1984"). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 3], zakelijk weergegeven: Ik woon in de [adres]. Op twee hoog woonde [slachtoffer 1] met haar kinderen. Zaterdag, 3 maart 1984, omstreeks 12.00-12.30 uur kwam ik thuis. Op dat moment kwam [slachtoffer 1] net naar buiten. Daarna heb ik noch haar, noch de kinderen nogmaals gezien of gehoord. Zondagmorgen, 4 maart 1984, ben ik heel even weggeweest. Ook toen heb ik niets bijzonders gehoord of gezien. Ook in de avonduren of in de nacht van zondag op maandag heb ik niets bijzonders gehoord. Mijn dochter zou met [slachtoffer 4] naar een voorstelling van de Dolly Dots gaan. [slachtoffer 4] zou (het hof begrijpt: op maandag 5 maart 1984) om 18.00 uur afgehaald worden. Rond 17.00 uur van maandag 5 maart 1984 heeft [naam 2] (het hof begrijpt: de dochter van [getuige 3] voornoemd) bij [slachtoffer 1] aangeklopt. Voor het eten is [naam 2] nogmaals naar beneden gegaan en ze heeft toen weer aangeklopt. Ook nu werd er weer niet geantwoord, want zij kwam naar boven en vertelde toen dat er niets gezegd was, maar dat zij wel thuis moesten zijn, omdat zij [naam 3], het jongste kind, hoorde huilen. Om 17.45 uur ben ik naar beneden gegaan. Ik hoorde [naam 3] wel huilen, maar niet zo luid. Het was meer snikken. Ik heb aangeklopt, maar er kwam geen reactie. Vervolgens heb ik de kruk van de toegangsdeur van de woning beetgepakt en gevoeld of deze open was. De deur ging open. Ik stapte de hal binnen en keek gelijk de kamer in waarvan ik weet dat [naam 3] daarin slaapt. Ik zag dat de kleine in zijn bedje stond. Ik zag dat overal de gordijnen dicht waren en dat in de huiskamer enige gedempte verlichting brandde. Ik liep vervolgens zo'n beetje tot de drempel van de huiskamer en keek daarin. Daar zag ik op een afstand van ongeveer één meter vanaf deze drempel op de grond het lichaam van [slachtoffer 2] liggen. Ik zag meteen dat hij een touw om zijn nek had zitten. Hij lag op zijn buik. Meteen zag ik ook het lichaam van een ander persoon met de rug tegen [slachtoffer 2] aan liggen. Ik heb de politie gebeld. Toen de agenten de huiskamer binnen gingen, liep ik met hun mee. Pas toen zag ik dat het lichaam, wat achter [slachtoffer 2] lag, het lichaam van [slachtoffer 1] was. Ik heb toen gezegd dat ik dan nog een meisje miste. Ik keek vervolgens in de slaapkamer waar normaliter [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] slapen en toen zag ik in het bed recht tegenover de toegangsdeur van deze slaapkamer [slachtoffer 4] liggen. Ik zag dat haar hoofdje schuin op het kussen, meer met de kin op de borst lag en naar mijn mening lag ook één van haar beentjes half buiten het bed.
- Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal nummer 2000/84 d.d. 5 maart 1984 opgemaakt door [verbalisant 21], hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 24 t/m 27 van "dossier 1984"). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 4], afgelegd op 5 maart 1984, zakelijk weergegeven: Mijn vriendin was genaamd [slachtoffer 1]. Gisteravond, zondag 4 maart 1984, heb ik haar omstreeks 21.30 uur getracht te bellen. Zij nam echter niet op. Ik heb het in totaal drie keer geprobeerd om haar te pakken te krijgen.
- Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal nummer r-2000/84 d.d. 8 maart 1984 opgemaakt door [verbalisant 22] en [verbalisant 23], beiden hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 143 t/m 149 van "dossier 1984"). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 4], afgelegd op 8 maart 1984, zakelijk weergegeven: Noch [slachtoffer 1] noch de kinderen liepen 's ochtends lang in nachtgewaad. Na het eten en douchen werden de kinderen aangekleed. Voor zover ik weet, liep [slachtoffer 1] 's avonds nooit in nachtgewaad rond. Als ze 's morgens opstond opende ze alle gordijnen. De asbakken leegde ze 's avonds altijd, omdat het anders ging stinken in de kamer. 12A. Een ambtsedig proces-verbaal nummer 2000/84 en 2002038173 d.d. 22 maart 2002 opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 24], beiden inspecteur-rechercheur van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde bladzijden 130 t/m 134 van zaak "Oostvink", zaakdossier 1., Moord/doodslag [naam slachtoffers]). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 4], afgelegd op 20 maart 2002, zakelijk weergegeven: Op die maandagmorgen, de dag van de ontdekking, waren de gordijnen van haar woning dicht. Ik had die zondagavond diverse keren getracht om telefonisch met [slachtoffer 1] in contact te komen. Ook mijn zoontje [naam 4] was die zondag aan de deur van [slachtoffer 1] geweest, maar er werd niet opengedaan. Ik wilde weten hoe het was met [slachtoffer 2]. Hij was dat weekend ziek, had zo'n 40 graden koorts. De hoorn van de telefoon werd toen niet opgenomen en deze bleef tot het eind overgaan. Dus geen ingesprektoon. Ik heb ook [naam 3] zo nu en dan wel horen huilen, niet luid. Het was erg gehorig in die woning, ik hoorde [naam 3] wel vaker huilen.
- De verklaring van de getuige [getuige 4], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari
- Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Ik kan mij nog herinneren wat ik in 1984 verklaard heb. Wat ik mij van die verklaringen kan herinneren is juist. Bijna dagelijks had ik contact met [slachtoffer 1]. Onze kinderen hadden contact met elkaar. De afspraak was dat wanneer je bij haar aanbelde je daarna op de stoep ging staan, zodat zij kon zien wie er had aangebeld en dan pas werd er opengedaan. Dit gold voor iedereen die aanbelde, óók voor de kinderen. Zij nam geen enkel risico. Deze maatregel gold vanaf een paar maanden voor haar dood. [verdachte] kwam bij [slachtoffer 1] over de vloer. Met betrekking tot de relatie die [slachtoffer 1] met [verdachte] had kan ik opmerken dat zij vertelde dat er met hem geen afspraken vielen te maken. [verdachte] kwam altijd veel later of helemaal niet. Hij was niet trouw in het nakomen van afspraken. Ik was wel eens bij haar als zij [verdachte] aan de telefoon had en dan maakte zij ruzie met hem. De ruzie ging dan ook over het niet nakomen van afspraken. [slachtoffer 1] was dan boos. Soms bleef zij speciaal thuis en dan kwam [verdachte] niet opdagen. Dat was een paar maanden voor begin maart
- [verdachte] kwam onregelmatig. Hij kwam de laatste tijd niet meer zo vaak. Ik weet niet waarom dat was. [slachtoffer 1] was erg kwaad, omdat zij herpes had opgelopen. Zij wilde geen contact meer met [verdachte]. Ik was erbij toen [slachtoffer 1][verdachte] door de telefoon vertelde dat zij herpes had opgelopen. Zij is toen erg kwaad geworden en heel erg tekeergegaan. Toen heeft zij [verdachte] ook verteld dat zij geen contact meer met hem wilde. Dit was een paar maanden voor begin maart
- Nadien hebben [slachtoffer 1] en [verdachte] nog wel contact met elkaar gehad, maar hij kwam daarna echter niet meer zo vaak over de vloer. [slachtoffer 1] heeft mij verteld dat [verdachte] met haar wilde trouwen. [slachtoffer 1] zei mij dat zij niet met zo'n labiel persoon wilde trouwen. Zij moest daar om lachen. Ik weet niet of [verdachte] wist dat [slachtoffer 1] daar zo over dacht. Het is juist dat ik in 1984 heb verklaard dat ik op zondag 4 maart 1984 geprobeerd heb [slachtoffer 1] te bellen. Mijn man ging iedere maandagmorgenvroeg met onze zoon en [slachtoffer 2] zwemmen. Dat zwemmen ging op maandagochtend 5 maart 1984 niet door, omdat mijn man een afspraak had. Ik heb op die bewuste zondag 4 maart 1984 een paar keer naar [slachtoffer 1] gebeld, maar er werd niet opgenomen. Die bewuste zondagavond heb ik vaker geprobeerd te bellen. Ik heb de telefoon niet tot het einde toe over laten gaan. Ik heb die avond geen ingesprektoon gehad, dat weet ik heel zeker. [slachtoffer 1] is die avond niet in gesprek geweest. De gordijnen zaten dicht, maar er brandde wel licht door een kier. [slachtoffer 1] ging 's avonds nooit uit. Zij liet de kinderen niet alleen en ging 's avonds niet weg. [slachtoffer 1] had altijd koffie klaar staan. Als ik bij haar was dan dronken wij heel wat koffie. Ik weet zeker dat zij 's avonds altijd alles opruimde. Zij was heel netjes en opruimerig. [slachtoffer 1] zou zo 's avonds niet naar bed zijn gegaan. Zij had alles opgeruimd. Het springtouw hing altijd aan de kapstok en was van de kinderen. Op zaterdag 3 maart 1984 heb ik [slachtoffer 1] nog gesproken. Op zondag 4 maart 1984 heb ik [slachtoffer 1] niet gesproken. De verstandhouding met [verdachte] was verslechterd, maar [slachtoffer 1] sprak hem dan toch nog. Zij heeft het mij zo verteld. Het was een knipperlichtrelatie die zij hadden.
- Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal nummer R-2000/84 d.d. 12 maart 1984 opgemaakt door [verbalisant 25] en [verbalisant 26], beiden hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 234 t/m 235 van "dossier 1984"). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 5], zakelijk weergegeven: U vraagt mij of [slachtoffer 1] de buitendeur zou openmaken als er in de nacht of ochtend gebeld zou worden. Als zij niemand verwachtte dan zou zij de deur niet openen. Als zij wel iemand verwachtte dan zou ze zonder meer de buitendeur openen. [slachtoffer 1] was in het algemeen vroeg op. Ook in het weekend stond [slachtoffer 1] omstreeks 08.00 uur op. Zij kleedde zich niet gelijk aan. Zij bleef in haar ochtendjas lopen. [slachtoffer 2] was ook altijd vroeg wakker. [slachtoffer 4] bleef altijd wat langer in bed.
- Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal nummer 2000/1984 d.d. 13 maart 1984 opgemaakt door [verbalisant 27] en [verbalisant 25], brigadier en hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 323 t/m 327 van "dossier 1984"). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 6], zakelijk weergegeven: Ik werk als taxichauffeur. Op zondag 4 maart 1984 omstreeks 06.25 uur reed ik op de Gooiseweg te Amsterdam. Op dat moment werd via de taxicentrale een taxi gevraagd. Ik moest voorkomen Wenckebach (het hof begrijpt: H.J.E. Wenckebachweg) 13 te Amsterdam, waar is gevestigd Angels Place (het hof begrijpt: het clubhuis van de Hells Angels). Na ongeveer twee minuten was ik ter plaatse. Toen ik voor genoemd perceel aankwam stond er een man langs de weg. Ik stopte naast hem en ik zag dat het een Hells Angel was. Ik zag dat het een grote grove kerel was, gekleed als een Hells Angel. Ik bedoel hiermee dat hij een jack droeg met daarop het embleem van de Hells Angels. De man stapte rechts achter in. Hij zei mij goede dag en zei Stadionplein. Of deze man alcohol had gebruikt weet ik niet. Hij was in ieder geval niet dronken en ik had ook niet de indruk dat hij verdovende middelen had gebruikt. Ik denk dat de rit een kleine tien minuten geduurd heeft. Tijdens de rit heb ik nog wat met de man zitten praten. Hij vroeg mij of ik het druk had. Ik ben het Stadionplein opgereden en ik moest stoppen na de Tuyll van Seerooskerkenweg op het stukje voor de [adres]. Hij betaalde mij 16 gulden, waarbij twee gulden fooi was inbegrepen.
- Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal nummer 2000/1984 d.d. 28 maart 1984 opgemaakt door [verbalisant 25] en [verbalisant 28], beiden hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 476 en 477 van "dossier 1984"). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 7], zakelijk weergegeven: Nu blijkt mij dat [verdachte] reeds op maandagmorgen 5 maart 1984 in de ochtenduren in mijn woning is gekomen. Het was in ieder geval vroeg. [verdachte] heeft mij niet van tevoren gebeld, daar de telefoon was afgesloten. Hij kwam voor mij dus geheel onverwachts. Die middag, dus maandag 5 maart 1984, nadat wij uit bed waren gekomen, vertelde [verdachte] mij, dat hij een paar dagen bij mij bleef. Hij zei dat hij zich wat rustig moest houden, omdat de politie hem zocht. Hij heeft mij niet verteld waarom de politie hem zocht. Ik heb hem dat ook niet gevraagd. [verdachte] is tot en met woensdag 7 maart 1984 in mijn woning gebleven. Hij is zelfs die dinsdagavond niet naar de clubavond van de Hells Angels geweest, iets dat hij normaal nimmer overslaat.
- De verklaring die de getuige [getuige 7] op de terechtzitting in eerste aanleg van 14 januari 2003 heeft afgelegd, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: Rond carnaval 1984 stond [verdachte] weer voor mijn deur. Het was maandag of dinsdag (het hof begrijpt: maandag 5 maart 1984 of dinsdag 6 maart 1984). Ik dacht maandag tegen de ochtend. Ik had [verdachte] vanaf november 1983 tot aan carnaval niet meer gezien. Het was niet logisch dat hij langskwam. Hij had zijn jas over zijn colours aan. Hij vroeg of ik zijn jas kon wassen. Hij had een vlek op zijn mouw. Het is mij niet gelukt om de vlek eruit te wassen. Ik ben later naar de kroeg gegaan, heb een krant en een fles melk voor [verdachte] meegenomen. Het was opvallend dat ik een krant voor hem moest meenemen, want hij las nooit een krant. Hij was de krant niet echt aan het lezen, meer aan het bekijken. Toen ik terugkwam was er iets verbrand in de tuin. Ik heb in 1984 niet alles verklaard, wat ik wist. Ik was een beetje bang natuurlijk. Ik had wel een reden om bang voor [verdachte] te zijn.
- De verklaring van de getuige [getuige 7], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart
- Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Ik ken [verdachte]. Ik heb hem rond 1982/1983 in een shoarmatent leren kennen. In diezelfde tijd heb ik een relatie met hem gekregen. Wij hebben toen ook een tijdje samengewoond. Op een gegeven moment vertrok [verdachte]. De bewuste maand in 1984 kwam [verdachte] opeens bij mij in huis. Hij was opeens bij mij binnen. Onze relatie was al vanaf oktober 1983 verbroken. Het verbaasde mij dat [verdachte] opeens voor mijn neus stond. Bij mij was het voorheen niet vaker gebeurd dat [verdachte] een tijdje weg was en dan opeens weer terugkwam. Volgens mij was het op een doordeweekse dag. Ik weet wel dat het in de tijd van het carnaval was. [verdachte] kwam 's nachts/'s morgens binnen. Zoals ik al drie keer eerder heb verklaard: [verdachte] kwam 's morgens vroeg bij mij binnen. Ik ging toen al bijna mijn bed uit en opeens stond hij bij mij binnen. Hij wilde bij mij slapen en ik ben gewoon gaan douchen en naar de kroeg gegaan. In de tussentijd vroeg [verdachte] mij de jas uit te wassen. Hij vroeg mij dit te doen vóórdat ik naar de kroeg ging. Het was of een spijkerjas of zijn suèdejas. Ik moest die jas uitwassen omdat er een vlek in zat. Vóórdat ik naar de kroeg ging heb ik de jas in het water laten weken. Toen ik terugkwam was de jas niet meer in huis was. Achteraf bezien vond ik het wel gek dat ik direct 's ochtends vroeg de jas moest uitwassen, maar dat is [verdachte]. Ik was wel zo een type bij wie je kon schuilen. Ik denk dat [verdachte] daar wel vanuit ging. Vóórdat ik de deur uitging kreeg ik van [verdachte] het verzoek om de jas uit te wassen en een krant en melk mee te nemen. Ik ben eerst naar de kroeg gegaan en heb daarna een krant en melk voor [verdachte] meegenomen. Toen ik binnenkwam schrok ik omdat er een pistool op mij werd gericht. Voordat ik wegging had ik niet gezien dat [verdachte] een pistool bij zich had. Ik had daar niet op gelet. Ik denk dat [verdachte] schrok dat ik opeens binnen kwam en daarom richtte hij, denk ik, het pistool op mij. Ik weet niet of [verdachte] iets of iemand anders had verwacht. [verdachte] bladerde de krant door. Het is juist dat ik heb verklaard dat [verdachte] niet een geregeld krantenlezer was. Op het moment zelf was ik niet verbaasd dat hij een krant wilde hebben, maar als je er achteraf over nadenkt weer wel. Ik kreeg gewoon het verzoek een krant en melk te halen en dat heb ik gedaan. Ik weet nog steeds zeker dat [verdachte] op dinsdagavond niet naar de clubavond van de Hells Angels is geweest. Dat viel mij op en dat is een van de dingen die me zijn bijgebleven. Het is juist dat ik naderhand een aantal dingen wel bij de politie heb verklaard, die ik destijds in 1984 niet had verklaard. Als ik in mijn eerste verklaring had gesproken over het jasje en alles wat daarmee samenhangt, dan denk ik dat ik hier nu niet had gezeten. Uit veiligheidsoverwegingen voor mijzelf heb ik dat achtergehouden. Ik had toen een kind van anderhalf jaar. Ik was bang dat als ik openheid van zaken gaf het voor mij wel eens verkeerd kon aflopen. Uit veiligheidsoverwegingen heb ik in 1984 minder verklaard en bepaalde dingen achtergehouden. Het schijnt dat ik met iemand heb gesproken over [verdachte], het jasje, de krant en de melk. Ik weet nu dat [getuige 8] dat verteld heeft en er is nog wel iemand, maar die leeft niet meer. Vlak nadat het gebeurd was heb ik dat met hen besproken. Ik heb het aan iemand verteld en later kwam uit dat het [getuige 8] was. Ik wist dat [verdachte] [slachtoffer 1] kende. Naderhand heb ik de jas niet meer in huis gezien. Toen ik thuis kwam lag er iets in de tuin te smeulen. [verdachte] had meerdere jassen aan en hij had een jas over zijn colours aan. In ieder geval één jas werd aan mij gevraagd te wassen. De jas met de coulours mocht ik toch niet wassen. De vlek zat op de mouw aan de bovenkant. [verdachte] bij mij binnenkwam droeg hij een jas over zijn colours. Ik zag hem (hof: verdachte) altijd met zijn colours. Als je colours hebt, dan moet je ermee lopen. Ik weet nog dat [verdachte] niet naar de clubavond van de Hells Angels is geweest. Dinsdagavond is de clubavond van de Hells Angels. [verdachte] had toen al een nacht bij mij geslapen.
- Een ambtsedig proces-verbaal nummer 2002038173 d.d. 2 juli 2002 opgemaakt door [verbalisant 29], hoofdagent-rechercheur van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde bladzijden 383 t/m 386 zaak "Oostvink", zaakdossier 1., deel V Moord/doodslag [naam slachtoffers]). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven: Op 25 juni 2002 hoorde ik een vrouw als getuige genaamd: [getuige 8]. De getuige verklaarde op mijn vragen als volgt: [getuige 7] vertelde mij dat [verdachte], haar vriend die bij de Hells Angels zat, bij haar was gekomen en dat hij een spijkerjas had die helemaal onder het bloed zat. [getuige 7] moest die voor hem wassen. Dat had ze gedaan.
