GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Bij vervroeging Beslissing van 5 januari 2006 in de zaak onder rekestnummer 357/05 GDW van: [O], wonende te [woonplaats], APPELLANT t e g e n 1. MR. [X], gerechtsdeurwaarder te [plaats], 2. MR. [Y], toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats], GEïNTIMEERDEN. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 4 maart 2005 ingekomen een verzoekschrift - met één bijlage - van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij tijdig hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 15 februari 2005, waarbij de klacht van klager tegen de geïntimeerden, verder te noemen de gerechtsdeurwaarders, op één onderdeel gegrond is verklaard zonder oplegging van een maatregel en voor het overige ongegrond is verklaard. 1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarders is op 8 april 2005 een verweerschrift - met één bijlage - ter griffie van het hof ingekomen. 1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 september 2005, alwaar klager is verschenen. De gerechtsdeurwaarders hebben bij brief, ingekomen op 5 september 2005, laten weten niet te zullen verschijnen. Klager heeft het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie en heeft tevens vier foto’s overgelegd. Het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling, alsmede de pleitnotitie van klager en de foto’s, zijn door het hof aan de gerechtsdeurwaarders gezonden. 1.4. Het hof heeft voorts de verdere behandeling van de zaak op 8 september 2005 aangehouden, en bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden voortgezet op 24 november 2005. Partijen zijn voor deze mondelinge behandeling opgeroepen en verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd, de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft dit namens de gerechtsdeurwaarders gedaan aan de hand van een pleitnotitie. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, alsmede van de hiervoor vermelde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. 4. Het standpunt van klager 4.1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders dat zij bij het leggen van beslag meerdere keren dezelfde omschrijving van de in beslag genomen roerende zaken hebben opgenomen in het exploot van beslaglegging. Dit terwijl klager in augustus 2001 andere meubels heeft gekocht en in zijn woonkamer heeft geplaatst, en de oude meubels heeft verkocht. Bovendien zijn niet alle in het proces-verbaal opgenomen roerende zaken te zien door het voorraam van de woonkamer. 4.2. Voorts verwijt klager de gerechtsdeurwaarders dat zij een door hem voorgestelde betalingsregeling niet hebben geaccepteerd. 4.3. Ten aanzien van twee op 31 januari 2002 gelegde beslagen stelt klager dat de gerechtsdeurwaarders tweemaal informatiekosten in rekening hebben gebracht. 4.4. Ook verwijt klager de gerechtsdeurwaarders dat zij de door hem gedane betalingen niet hebben afgeschreven op de door hem genoemde dossiers. 4.5. Tenslotte stelt klager dat de gerechtsdeurwaarders van het eerder kwijtgescholden restantbedrag betaling hebben geëist na indiening van de klacht. 5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders 5.1. De gerechtsdeurwaarders stellen dat ten laste van klager op enig moment meerdere zaken ten kantore van de gerechtsdeurwaarders in behandeling waren voor welke dossiers op drie verschillende data in 2001 en 2002 executoriaal beslag is gelegd. De reden voor het leggen van deze executoriale beslagen was gelegen in het feit dat klager niet voldeed aan de tussen hem en het gerechtsdeurwaarderskantoor overeengekomen betalingsregeling. In de processen-verbaal zijn de roerende zaken opgenomen die eerder in 2000 in beslag zijn genomen. Er werd in principe vanuit gegaan dat klager nog steeds in het bezit was van deze roerende zaken. De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder stelt door het raam naar binnen te hebben gekeken en vervolgens op een lijst, die zij ter beschikking had, de zaken te hebben aangevinkt waarvan zij heeft geconstateerd dat deze nog in de woning aanwezig waren. Klager heeft dan ook geen bezwaar gemaakt tegen de opvolgende beslagen. Pas na het laatst gelegde executoriaal beslag heeft klager aan de gerechtsdeurwaarder de vraag voorgelegd of het wel mogelijk is om telkens uit te gaan van een lijst van roerende zaken die in een ander dossier in beslag zijn genomen. Pas in de door klager ingediende klacht verzet klager zicht tegen de beslagleggingen door te stellen dat de destijds in beslag genomen roerende zaken niet meer zijn eigendom zijn. 5.2. Wat betreft de door klager voorgestelde betalingsregeling wijzen de gerechtsdeurwaarders erop dat zij een brief, gedateerd 2 april 2003, aan klager hebben gezonden waarin een voorstel tot afbetaling was opgenomen. Indien klager het eens was met dit voorstel moest hij het bijgaande formulier binnen vijf dagen geheel ingevuld retourneren, bij gebreke waarvan geen regeling zou worden getroffen. Dit hield in, aldus de gerechtsdeurwaarders, dat het formulier uiterlijk op 7 april 2003 in hun bezit diende te zijn. Op 8 april 2003 heeft klager telefonisch contact gehad met een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor en medegedeeld dat hij een betalingsregeling van zes maanden wilde treffen. De medewerker heeft toen aan klager medegedeeld dat hij geen ingevuld formulier had ontvangen en dat zijn verzoek niet in behandeling zou worden genomen. Pas op 16 april 2003 heeft klager opnieuw telefonisch contact opgenomen met de desbetreffende medewerker, met opnieuw een voorstel om af te betalen in zes maanden. De medewerker heeft klager toen terecht medegedeeld dat het treffen van een betalingsregeling niet meer mogelijk was, omdat de termijn voor het indienen van het formulier verstreken was. 5.3. Ten aanzien van het twee keer in rekening brengen van informatiekosten voor beslagen gelegd op 31 januari 2002 stellen de gerechtsdeurwaarders dat dit dossiers betreft waarvoor handelingen zijn verricht vóór 1 juli 2001, te weten vóór de inwerkingtreding van de BTAG, en dat het gerechtsdeurwaarders destijds was toegestaan de kosten van informaties aan de debiteur door te berekenen. 5.4. Wat betreft het onderdeel van de klacht dat zich richt op de afboeking van betalingen op verschillende dossiers stellen de gerechtsdeurwaarders het volgende. Op enig moment had klager drie dossiers lopen ten kantore van de gerechtsdeurwaarder. Voor deze dossiers had klager één betalingsregeling. Indien een dergelijke betalingsregeling wordt getroffen worden de gelden die worden voldaan verdeeld over de dossiers, ook als er bij de overboeking slechts één dossiernummer wordt vermeld. Klager kan niet eenzijdig afwijken van deze betalingsregeling. 5.5. Tenslotte stellen de gerechtsdeurwaarders ter zake van de kwijtschelding van het bedrag van € 72,07 dat dit gebeurde tijdens een telefonisch gesprek dat gerechtsdeurwaarder sub 1. heeft gevoerd met klager omtrent de gang van zaken. Klager bevestigde tijdens dit gesprek dat al zijn grieven waren verholpen, waarop het resterende bedrag werd kwijtgescholden zodat het dossier gesloten kon worden. Klager heeft vervolgens echter - buiten medeweten van de gerechtsdeurwaarders om - een klacht ingediend. 6. De beoordeling 6.1. Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht, waarin de gerechtsdeurwaarders wordt verweten dat zij bij het leggen van beslag meerdere keren dezelfde omschrijving van de in beslag genomen roerende zaken hebben opgenomen in het exploot van beslaglegging, overweegt het hof als volgt. Evenals de kamer is het hof van oordeel dat uit de bij de kamer onder ede afgelegde verklaringen door getuige [O] en getuige Bakker kan worden afgeleid dat er op 31 januari 2002 andere meubels in de woonkamer van klager aanwezig waren. Hetgeen klager tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard, geïllustreerd met foto’s van de meubels, ondersteunt deze verklaringen. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij door het raam heeft gekeken en vervolgens op een lijst, afkomstig van een eerder beslag, heeft doorgehaald welke meubels zich volgens haar waarneming niet in de woning bevonden. Zij heeft tevens gesteld dat het gebruikelijk is dat bij dit soort raambeslagen processen-verbaal van tevoren worden opgemaakt en dat men ervan uitgaat dat het proces-verbaal klopt zolang de debiteur zich niet meldt. (In de toelichting d.d. 25 juli 2003 naar aanleiding van de klacht bij de kamer schrijft de kandidaat-gerechtsdeurwaarder: “In principe werd ervan uitgegaan dat de debiteur, i.c. dhr. [O], nog steeds in het bezit was van de roerende zaken die eerder in beslag werden genomen.”)Voorts is uit de door klager afgelegde verklaring en de door hem overgelegde foto’s af te leiden dat het zicht op de meubels door het raam in beperkte mate mogelijk was. Dit tezamen leidt tot het oordeel van het hof dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder haar overtuiging dat het om dezelfde meubels ging op zijn minst genomen niet voldoende heeft geverifieerd. Het hof acht dit onzorgvuldig. Aangezien deze gang van zaken niet ongebruikelijk is binnen de praktijk van deze gerechtsdeurwaarders, zoals blijkt uit eerdergenoemde verklaringen van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder tijdens de mondelinge behandeling, is het hof van oordeel dat deze onzorgvuldige gang van zaken tevens is toe te rekenen aan de gerechtsdeurwaarder sub 1. Gezien de ernst van dit verwijt is het hof van oordeel dat zowel de kandidaat-gerechtsdeurwaarder als de gerechtsdeurwaarder sub 1. een berisping dient te worden opgelegd. Het oordeel van de kamer ten aanzien van dit onderdeel van de klacht dient te worden vernietigd. 