- De verklaring van de getuige [getuige 8], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari
- Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Het is juist dat ik eerder ben gehoord door de politie en de rechter-commissaris. Ik weet nog wat ik toen heb verklaard. Ik heb toen de waarheid verklaard en blijf bij die verklaringen. Op die maandag dat ik [getuige 7] met die ruige man zag heb ik niet met haar en/of hem gesproken. [getuige 7] zal mij één dag daarna gezegd hebben dat die man bij haar was blijven slapen. Ik weet alleen dat [getuige 7] een bebloed spijkerjack heeft gewassen voor de persoon die maandagmiddag bij haar zat. [getuige 7] heeft mij verteld dat het een bebloed spijkerjack betrof. [getuige 7] heeft mij verteld dat die man - genaamd [verdachte] - die nacht bij haar is blijven slapen. Op die bewuste maandagmiddag werkten noch [naam 5], noch [naam 6] in café "The Sting". Iemand anders stond op dat moment achter de bar van café "The Sting". [naam 5] en [naam 6] ken ik veel te goed. [naam 5] en [naam 6] waren nooit op maandagmiddag in café "The Sting". Het verhaal van het bebloede spijkerjack kan ik mij nog heel goed herinneren.
- Een ambtsedig proces-verbaal nummer 2002038173 d.d. 14 mei 2002 opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 29], respectievelijk inspecteur en hoofdagent, rechercheurs van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde bladzijden 186 t/m 191 zaak "Oostvink", zaakdossier 1., deel II Moord/doodslag [naam slachtoffers]). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 9], zakelijk weergegeven: Het was in de jaren dat [verdachte] vastzat in Den Bosch in verband met een gewapende overval. Ik zat toen ook vast in Den Bosch. Hij zat toen ook bij de Hells Angels. [verdachte] vertelde dat hij een vriendin met twee kinderen gedumpt had. Ik weet niet meer hoe hij het precies gezegd heeft, maar ik geloof dat hij gezegd heeft dat hij een vriendin met twee koters het licht had uitgeblazen.
- De verklaring van de getuige [getuige 9], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari
- Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Het is juist dat ik [verdachte] heb leren kennen toen ik in Den Bosch gedetineerd zat. Ik blijf bij mijn eerder afgelegde verklaring, namelijk dat [verdachte] mij in het huis van bewaring in Den Bosch heeft verteld dat hij een vriendin met twee koters het licht had uitgeblazen. Hij heeft dat in mijn aanwezigheid gezegd. [verdachte] heeft het mij verteld nadat hij stuff had gebruikt. Ik dacht toen niet aan grootspraak van [verdachte]. Ik heb dingen gezien én alles wat [verdachte] zegt komt uit. Alles wat hij zegt kan hij waarmaken. Ik kon het mij duidelijk herinneren, want ik dacht nog hij zal wel geen geintjes maken. Hij was met andere dingen ook zo serieus. [verdachte] heeft er tussendoor wel eens vaker over gesproken. [verdachte] werd vooral loslippig als hij gebruikt had. Ik weet niet of [verdachte] zich achteraf kon herinneren wat hij mij verteld had. Wij hebben het er naderhand eigenlijk nooit meer over gehad. Ik heb hem nooit gevraagd of het echt waar was. Ik heb niet de aflevering over [verdachte] van Peter R. de Vries gezien. Ik heb destijds eens een televisie aangezet en het laatste stukje van een aflevering van Peter R. de Vries gezien. Dat is ook de aanleiding geweest waarom het mij op een gegeven moment weer te binnen schoot en ik dacht dat ik er toch iets over moest zeggen. Ik heb de moeder van het Engelse meisje gezien en daar heb ik op gereageerd.
- De verklaring die de getuige [getuige 10] op de terechtzitting in eerste aanleg van 14 januari 2003 heeft afgelegd, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik heb van 1996 tot 1998 een relatie met [verdachte] gehad. [verdachte] heeft meerdere keren tegen mij gezegd: "Ik heb al eens een wijf met koters vermoord". Ik heb hem één keer gevraagd of het werkelijk waar was dat er kinderen bij betrokken waren. Hij zei toen dat het inderdaad waar was. Hij heeft toen ook de voornaam van die vrouw genoemd. [slachtoffer 1] was het. Haar achternaam heeft hij niet verteld.
- De verklaring van de getuige [getuige 10], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari
- Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Ik heb van 1996 tot 1998 een relatie met [verdachte] gehad. Het is juist dat [verdachte] mij heeft verteld dat hij een vrouw en twee kinderen vermoord zou hebben. [verdachte] zei dat ze lastig werden. Hij heeft niet verteld hoe de kinderen heetten, maar hij vertelde wel dat de vrouw [slachtoffer 1] heette. Hij heeft toen geen achternaam genoemd. [verdachte] was niet het type om iets te vertellen wat niet waar was om stoer te zijn. Het is vaker ter sprake gekomen dat [verdachte] een vrouw en twee kinderen had vermoord. De dag nadat hij me voor het eerst had verteld over het doden van die vrouw en twee kinderen vroeg ik [verdachte] over de kinderen en hij bevestigde weer dat het waar was. Destijds heb ik aan twee CID-mensen verteld dat [verdachte] mij had verteld dat hij een vrouw en twee kinderen zou hebben vermoord. Ik heb Peter (het hof begrijpt: P.R. de Vries) van [slachtoffer 1] verteld zonder dat hij mij bepaalde feiten had verteld. Ik heb Peter exact hetzelfde verteld als [verdachte] mij heeft verteld en wat ik u nu vertel, namelijk dat [verdachte] mij heeft verteld dat hij een vrouw en twee koters had vermoord en dat de vrouw [slachtoffer 1] heette. [verdachte] blufte nooit. Als [verdachte] zei dat hij iemand had vermoord, dan had hij dat gedaan. Daar twijfelde ik niet aan en iedereen om [verdachte] heen bevestigde dit. De eerste keer dat [verdachte] mij vertelde dat hij een vrouw en twee kinderen had vermoord was bij mij thuis in de huiskamer. [verdachte] ging met een vriend weg om wat te verkopen. Het was 's nachts al vrij laat en hij was al voor de tweede keer teruggekomen. Omdat [verdachte] geen huissleutels bij zich had kwam ik uit bed en vertelde hem dat ik niet van plan was om de hele nacht voor portier te spelen, omdat ik ook nog een klein kind had dat driemaal per nacht een flesje wilde hebben. [verdachte] kwam terug naar boven gerend en sloeg en schopte mij met schoenen met stalen neuzen tegen het hoofd. Ik denk dat mijn opmerking de aanleiding voor [verdachte]' gedrag was. [verdachte] was al halverwege de trap naar beneden en hij kwam teruggerend. Hij sloeg mij daarna de kamer in. Waarschijnlijk ben ik daarbij flauw gevallen. [verdachte] gooide toen water over mij heen en ik kwam weer tot mijn positieven. Daarna gooide hij mij op de bank en vertelde mij dat hij al eens eerder "een wijf en twee koters had vermoord" en dat mij hetzelfde kon gebeuren. [verdachte] heeft toen niet iets anders gezegd en/of ik heb toen niet iets anders verstaan. Hij heeft het daarna nog diverse malen herhaald. Er is toen niets anders gezegd. [verdachte] gebruikte de woorden "koter" en "koters" wel vaker. Als bijvoorbeeld mijn zoontje lastig was, dan zei [verdachte] zoiets als: "Wat is die koter weer vervelend." "Koter" is een Amsterdams woordje. Het woord koter werd wel vaker door [verdachte] gebruikt en ook in andere verbanden dan in de zin "een wijf met twee koters vermoord". Volgens mij waren [verdachte] en ik altijd alleen als hij mij vertelde dat hij "een vrouw en twee koters had vermoord". Van andere mensen heb ik nooit iets gehoord over de moeder en haar twee kinderen.
- Een ambtsedig proces-verbaal, d.d. 9 oktober 2002 opgemaakt door [verbalisant 30], inspecteur van de regiopolitie Groningen (doorgenummerde bladzijden 687 t/m 690 in de zaak "Oostvink", zaakdossier 1., deel XI Moord/doodslag [naam slachtoffers]). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven: In de jaren '80 was ik werkzaam bij de Gemeentepolitie Groningen als groepsbrigadier bij de afdeling Illegale Vuurwapens van de Bijzondere Recherche. Op deze afdeling waren destijds tevens werkzaam de hoofdagenten [verbalisant 31] en [verbalisant 32]. Eind 1984 werd door ons een onderzoek verricht. Voor deze zaak werd als verdachte aangehouden [getuige 11]. [getuige 11] deed een boekje open over een aantal andere zaken. Zo verklaarde hij dat hij uit de mond van ene [verdachte] had gehoord dat deze een vrouw en haar twee kinderen had vermoord.
- De verklaring van de getuige [verbalisant 30], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 november
- Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: De strekking van de verklaring van [getuige 11] herinner ik mij. De inhoud niet. De strekking was dat een moeder en twee kinderen waren vermoord.
- Een proces-verbaal van 8 augustus 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door mr. D. Radder, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 augustus 2002 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van NN2: Ik ken [verdachte] sinds ongeveer
- Op een nacht in mei 1984 ben ik door [verdachte] verkracht. Hij stond midden in de nacht opeens in mijn slaapkamer, ik werd wakker van zijn binnenkomst. Ik lag in bed. [verdachte] ging direct boven op mij liggen. Hij had een bijl, een klewang en een pistool bij zich. [verdachte] was onder invloed, het was voor mij duidelijk dat hij niet nuchter was. Toen hij weg wilde gaan zei hij met luide stem ongeveer de volgende woorden: "Je houdt je bek dicht. Je zegt niets, anders dan kill ik je, net als die [slachtoffer 1]". De naam [slachtoffer 1] had ik weleens gehoord. Het was een naam die ik weleens binnen de kennissenkring had horen vallen. Ik wist haar achternaam niet en wist verder niets van haar af. Behalve dat zij in Amsterdam woonde. Een paar maanden later was ik op een politiebureau. Ik zat in de wachtruimte en zag daar een aanplakbiljet hangen. Het was een biljet waarop een beloning werd uitgeloofd aan degen die tips kon geven over de moord op [slachtoffer 1] en haar twee kinderen. De achternaam heb ik toen wel gelezen, maar die ben ik inmiddels vergeten. Wat ik al wist werd op dat moment erg duidelijk, het vormde voor mij de bevestiging dat hij haar echt vermoord had. Er staat mij vaag iets van bij dat hij in zijn dreigement aan mij het ook heeft gehad over haar koters. In ieder geval kan ik mij herinneren dat toen ik het aanplakbiljet zag ik al wist dat hij zowel [slachtoffer 1] als de kinderen had vermoord. U vraagt mij waarom ik het woord koters gebruik. Dat woord gebruik ik omdat [verdachte] het nooit over kinderen had maar over koters. Toen ik in een aankondiging van een programma van Peter R. de Vries zag dat het over deze zaak zou gaan kwam het bij mij weer naar boven. Naar aanleiding van de uitzending besloot ik alsnog mijn informatie te geven. Dat was omdat ik begreep dat het de laatste kans was om er iets zinnigs mee te doen en omdat het mij altijd dwars had gezeten dat ik destijds heb gezwegen.
- Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal nummer 2000/84 d.d. 20 maart 1984 opgemaakt door [verbalisant 25] en [verbalisant 26], beiden hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 392 t/m 397 van "dossier 1984"). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, afgelegd op 20 maart 1984, zakelijk weergegeven: In de tijd dat ik intiem met [slachtoffer 1] omging ging ik veel naar haar toe. Dat was zowel overdag als 's nachts, net zoals het uitkwam. Het is wel zo dat ik haar, voordat ik naar haar toeging, altijd opbelde. Zo belde ik ook 's morgens vroeg. Het was altijd goed. Als ik dan naar haar toe ging deed ze altijd zelf open. Als het erg vroeg was dan sliepen de kinderen altijd, een enkele keer kwamen ze wel eens uit hun bed. Als het later was en daarmee bedoel ik omstreeks 07.30 à 08.00 uur kwamen de kinderen hun bed uit. Als ik 's nachts kwam liep [slachtoffer 1] in nachtkleding. Als ik omstreeks 08.00 à 09.00 uur kwam was ze meestal aangekleed. Als ik gebeld had en ik was er snel deed ze zonder te kijken de buitendeur open. Als ik wat later was dan keek ze eerst uit het raam wie er beneden stond. Dan pas deed ze de deur open. Ik kan u vertellen dat ik die zondagmorgen 4 maart 1984 naar de [adres] ben gegaan met een taxi vanaf "Angels Place". Ik weet niet de juiste tijd, maar ik schat dat ik omstreeks 07.00 à 08.00 uur in "Angels Place" een taxi heb gebeld. Bij "Angels Place" ben ik in de taxi gestapt. De taxichauffeur heeft mij op het Stadionplein op de hoek van de [adres] te Amsterdam afgezet. Onderweg zijn we niet gestopt. Nadat ik was uitgestapt ben ik rechtstreeks gelopen naar de woning van [slachtoffer 1]. Daar heb ik een paar maal aangebeld.
- Een ambtsedig proces-verbaal nummer 2002038173 d.d. 9 mei 2002 opgemaakt door [verbalisant 33] en [verbalisant 12], beiden hoofdagent-rechercheur van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde bladzijden 20 t/m 25 van zaak "Oostvink", zaakdossier 1., Moord/doodslag [naam slachtoffers]). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, afgelegd op 7 mei 2002, zakelijk weergegeven: Ik heb [slachtoffer 1] voor het laatst gesproken (het hof begrijpt: zondag 4 maart 1984 door gebruik van de telefoon) de dag dat ik langs zou gaan, maar ze was er toen niet. Nog niet zo heel erg laat, ik weet het niet meer. U vraagt mij waarom ze niet open deed. Ik denk omdat ik veel later kwam dan ze dacht. We hadden niet een bepaalde tijd afgesproken, maar als je belt, dan verwacht je toch dat iemand binnen een bepaalde tijd er is.
- Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal nummer 2000/84 d.d. 5 april 1984 opgemaakt door [verbalisant 27] en [verbalisant 25], brigadier en hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie Amsterdam (doorgenummerde bladzijden 481 t/m 485 van "dossier 1984"). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, afgelegd op 4 april 1984, zakelijk weergegeven: Ik heb op maandag 5 maart 1984 een taxi gebeld. Omstreeks 07.00 uur kwam de taxi voorrijden. Met de taxi ben ik gereden naar de [adres] te Amsterdam. Daar woont een vriendin van mij genaamd [getuige 7]. Ik had mijn komst niet van tevoren aangekondigd. Ik ben daar toen gaan slapen. Die middag, dus op maandag 5 maart 1984, ben ik vanuit [getuige 7] d'r woning omstreeks 18.00 uur naar ons clubhuis gegaan. Nadere bewijsoverwegingen Doodsoorzaak en wijze van overlijden
- [slachtoffer 1] Op grond van de bevindingen van de sectie van [slachtoffer 1] (zie bewijsmiddel 5) concludeert het hof dat zij is overleden door verstikking als gevolg van verwurging. Er is bij de sectie een circulair drukspoor aan de hals aangetroffen en daarin bevonden zich enkele kunststofvezels op de huid. Dit past volgens patholoog dr. Voortman bij omsnoering door een koord of touw. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verwurging heeft plaatsgehad met een koord om de hals van het slachtoffer. Onderhuidse bloedingen op het hoofd duiden op geweldsuitoefening op haar hoofd, maar volgens de patholoog hebben die bloedingen geen betekenis gehad voor het intreden van de dood.
- [slachtoffer 2] De zesjarige [slachtoffer 2] is blijkens de bevindingen bij de sectie en het aantreffen van een springtouw en een riempje om de hals eveneens gedood door verstikking als gevolg van strangulatie (bewijsmiddel 6). Voorts zijn er in het lichaam van [slachtoffer 2] drie steekwonden aan de hals en tien steekwonden aan de rug aangetroffen, die zodanig ernstige verwondingen hebben teweeggebracht dat zij tot de dood konden leiden. De patholoog concludeert dat de verstikking tijdens het leven heeft plaatsgehad. Het betrekkelijk geringe inwendige bloedverlies waarmee de steekwonden gepaard zijn gegaan kunnen worden verklaard doordat deze verwondingen zijn toegebracht op een moment dat de bloedsomloop gering was geworden, dus na de samendrukkende geweldsinwerking op de hals. Het door ing. Eikelenboom onderzochte bloedsporenbeeld op en rondom [slachtoffer 2] ondersteunt ook volgens Eikelenboom de hypothese dat strangulatie heeft plaatsgevonden voordat de steekverwondingen zijn toegebracht. Uit één en ander leidt het hof af dat [slachtoffer 2] eerst is gewurgd met behulp van het springtouw of het riempje dat om zijn nek is aangetroffen en dat hij meermalen is gestoken op een moment dat hij reeds stervende was.
- [slachtoffer 4] De negenjarige [slachtoffer 4] is blijkens de sectiebevindingen overleden als gevolg van vijf steekwonden in de hartstreek. Daarnaast heeft zij drie steekwonden in de hals opgelopen. Daarbij zijn onder meer het hart en een halsslagader beschadigd. Bovendien zijn er aanwijzingen van samendrukkend geweld op de hals (bewijsmiddel 7).
- Voorts zijn de volgende bevindingen van belang: (a). Noch bij [slachtoffer 1], noch bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] zijn afweerverwondingen aangetroffen, zoals daarop duidende verwondingen aan vingers, handen of armen. Ook uit het bloedsporenbeeld bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] Haïm kan worden afgeleid dat deze slachtoffers zich niet of nauwelijks hebben verweerd op het moment dat zij werden gestoken. Indien zij zich wel hadden verweerd dan was een ander patroon wat betreft de verdeling van de bloedspatten en de richting van de bloedstromen te verwachten, aldus ing. Eikelenboom. (b). Geen van de gehoorde getuigen heeft op enig moment gegil of anderszins geluid gehoord dat in het algemeen gepaard gaat met ruzie, geweld of een worsteling. Behoudens een omgevallen stoel zijn in de woning evenmin andere aanwijzingen aangetroffen die op geweld of een worsteling kunnen duiden. (c). Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] zijn aangetroffen liggend op de grond in de woonkamer. [slachtoffer 4] is aangetroffen in nachtkleding, liggend op haar bed. (d). [slachtoffer 1] was gekleed in een ochtendjas, waaronder een "nachtgewaad" (dossier 1984 - blz. 265). De rechterschouder en -arm van [slachtoffer 2] lagen op de onderzijde van de ochtendjas van [slachtoffer 1] (dossier 1984 - blz. 264). (e). Op de ochtendjas van [slachtoffer 1] bevinden zich bloedspatten en een zogeheten overdrachtspatroon (zie de in bewijsmiddel 9 genoemde rapportage van ing. Eikelenboom, foto's e en f met bijgaande tekst). (f). De plaats van aantreffen van de verwondingen bij [slachtoffer 2] (zijkant hals) en het patroon dat de bloedstromen uit die verwondingen te zien geeft (bloed is twee kanten uitgelopen), zoals beschreven en gevisualiseerd door ing. Eikelenboom in zijn in bewijsmiddel 9 genoemde rapport, foto's c en d met bijgaande tekst. (g). [slachtoffer 2] zijn op haar lichaam en op het bed veel bloedsporen aangetroffen, zoals poelpatronen, overdrachtspatronen en bloedspatten.
- Uit geen van de voorgaande bevindingen kunnen conclusies worden getrokken aangaande het aantal daders dat betrokken is geweest bij de misdrijven die in deze zaak onderwerp van onderzoek zijn. Aangenomen dat slechts één dader verantwoordelijk is voor deze misdrijven, het hof komt hier overigens nog op terug, kunnen naar 's hofs oordeel de volgende conclusies worden getrokken.
- De steekverwondingen zijn [slachtoffer 2], blijkens de onder (f) bedoelde plaats van aantreffen van die verwondingen en blijkens het patroon van de bloedstromen uit de hals, toegebracht op het moment dat hij, [slachtoffer 2], op de kamervloer was gelegen.
- De steekverwondingen zijn [slachtoffer 2] toegediend op een moment dat zijn moeder, [slachtoffer 1], eveneens al op de grond lag. In de eerste plaats concludeert Eikelenboom hiertoe reeds op grond van de onder bevinding (e) hierboven genoemde bloedspatten en het overdrachtspatroon op de ochtendjas van [slachtoffer 1]. Eikelenboom onderbouwt hiermee zijn hypothese dat [slachtoffer 2], toen hij werd gestoken, zich bevond in een liggende positie vlakbij [slachtoffer 1], die - zo begrijpt het hof - derhalve ook op de grond was gelegen. Bovendien ziet het hof hiervoor ondersteuning in de bevinding onder (d), dat [slachtoffer 2] is aangetroffen liggend met zijn rechterarm en -schouder op de ochtendjas van [slachtoffer 1]. De verdediging heeft hier weliswaar tegen in gebracht dat deze positie mogelijk het gevolg is van één of meer "stuiptrekkingen" van [slachtoffer 2], maar het hof ziet onvoldoende ondersteuning voor de stelling dat de zogenoemde postmortale spiercontracties waarvan de brief van 13 mei 2004 van de deskundige prof. dr. B.A.J. Cohen melding maakt, zich op een zodanig grote schaal hebben voorgedaan dat zij een afdoende verklaring kunnen bieden voor de hier bedoelde - onderop liggende - positie van de rechterarm en -schouder van [slachtoffer 2] (zie PD-foto 34). Van meer omvangrijke spierbewegingen dan "contracties" of "trekkingen" maakt Cohen in zijn brief ook geen melding.
- Uit de bevindingen onder (a) en (b) leidt het hof voorts nog af dat niet alleen het toebrengen van steekverwondingen maar ook de strangulatie van [slachtoffer 2] heeft plaatsgevonden op een moment dat [slachtoffer 1] zich liggend op de grond bevond. De wurging met dodelijke afloop van [slachtoffer 2] zal immers enige tijd hebben gevergd. Aldus leest het hof ook de mededeling van de forensisch geneeskundige S. Schieveld op de bijeenkomst van 21 augustus 2002 (dossier 2002 - blz. 1006, bewijsmiddel 8) dat het bij strangulatie lang kan duren voordat de dood intreedt. Het hof acht het uitgesloten dat een lichamelijk gezonde en jonge vrouw als [slachtoffer 1] mede blijkens de sectiebevindingen was, zonder enig (hoorbaar) verzet duldt dat haar zoon [slachtoffer 2] op deze betrekkelijk tijdrovende wijze om het leven wordt gebracht. Bovendien zal het lichaam van [slachtoffer 2] in ieder geval na afloop van de verwurging een liggende positie hebben ingenomen en het is niet erg waarschijnlijk dat in het geval [slachtoffer 1] nadien om het leven is gebracht een deel van haar ochtendjas onder het lichaam van [slachtoffer 2] is terechtgekomen. Van verplaatsing van het lichaam van [slachtoffer 2] en dat van [slachtoffer 1] na de strangulatie is niet gebleken. De dader heeft ook overigens kennelijk geen moeite gedaan de lichamen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] te verbergen.
- [slachtoffer 1] is derhalve eerder om het leven gebracht dan [slachtoffer 2]. De zeer jeugdige leeftijd van [slachtoffer 2] en de daarmee samenhangende fysieke en psychische ontwikkeling maken ook overigens aannemelijk dat hij - indien hij al getuige was van het jegens zijn moeder uitgeoefende geweld - zich betrekkelijk weerloos en afwachtend heeft opgesteld en dat er mede om die reden bij hem geen afweerletsel is kunnen worden vastgesteld.
- Dat de dader voorafgaand aan het doden van [slachtoffer 1] haar negenjarige dochter [slachtoffer 4] heeft omgebracht is slecht denkbaar. Daar komt het hof nog op terug. Uit de bevinding onder (g) leidt het hof af dat [slachtoffer 4] liggend op haar bed is gedood. Het hof ontleent aan de bevinding onder (a) dat zij zich niet heeft verweerd. Het meisje is aangetroffen in nachtkleding op haar bed en bevond zich kennelijk in een toestand van rust. Alleen al om die reden zal zij voor enige geweldsuitoefening jegens haar persoon niet snel aanleiding hebben gegeven. Het tijdstip van overlijden a. bevindingen van uitwendige schouw
- Aan de hand van de opgetreden postmortale verschijnselen is in deze zaak getracht vast te stellen hoeveel tijd is verstreken tussen het moment van het overlijden van de slachtoffers en het moment waarop het onderzoek aan het lichaam van de overledenen heeft plaatsgevonden. De reeds genoemde deskundige, prof dr. Cohen, heeft in zijn op verzoek van de verdediging opgemaakt briefrapport van 23 januari 2004 alsmede ter zitting als deskundige gehoord aangegeven dat in het algemeen onderzoek wordt gedaan naar drie "de meest op de voorgrond tredende veranderingen na het overlijden", en hij noemt als onderzoeksthema's: - Algor mortis; met name onderzoek naar de temperatuursdaling van het lichaam, zulks gemeten in combinatie met de omgevingstemperatuur; - Livor mortis; onderzoek naar de mate waarin de lijkvlekken optreden, en "de kwaliteit" van de lijkvlekken; - Rigor mortis; onderzoek naar de mate van lijkstijfheid.
- Uit het dossier blijkt ten aanzien van deze postmortale verschijnselen het volgende: Lichaamstemperatuur - Lijkschouwer dr. Simmelink heeft naar aanleiding van de schouw op 5 maart 1984 om 19.00 uur over de lichaamstemperatuur opgemerkt dat de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geheel zijn afgekoeld. Simmelink weet zich in 2002 te herinneren (dossier 2002 - blz. 1005; bewijsmiddel 8) dat de buik van [slachtoffer 1] koud aanvoelde. - Rechercheurs van het bureau ernstige delicten (ED) merken op dat de lichamen van de kinderen koud c.q. ijskoud aanvoelden (dossier 1984 - blz. 3). Omtrent de omgevingstemperatuur is niet meer bekend dan dat de kachel brandde. Lijkvlekken - Lijkschouwer dr. Simmelink heeft naar aanleiding van zijn schouw van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 5 maart 1984 om 19.00 uur over het optreden van lijkvlekken opgemerkt: zowel wat betreft [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] lijkvlekken over het hele lichaam. - ED-rechercheurs constateren zeer veel lijkvlekken zichtbaar bij [slachtoffer 1]; de rechterhand is bijna geheel zwart; de rechterzijde is geheel donker gekleurd (dossier 1984 - blz. 6). - Dr. Voortman, arts en patholoog-anatoom, meldt in zijn rapporten naar aanleiding van een drietal secties die op 6 maart 1984 (tijdstip onbekend) hebben plaatsgevonden over [slachtoffer 1] dat er sterk ontwikkelde niet wegdrukbare blauwrode lijkvlekken aan de buikzijde van het lichaam waren opgetreden (bevinding 2), over [slachtoffer 4] dat matig ontwikkelde bleek blauwrode lijkvlekken zijn waargenomen (bevinding 2) en over [slachtoffer 2] dat er bleek blauwrode niet wegdrukbare lijkvlekken aan de buikzijde van het lichaam zijn aangetroffen (bevinding 8). Lijkstijfheid - Lijkschouwer dr. Simmelink merkt bij gelegenheid van de schouw van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] volledig lijkstijf waren. - Dr. Voortman, arts en patholoog-anatoom, meldt in zijn rapporten naar aanleiding van een drietal secties die op 6 maart 1984 (tijdstip onbekend) hebben plaatsgevonden dat [slachtoffer 1] enige lijkstijfheid in de benen had (bevinding 2), dat [slachtoffer 4] enige lijkstijfheid van de kaak en van de benen vertoonde (bevinding 2) en dat er bij [slachtoffer 2] weinig ontwikkelde lijkstijfheid was (bevinding 8).
- Lijkschouwer dr. Simmelink is op basis van voorgaande bevindingen van oordeel dat de slachtoffers minstens 24 uur en hoogstens 48 uur - naar het hof begrijpt - voor het tijdstip van zijn schouw zijn overleden. Forensisch geneeskundige S. Schieveld heeft hierover opgemerkt: "Als de buik inderdaad koud was dan betekent dat voor mij dat de slachtoffers minimaal 24 uur daarvoor zijn overleden.". Wat betreft het afnemen van de lijkstijfheid merkt dr. A. Maes, patholoog, op: "Na ca. 36 uur begint de lijkstijfheid te verdwijnen. Dit hangt af van de omstandigheden en de persoon zelf, zoals omgevingstemperatuur; ligt het slachtoffer bij een warmtebron. De lijkstijfheid verdwijnt niet eerder dan gemiddeld 24 uur na het intreden van de dood." (zie telkens bewijsmiddel 8). Op de vraag van raadsman Van Oosten heeft Prof. dr. Cohen ter zitting van 11 juni 2004 verklaard: "Het is juist dat lijkstijfheid bij kinderen eerder optreedt. Het is ook juist dat de periode van lijkstijfheid bij kinderen korter duurt dan bij volwassenen. Het hele proces is sneller, dus alle onderdelen van het proces zijn ook korter."