6.2. Het verwijt dat de gerechtsdeurwaarders een door klager voorgestelde betalingsregeling niet hebben geaccepteerd wordt door het hof als volgt beoordeeld. De gerechtsdeurwaarders hebben de gang van zaken beschreven rondom het voorstel voor afbetaling, welke beschrijving door klager niet is bestreden. Hieruit blijkt dat klager het aan hem toegezonden formulier, bedoeld om een betalingsregeling voor te stellen, niet heeft geretourneerd aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarders. Naar het oordeel van het hof is dit onderdeel van de klacht ongegrond. 6.3. Ten aanzien van het onderdeel van de klacht waarin de gerechtsdeurwaarders wordt verweten twee keer informatiekosten in rekening te hebben gebracht overweegt het hof, evenals de kamer, dat deze kosten voor inwerkingtreding van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders, op 1 juli 2001, bij de debiteur in rekening mochten worden gebracht. Het betreft hier kosten die zijn gemaakt voor informatie bij recherchebureaus, GBA, GAK en sociale dienst, op 20 juni 2000, 14 en 15 augustus 2000, 20 maart 2001 en 24 april 2001, en derhalve vóór 1 juli 2001. Dit onderdeel van de klacht kan dan ook niet slagen. 6.4. Door klager is niet betwist dat hij met de gerechtsdeurwaarders een afspraak had gemaakt om de door hem te storten bedragen te verdelen over de dossiers, die ten kantore van de gerechtsdeurwaarders aanhangig waren. Onder deze omstandigheden lag het op de weg van klager om die afspraak te herzien, zo hij dat wilde. De enkele vermelding van één dossiernummer bij de overboeking was daartoe onvoldoende. Het hof is daarom met de gerechtsdeurwaarders van oordeel dat klager niet eenzijdig van een overeengekomen betalingsregeling kan afwijken. Evenals de kamer is het hof van oordeel dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is. 6.5. Tenslotte oordeelt het hof ten aanzien van de gang van zaken rondom een eerder kwijtgescholden bedrag aan klager dat de gerechtsdeurwaarder sub 1. niet eenzijdig kan terugkomen van deze afspraak. Dat klager na de gemaakte afspraak en buiten medeweten van de gerechtsdeurwaarders een klacht heeft ingediend mag geen aanleiding zijn om eenzijdig van een dergelijke afspraak terug te komen. Dit aan gerechtsdeurwaarder sub 1. toe te rekenen klachtonderdeel wordt door het hof gegrond bevonden. 6.6. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven. 6.7. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - Vernietigt het oordeel van de kamer zoals weergegeven in de bestreden beslissing onder punt 4.; - Verklaart het onderdeel van de klacht zoals weergegeven onder 6.1. ten aanzien van de gerechtsdeurwaarders gegrond en legt hun hiervoor de maatregel van berisping op; - Verklaart het onderdeel van de klacht zoals weergegeven onder 6.5. gegrond ten aanzien van gerechtsdeurwaarder sub 1.; - Verklaart de klacht voor het overige ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, P.J.N. van Os en L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op donderdag 5 januari 2006. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 16 november 2004 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met zaaknummer 119.2003 van: [ ], wonende te [ ], klager, tegen: 1. [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], 2. [ ], kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagden. Verloop van de procedure Bij brief met bijlagen ingekomen 23 april 2003 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna de gerechtsdeurwaarders. Bij brief met bijlagen ingekomen 22 mei 2003 heeft klager een aanvullende klacht ingediend. Bij brief ingekomen 28 juli 2003 hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare zitting van 5 oktober 2004. Klager en de gerechtsdeurwaarder hebben schriftelijk medegedeeld niet te zullen verschijnen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 16 november 2004. Gronden van de beslissing 1. De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.