- Prof. dr. Cohen heeft zich met name in zijn briefrapport van 23 januari 2004 alsook ter terechtzitting van het hof van 11 juni 2004 kritisch uitgelaten over de wijze waarop in dit onderzoek de lijkschouwing heeft plaatsgehad. In de eerste plaats is Cohen van oordeel dat de lijkschouwer en rechercheurs geen of slechts zeer summier melding maken van waarnemingen over temperatuur, lijkvlekken en/of lijkstijfheid dan wel van een interpretatie ervan. De wel gebruikte termen ("koud", c.q. "ijskoud", en "volledige lijkstijfheid") zijn in zijn visie heel vage termen in het kader van een benadering van het tijdstip van overlijden waarvoor nog altijd zeer ruime marges dienen te worden gebruikt indien daarvoor nauwkeurige waarneming volgens de regelen der kunst gehanteerd zouden zijn geweest. Voort schrijft hij: "Indien ik mij baseer op de voorhanden zijnde gegevens, t.w. 'koud' en 'volledig lijkstijf' kan ook ik helaas geen nauwkeuriger benadering bereiken dan: 'meer dan 24 uur voorafgaande doch niet meer dan 48 uur voorafgaande' aan deze eerste waarnemingen." Ter zitting van het hof verduidelijkt Cohen zijn visie. Louter de constatering dat de buik koud aanvoelde kan "als eerste waarneming (..) nooit verkeerd zijn," maar - zo begrijpt het hof - dient indien mogelijk te worden gevolgd door andere meer betrouwbare metingen met daartoe geëigende instrumenten. Cohen: "Ikzelf zou niet verder durven gaan dan bij een overledene zeggen dat er sprake is van een koude buik en dat de overledene meerdere uren dood is. Ik zou dat niet eens durven benoemen." Ook ten aanzien van de andere postmortale fenomenen oordeelt Cohen dat een nauwkeuriger beschrijving van de aard van de lijkvlekken en de mate van de lijkstijfheid mogelijk en derhalve wenselijk was geweest. Ter terechtzitting is dr. Cohen door de oudste raadsheer de volgende vraag voorgelegd: "U heeft de stukken uit het dossier gezien. Gelet op de gegevens die uit het dossier blijken begrijp ik dat u zegt dat u de inschatting (hof: over het tijdsverloop tussen het intreden van de dood en de schouw) wel kunt volgen, maar dat u een wat uitgebreider onderzoek had gedaan, zodat u een wat nauwkeuriger schatting had kunnen maken. Is dat juist?" Het antwoord van dr. Cohen: "Dat is juist en indien het bij de recherche op problemen stuit - in verband met haar onderzoek -, dan was ik een uur later teruggekomen."
- In de tweede plaats heeft de deskundige gewezen op het statistische karakter van uitspraken over het tijdstip van overlijden. In antwoord op de vraag van raadsman mr. Van Oosten over de betrouwbaarheid van medische oordelen over het tijdstip van overlijden - uitgedrukt in het aantal uren dat is gelegen vóór het aantreffen van de overledene - als bijvoorbeeld "36 uur met een marge van +/- 12 uren", antwoordt Cohen: "Ik herken de vraagstelling en ik onderken de belangstelling die voor die specifieke nauwkeurigheid bestaat. Zelfs waar je zou zeggen 36 + of - 12 uren is het zo dat wanneer iemand vraagt of het ook nog 49 uren geleden kan zijn, dat je daar dan toch 'ja' op moet antwoorden. Je zegt dan niet dat het buiten de marge valt en niet kan. Het blijft toch een statistische benadering." In antwoord op een vraag van de verdachte antwoordt de deskundige: "Het is denkbaar dat de slachtoffers in een marge van 15 tot 24 uren - vóór ontdekking - zijn overleden." Cohen vervolgt met de waarschuwing voorzichtig te zijn met het "noemen van getallen." "Ik heb bij herhaling vastgesteld dat met name de juristen zeggen dat wanneer het tussen de 12 en 24 uren is, het derhalve niet 25 uren kan zijn. Het is een ander denkmodel en daar is niets verkeerd mee, maar juist om te voorkomen dat je op de pseudo-algebraïsche toer gaat, die niet verantwoord is, moet je je hiervan onthouden. 36 + of - 12 uren is een benadering. Het zou geen 72 uren mogen zijn. Het is juist dat de benadering meer valide wordt als je daar meer factoren bij betrekt, (...)."
- Uit het voorgaande trekt het hof de volgende conclusies.
- Op basis van de in dit onderzoek vaststaande waarnemingen over lichaamstemperatuur van de slachtoffers ("koude buik", dan "koud" c.q. "ijskoud"), de lijkstijfheid ("volledige lijkstijfheid" bij schouw en afgenomen lijkstijfheid bij de sectie) en het optreden van lijkvlekken (zeer veel), is een benadering te geven omtrent het tijdsverloop tussen het moment van overlijden en het moment van die waarnemingen. Daarbij moeten ruime marges worden genomen. Meer onderzoek en nauwkeuriger waarnemingen zouden een meer gespecificeerde benadering kunnen opleveren.
- De hier bedoelde benadering (36 +/- 12 uren) is een aanduiding van een statistische waarschijnlijkheid. Overschrijden van de bij deze benadering genoemde marges behoort tot de mogelijkheden doch is onwaarschijnlijker naarmate de overschrijding groter is. Eén en ander leidt in deze zaak tot het volgende.
- Mogelijk zijn de slachtoffers ongeveer 36 uur voor het moment van de schouw overleden, derhalve ongeveer 7 uur 's ochtends op zondag 4 maart
- Ook is het mogelijk dat zij zijn overleden op enig moment binnen een periode van 12 uur vóór dit tijdstip en 12 uur ná dit tijdstip. Het is waarschijnlijk tot zeer waarschijnlijk dat zij zijn overleden op een tijdstip dat is gelegen in deze hier bedoelde periode van 12 uur vóór en 12 uur ná 7 uur 's ochtends op zondag 4 maart
- Het is 'denkbaar' en dus zeker niet uitgesloten dat de slachtoffers zijn overleden op enig moment vóór of ná deze hiervoor bedoelde periode van 36 uren +/- 12 uren voor de schouw. Naarmate de overschrijding van deze marges groter is wordt de kans dat het overlijden zich op dat tijdstip heeft voorgedaan evenwel kleiner. Zo is het naar 's hofs oordeel niet (zeer) waarschijnlijk dat [slachtoffer 1] in leven was op zondag 4 maart 1984 omstreeks 22.00 uur (21 uur voor de schouw), maar het is op basis van voorgaande gegevens zeker niet uitgesloten. De kans dat [slachtoffer 1] en haar kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] maandagochtend 5 maart omstreeks 7.00 uur 's ochtends (12 uur voor de schouw) nog in leven waren is daarentegen zeer gering tot louter denkbeeldig.
- Dat de lijkstijfheid bij kinderen sneller zou verdwijnen dan gemiddeld 36 uur na overlijden (aldus dr. Cohen ter zitting van 11 juni 2004) en [slachtoffer 2] omstreeks 19.00 uur 's avonds op 5 maart 1984 volgens dr. Simmelink nog "volledig lijkstijf" was, acht het hof niet dermate indicatief dat voorgaande conclusies anders komen te liggen. Een periode die bijvoorbeeld 10 of 20% korter zou zijn dan gemiddeld 36 uren valt immers nog ruimschoots binnen de gehanteerde marges.
- Op basis van de forensisch geneeskundige bevindingen is derhalve binnen zekere marges wel een waarschijnlijkheidsoordeel te geven over het moment van overlijden, doch geen definitief uitsluitsel te verkrijgen. b. bevindingen van de inwendige schouw
- De maaginhoud De sectierapporten vermelden over de maaginhoud van de slachtoffers het volgende: - [slachtoffer 1]: de maag was vrijwel leeg (bevinding 22); - [slachtoffer 2]: in de maag was wat bloederig slijm (bevinding 20); - [slachtoffer 4]: de maag bevatte een geringe hoeveelheid bleek bruingele vloeistof (bevinding 21). - De rapporten maken geen melding van het aantreffen van (onverteerd) voedsel in de maag of darmen. Kennelijk is geen onverteerd voedsel aangetroffen in het maag/darmstelsel van zowel [slachtoffer 1] als die van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2]. Patholoog dr. A. Maes heeft opgemerkt over de 'vrijwel lege' maag van [slachtoffer 1] (dossier 2002 - blz. 1004; bewijsmiddel 8): "Vermoedelijk wordt er bedoeld dat er zich geen eten meer in de maag bevond. Er bevond zich vermoedelijk alleen wat lijkvocht in de maag. Maar gemiddeld genomen verteert bij een mens het eten en drinken binnen 6 - 8 uur na nuttiging. Het maakt daarbij niet uit of het een man, vrouw of kind is." Bovendien merkt dr. Maes op dat voedsel in de maag na overlijden niet meer wordt verteerd.
- Gehalte aan alcohol in het bloed van [slachtoffer 1] Het sectierapport betreffende [slachtoffer 1] bevat in de samenvatting onder F de mededeling dat het alcoholgehalte van het bloed 0,07 ‰ bedroeg. Dr. Maes en forensisch geneeskundige Schieveld merken hierover op (dossier 2002 - blz. 1005) dat dit gehalte door ontbinding kan zijn veroorzaakt. Dr. Maes en de forensisch geneeskundige Schieveld maken - naar het hof begrijpt naar aanleiding van hun getoonde foto's van de plaats van het delict - bovendien melding van indicaties voor een reeds ingezet rottingsproces in het lichaam van [slachtoffer 1] (dossier 2002 - blz. 1003), nl. het bruinachtige vocht uit de mond en de groene verkleuring in de buikhuid. In antwoord op de vraag van Mr. Van Oosten "Vanaf welk moment kan een lichaam of een lijk zelf alcohol aanmaken?" antwoordt de deskundige prof. dr. Cohen ter terechtzitting van 11 juni 2004: "Dan moet er in ieder geval al sprake zijn van enige ontbinding, derhalve een rottingsproces. De soort alcohol die postmortaal gevormd wordt is een andere dan de alcohol die wij voor consumptie plegen te gebruiken. De hoeveelheden die gebruikt worden zijn óók niet van dien aard dat het ook maar in de buurt komt van de grote getallen die in de Wegenverkeerswet worden gehanteerd. Het bestaat als fenomeen, maar het is kwantitatief toch veel minder indrukwekkend dan het bloedalcoholgehalte na bijvoorbeeld het nuttigen van drie glazen bier."
- Aan de hand van voorgaande bevindingen concludeert het hof als volgt:
- Wat betreft de bevinding onder 14 omtrent het alcoholgehalte in het bloed van [slachtoffer 1] heeft de verdediging erop gewezen dat dit een onderbouwing vormt van het door hen beargumenteerde 'avondscenario'. Daaronder verstaat de verdediging, aldus begrijpt het hof, dat de misdrijven op enig moment vóór aanvang van de nachtrust van [slachtoffer 1] hebben plaatsgevonden, en dus in elk geval niet in de ochtend van 4 maart
- Het hof komt hier nog uitgebreider over te spreken. Reeds nu valt evenwel uit de feitelijke bevindingen en hetgeen Maes, Schieveld en Cohen hierover hebben meegedeeld af te leiden dat het aantreffen van alcohol in het bloed van [slachtoffer 1] zeer wel mogelijk kan worden toegeschreven aan een reeds ingezet rottingsproces in haar lichaam, waarvoor ook indicaties bestaan. Evenzeer past het - naar wegenverkeersmaatstaven - geringe alcoholgehalte van 0,07 ‰ in die gedachtegang. Daar komt nog eens bij dat [slachtoffer 1] volgens haar vriendin en buurvrouw [getuige 4] niet dronk en behalve een paar oude flessen wijn geen alcohol in huis had (dossier 1984 - blz. 147). In ieder geval is duidelijk dat het alcoholgehalte niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid te herleiden is tot een aan de nachtrust voorafgaand alcoholgebruik door [slachtoffer 1]. Het alcoholgehalte vormt dan ook geen indicatie voor dit zogenoemde 'avondscenario'.
- Wat betreft de bevinding onder 13 dat in het maag/darmstelsel van geen der onderzochte lichamen onverteerd voedsel is aangetroffen concludeert het hof in het licht van de mededelingen van dr. Maes dat het moment waarop ieder van de slachtoffers hun laatste voedsel tot zich hebben genomen waarschijnlijk is gelegen op een tijdstip ten minste 6 à 8 uren voorafgaand aan het overlijden.
- Hoewel als zodanig niet besproken door dr. Cohen ter zitting van 11 juni 2004 neemt het hof aan dat de door dr. Maes gegeven indicatie van gemiddeld 6 à 8 uren waarin voedsel in het menselijk lichaam volledig wordt verteerd een uitspraak van statistische aard is en dat er derhalve afhankelijk van de omstandigheden personen zullen zijn (al zijn dat er naar verwachting niet veel) in wier lichaam voedsel sneller volledig wordt verteerd dan in de hier gegeven ondergrens van 6 uren na voedselinname. Anderzijds is de kans dat onder overigens gelijke omstandigheden na 6 uren bij drie personen geen onverteerd voedsel wordt aangetroffen geringer dan dat zulks bij één persoon het geval is. Het hof vindt het dan ook juridisch verantwoord om ervan uit te gaan dat de laatste voedselinname door de slachtoffers ten minste (ongeveer) 6 uren voor overlijden heeft plaatsgehad.
- In een regulier gezin met kinderen zal de gesteldheid van de lege maag zich slechts voordoen tijdens de nachtelijke uren tot aan het ontbijt. De avondmaaltijd werd in het gezin van [slachtoffer 1] gebruikt rond 17.30 - 18.00 uur, zodat ervan mag worden uitgegaan dat het laatste substantiële voedsel om ongeveer 18.00 uur zal zijn genuttigd.
- Dit betekent tegen de achtergrond van hetgeen door het hof onder a (naar aanleiding van de uitwendige schouw) is geconcludeerd over de periode waarbinnen de slachtoffers voorafgaand aan het moment van maandag 5 maart 1984 omstreeks 19.00 uur (tijdstip uitwendige schouw door dr. Simmelink) om het leven zijn gebracht dat in beginsel slechts twee periodes hiervoor in aanmerking komen, namelijk: 1e periode van omstreeks 00.00 uur tot aan het ontbijt in de ochtend van zondag 4 maart 1984; 2e periode van omstreeks 00.00 uur tot aan het ontbijt in de ochtend van maandag 5 maart
- Gelet op de conclusies onder a (naar aanleiding van de uitwendige schouw) volgt alleen al dat het aanmerkelijk waarschijnlijker is dat het overlijden van de slachtoffers heeft plaatsgevonden op enig moment in de eerste periode dan op enig moment in de tweede periode, ook indien rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de misdrijven plaatsvonden op enig moment rond de aanvang van de tweede periode, dat wil zeggen rond middernacht in de nacht van zondag 4 maart op maandag 5 maart
- Een nog onbesproken periode, namelijk van omstreeks 00.00 uur tot aan het ontbijt in de ochtend van zaterdag 3 maart 1984, komt naar alle waarschijnlijkheid op basis van voorstaande gegevens niet in aanmerking als periode waarbinnen het overlijden heeft plaatsgehad. Omstreeks 7.00 uur die ochtend van 3 maart 1984 is een tijdstip van 60 uur vóór de schouw van dr. Simmelink. De volledige lijkstijfheid had dan reeds lang opgeheven zijn geweest, zoals bij de inwendige schouw door dr. Voortman inderdaad het geval was. c. bevindingen van de plaats delict
- Het zogeheten proces-verbaal van inspreken plaats delict (dossier 1984 - blzz. 255 t/m 309; bewijsmiddel 2) en de foto's die van de plaats van het delict zijn gemaakt, zijn betrouwbare bronnen van kennis omtrent de situatie ter plaatse: - Er zijn geen sporen van verbreking aangetroffen, noch van de voordeur, noch op enige andere plek in de woning; - Er zijn ook overigens geen sporen van geweld aangetroffen, behoudens een omgevallen stoel; - [slachtoffer 4] lag op bed en droeg een pyjama; - [slachtoffer 2] droeg een pyjama en is in de woonkamer liggend aangetroffen; hij was blootsvoets; - [slachtoffer 1] droeg een zogeheten ochtendjas, waaronder een "nachtgewaad" en is in de woonkamer liggend aangetroffen (dossier 1984 - blz. 265); - Zij was opgemaakt (zie sectiefoto's 109 02, 109 03 en 109 04, alsmede de verklaring van [getuige 23], dossier 2002 - blz. 128); - Op de salontafel stond een thermoskan voor koffie, die "nagenoeg vol" was (dossier 1984 - blz. 271, PD-foto's 42 en 51); - Op de salontafel stond een koffiebeker met een bodempje koffie (dossier 1984 - blz. 271); - In de asbak op de salontafel lagen twee peuken van filtersigaretten en er stond een leeg sigarettendoosje (dossier 1984 - blz. 271); - De twee sigaretten zijn hoogstwaarschijnlijk gerookt door [slachtoffer 1] (dossier 1984 - blz. 504 en dossier 2002 - blzz. 607 en 608); - In de hal en de woonkamer brandde licht (bewijsmiddel 1); - De slaapkamer van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] was donker; er brandde geen licht (dossier 1984 - blz. 3) en de gordijnen waren gesloten (dossier 1984 - blz. 285); - Ook de gordijnen van de woonkamer en de slaapkamer van [slachtoffer 1] waren gesloten (bewijsmiddel 1, resp. dossier 1984 - blz. 274); - Het beddengoed van het tweepersoonsbed van [slachtoffer 1] was deels opengeslagen; kennelijk was het bed door één persoon gebruikt, althans na gebruik niet opgemaakt (dossier 1984 - blz. 276); er liggen twee kussens op elkaar aan het hoofdeinde van het gebruikte deel van het bed; er liggen geen kussens aan het hoofdeinde van het ongebruikte deel van het bed (PD-foto 65); - Het beddengoed van het bed van [slachtoffer 2] was opengeslagen en het bed was kennelijk gebruikt, althans niet opgemaakt; op het bed ligt aan het hoofdeinde een kennelijk gebruikt kussen met de indruk van een hoofd zichtbaar, alsmede enige sporen van slijm (dossier 1984 - blz. 286, zie PD foto 87); op de onderste boekenplank boven dat bed staat een glas voor ongeveer de helft gevuld met een op appelsap gelijkende substantie (dossier 1984 - blz. 286, alsmede PD-foto 85); naast het bed liggen twee slofjes (in het inspreekproces-verbaal "balletschoentjes" genoemd; dossier 1984 - blz. 285, zie PD-foto 86); - De kachel was in werking (dossier 1984 - blz. 268); - De woning maakt op de verbalisanten van het proces-verbaal van inspreken een opgeruimde indruk, die wordt bevestigd door hetgeen de foto's te zien geven; - In de woonkamer ligt - zoals vermeld - een stoel op de grond (PD-foto's 42 e.v.); - In het afdruiprek in gootsteen van de keuken lag een schoongemaakte asbak en stonden een drietal glazen (dossier 1984 - blz. 291). Naast het afdruiprek staat op het aanrecht een koffiefilter gevuld met koffiedrab (PD-foto 99).
- Uit de verklaringen van [getuige 5], de zuster van [slachtoffer 1], en van [getuige 4], buurvrouw en vriendin van [slachtoffer 1], komt naar voren dat [slachtoffer 1] een betrekkelijk bestendig gedragspatroon onderhield. - Getuige [getuige 4] (dossier 1984 - blz. 27): "Zij (hof: [slachtoffer 1]) was altijd aan het poetsen." - [getuige 4] (dossier 1984 - blz. 56): "Zij (hof: [slachtoffer 1]) dronk de gehele dag door koffie. Zij zette deze koffie met een filter op een thermoskan en hield deze geregeld gevuld zodat er altijd koffie aanwezig was." - [getuige 4] (dossier 1984 - 146): "Het gezin at altijd tussen 17.30 uur en 18.00 uur, elke dag van de week. (...) Voor wat opstaan betreft, [naam 3] was altijd vroeg wakker. Omstreeks 6.30 uur moest ze op staan, omdat [slachtoffer 2] langzaam at als hij naar school moest. (...) Noch [slachtoffer 1], noch de kinderen liepen lang in nachtgewaad. Na het eten en douchen werden de kinderen aangekleed. Voor zover ik weet liep [slachtoffer 1] 's avonds nooit in nachtgewaad rond. (...) [slachtoffer 1] ging altijd laat naar bed, dat wil zeggen altijd na 24.00 uur. (...). [slachtoffer 1] rookte filtersigaretten. (...). Als [slachtoffer 1] opstond stak ze meestal een sigaret op. De asbakken leegde ze 's avonds altijd omdat het anders ging stinken in de kamer." - [getuige 4] (dossier 2002 - blz. 131): "[slachtoffer 1] sliep in pyjama, in ieder geval in nachtkleding en bij opstaan trok ze meestal een ochtendjas aan. Ze ging dan voor haar zelf koffie zetten. U toont mij nu een foto van een koffiefilter met daarin koffiedrab. [slachtoffer 1] maakte 's morgens meestal eenmaal koffie voor haar zelf, voor meerdere kopjes. Als er bezoek kwam zette ze meer. Ook rookte ze. Ik weet niet of ze dat al meteen na het opstaan deed maar volgens mij rookte ze wel een pakje (filter)sigaretten per dag op, (...). Voor het naar bed gaan maakte ze alles schoon, of zette afwas in de gootsteen, zo ook de asbakken, die werden nooit in de kamer achtergelaten. (...). [slachtoffer 1] was een goed verzorgd type, ze maakte zichzelf 's morgens op (...). 's Avonds ging ze altijd afschminken voordat ze naar bed ging." - [getuige 5] (dossier 1984 - blz. 235): "[slachtoffer 1] was in het algemeen vroeg op. Ook in de weekenden stond [slachtoffer 1] omstreeks 8.00 uur op. Het eerste wat zij dan deed was koffie zetten. Zij kleedde zich niet gelijk aan. Zij bleef in haar ochtendjas lopen. Ook ging zij gelijk roken. Ik denk dat zij binnen het uur al vier sigaretten op zou hebben gerookt. [slachtoffer 2] was ook altijd vroeg wakker. [slachtoffer 4] bleef altijd wat langer in bed." - [getuige 5] (dossier 2002 - blz. 123): "[slachtoffer 1] sliep meestal in een slaapshirt. Ze kleedde haar aan als de kinderen naar school moesten. In het weekend kleedde ze zich meestal eerst in haar ochtendjas die ze dan een tijdje aanhield. Bij het opstaan zette ze eerste koffie. Zij gebruikte een koffiezetapparaat en goot de koffie in een thermoskan. Deze werd dan meestal voor de helft gevuld, waarvan ze ook later de dag dronk. 's Avonds zette ze voorzover ik weet, voor haarzelf geen koffie meer. U toont mij een foto van de koffiefilter met daarin koffieprut. Dit zou kunnen wijzen op vers gezette koffie (...). Normaal gesproken maakte [slachtoffer 1] alleen 's morgens koffie ook voor later gebruik die dag. [slachtoffer 1] maakte 's avonds geen koffie voor haarzelf, mogelijk alleen als ze bezoek kreeg. Zij maakte meestal niet gelijk maar wel later die dag het koffiefilter schoon, in ieder geval liet ze die niet lang bevuild staan. Ze liet meestal geen afwas staan voor de volgende dag, ja mogelijk eens een vuil kopje maar dat mocht geen naam hebben. Na het koffiezetten stak ze meestal een sigaret op. Ze rookte ook filtersigaretten. Ook de asbak werd elke dag schoon gemaakt, meestal voor het slapen gaan of zij zette de vuile asbak(ken) op het aanrecht. Voorzover ik weet, bleef/bleven die niet in de woonkamer achter." - [getuige 5] (dossier 2002 - blz. 285): Op de vraag of zij weet of [slachtoffer 1] shag rookte: "Ja dat weet ik, want ik weet zeker dat [slachtoffer 1] geen shag rookte. Zij rookte filtersigaretten." Op de vraag of [slachtoffer 1] 's avonds ook wel in ochtendjas liep: "Jazeker, dat deed ze wel. Ze liep dan vaak in iets makkelijks." Op de vraag of [slachtoffer 1] make-up droeg: "Ja, echter niet vaak. Ze droeg dan lichte make-up (...). Ze voelde zich dan zekerder. In de avond ging (ze) dan weer afschminken."
- Ter zitting is veel discussie geweest over de vraag of aan de hand van de gegevens die van de plaats delict bekend zijn geworden (i) met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de misdrijven zijn gepleegd op enig moment vrij kort nadat [slachtoffer 1] is opgestaan, het zogeheten 'ochtendscenario' dat wordt voorgestaan door de advocaat-generaal, dan wel (ii) zeer wel mogelijk is dat de misdrijven zijn gepleegd op enig moment vóórdat [slachtoffer 1] naar bed is gegaan, het eerder genoemde 'avondscenario' waarvan de verdediging heeft betoogd dat het tot de mogelijkheden behoort.
- Het hof sluit zich evenwel aan bij het standpunt van de advocaat-generaal. Er zijn aan de hand van hetgeen over het gedragspatroon van [slachtoffer 1] bekend is geworden voldoende indicaties om aan te nemen dat de misdrijven zich hebben voorgedaan op enig moment in de ochtend. Tegen het zogeheten avondscenario en vóór het ochtendscenario pleiten naar 's hofs oordeel de volgende indicatoren:
- Er stond een nagenoeg volle thermoskan gevuld met koffie op de tafel. Het met koffiedrab gevulde koffiefilter dat op het aanrecht is aangetroffen doet vermoeden dat zij kort tevoren koffie nog heeft gezet. Dat is voor de vroege avond nog wel denkbaar, maar voor de late avond, vlak voor het slapengaan niet aannemelijk. Volgens [getuige 5] zette haar zus [slachtoffer 1] voor zover zij weet 's avonds voor zichzelf geen koffie meer.
- In de keuken stonden een asbak en drie glazen in een afdruiprek. Overigens was alles schoongemaakt en opgeruimd. Die situatie deed zich in het bestendige gedragspatroon van [slachtoffer 1] voor vlak voordat zij naar bed ging, maar daarmee laat zich niet rijmen dat er een onopgeruimde nagenoeg volle thermoskan met koffie op tafel stond en daarnaast een beker met een bodempje koffie, alsmede een asbak met daarin twee sigarettenpeuken. Het eerder genoemde met drab gevulde koffiefilter - dat zij vrij snel placht op te ruimen - past geheel in het scenario waarin zij kort tevoren is opgestaan en koffie heeft gezet voor een groot deel van de komende dag.
- Het bed van [slachtoffer 1] is naar het zich laat aanzien door slechts één persoon gebruikt. Twee kussens liggen op elkaar aan de gebruikte zijde van het bed, en geen kussen aan de andere zijde. Ook het eenpersoonsbed van [slachtoffer 2] is kennelijk gebruikt. Er staat een glaasje met op appelsap gelijkende drank op een boekenplank boven het bed. Het hof acht het dan ook aannemelijk dat [slachtoffer 2] in zijn eigen bed heeft geslapen en [slachtoffer 1] in het hare. Deze constatering pleit in hoge mate voor het ochtendscenario en zij verhoudt zich zeer slecht met het avondscenario. Het door de verdediging aangehangen avondscenario wordt alleen ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 4] (dossier 2002 - blz. 133): "Ik wilde weten hoe het was met [slachtoffer 2]. Hij was dat weekend ziek, had zo'n 40 graden koorts. Als één van de kinderen van [slachtoffer 1] ziek was, nam ze die bij haar in bed. Ik wist ook dat [slachtoffer 2] nu bij haar in bed zou liggen en dat [slachtoffer 1] vermoedelijk weinig aan nachtrust was toegekomen." De verdediging leidt uit de toestand van de bedden af dat [slachtoffer 2] aanvankelijk in zijn eigen bed heeft geslapen en vervolgens door [slachtoffer 1] in haar bed is gelegd, in overeenstemming met hetgeen door [getuige 4] zou zijn verklaard. [slachtoffer 1] zou dus juist nog niet hebben geslapen, aldus de verdediging. Naar 's hofs oordeel boet de uitlating van [getuige 4] evenwel aan kracht in door de beduidend minder stellige mededeling van [getuige 5] over de mogelijkheid dat [slachtoffer 2] wegens zijn koorts bij zijn moeder in bed heeft gelegen ("Het zou best zo kunnen zijn dat [slachtoffer 2] dat weekend bij [slachtoffer 1] in bed heeft gelegen en dat ze tegelijk zijn opgestaan." dossier 2002 - blz. 123). Voorts kan in elk geval worden geconstateerd dat [slachtoffer 1] haar zoon [slachtoffer 2] niet zoals [getuige 4] heeft verklaard bij zich in bed heeft genomen, anders zouden twee plaatsen op haar tweepersoonsbed zijn benut. Het feit dat het kennelijk voor [slachtoffer 2] bestemde glaasje met op appelsap gelijkende substantie boven zijn eigen bed stond, het kussen van [slachtoffer 2] nog op zijn bed lag, alsmede slofjes naast zijn bed lagen, wijzen erop dat [slachtoffer 2] steeds in zijn eigen bed geslapen heeft.
- Géén dan wel geringe indicatoren zijn de volgende:
- Dat de kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] voor de nacht waren gekleed zal zich zowel 's avonds na kinderbedtijd als 's ochtends hebben voorgedaan.
- [slachtoffer 1] was gekleed in nachtgewaad en ochtendjas. Uiteraard beseft het hof dat een ochtendjas niet alleen 's ochtends, maar ook 's avonds gedragen kan worden. [getuige 4] (buurvrouw en vriendin van [slachtoffer 1]) heeft meegedeeld dat [slachtoffer 1] voor zover zij wist wél laat naar bed ging, maar 's avonds niet in nachtkleding rondliep. Dat lijkt een sterke indicatie vóór het ochtendscenario. Het hof kan echter onvoldoende uitsluiten dat hetgeen [getuige 5] heeft verklaard, namelijk dat [slachtoffer 1] ook 's avonds wel in ochtendjas liep, in deze zaak van toepassing is.
- [slachtoffer 4] is in bed aangetroffen en [slachtoffer 2] was opgestaan, althans is in de woonkamer aangetroffen. De advocaat-generaal moet worden toegegeven dat deze situatie overeenstemt met de door [getuige 5] beschreven situatie ("[slachtoffer 2] was ook altijd vroeg wakker, [slachtoffer 4] bleef altijd wat langer in bed"), maar deze situatie kan zich ook voordoen indien [slachtoffer 2] door enig geluid uit zijn slaap is gewekt en op het geluid is afgekomen. 4.