GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Eerste Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van de commanditaire vennootschap X CV te Z, belanghebbende, tegen twee uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur.
(2001). Beide partijen hebben zich over deze voorlopige conclusie uitgelaten. (...) Hierbij deel ik u thans mee dat gemachtigde, (...) en de belastingdienst met elkaar overeenstemming hebben bereikt over de wijze waarop de voorlopige conclusie naar hun mening cijfermatig moet worden uitgelegd. Partijen hebben afgesproken dat de naheffingsaanslagen op onderstaande wijze moeten worden vastgesteld (alle bedragen in guldens): Jaar 1998 1999 2000 2001 CAO 100% 3,19 3,25 3,29 3,39 Vrijgesteld: 1,4 1,43 1,45 1,49 CAO 44% Sv-dagen 1891 3014 3407 3841 vergoeding 5.038,00 7.558,00 8.961,00 9.887,00 Vrijgesteld: 2.647,40 4.310,02 4.940,15 5.723,09 max (BxC) bovenmatig 2.390,60 3.247,98 4.020,85 4.163,91 gebruteerd tarief 66,60 66,49 70,24 68,90 verschuldigd 1.592,14 2.159,58 2.824,25 2.868,93 Op grond van deze berekening hebben belanghebbenden recht op de navolgende vermindering: jaar 1998 1999 2000 2001 verschuldigd 1.592,14 2.159,58 2.824,25 2.868,93 nageheven 2.564,00 4.230,00 118,00 7.797,00 verschil (HFL) -971,86 -2.070,42 2.706,25 -4.928,07 verschil ( € ) -441,48 -940,51 1.229,35 -2.238,64 Het bovenstaande brengt met zich mee dat de opgelegde aanslagen -na vermindering- als volgt moeten zijn vastgesteld: Aanslag nummer 83.A01.0500 ten name van X CV : Jaar: Vastgestelde aanslag Vermindering Nieuw vast te stellen: 1998 4931 442 € 4.489 1999 2.958 941 € 2.017 2000 2.138 -/- 1.230 € 3.368 Totaal 10.027 153 € 9.874 Aanslag nummer 92.A01.1500 ten name van X: Jaar: Vastgestelde aanslag Vermindering Nieuw vast te stellen: 2001 7.022 2.238 € 4.784 Totaal: 7.022 2.238 € 4.784 Een kopie van deze brief heb ik (...) aan gemachtigde gezonden. Met hem is overeengekomen dat hij deze kopie voor akkoord zal tekenen en vervolgens aan u zal toesturen.” 2.
- In reactie op een verzoek van het Hof om aanvullende inlichtingen heeft de inspecteur bij brief van 8 november 2005 onder andere het volgende aan de griffier bericht: “I – Primair: (…) Het ‘cijfermatige compromis’ zoals dat in mijn brief van 5 augustus 2005 aan u is meegedeeld, betekent niet dat ik daarmee mijn eerdere standpunt (…) heb verlaten. De tot nu toe gepubliceerde jurisprudentie geeft mij geen aanleiding om het voorlopig standpunt van het Hof (…) als juist te aanvaarden. II- Subsidiair Indien het Hof bij haar voorlopige conclusie blijft, welke is gebaseerd op de snelle vervuiling van de kleding, dan kan daarnaast in redelijkheid geen sprake meer zijn van een onbelaste vergoeding voor schoonmaakmiddelen, voor zover die bestemd zijn voor de reiniging van de kleding. Om die reden is in het cijfermatige compromis de kostenvergoeding voor zover zij betrekking heeft op schoonmaakmiddelen voor de helft als vrijgestelde vergoeding opgenomen.” 2.
- In zijn schriftelijke reactie van 11 november 2005 schrijft de gemachtigde onder meer: “I-Primair: Allereerst wil ik er op wijzen dat ik primair blijf bij mijn standpunt zoals verwoord onder geschilpunt 1 van mijn pleitnota. Uw conclusie dat dit onvoldoende aannemelijk is gemaakt kan ik niet onderschrijven. (…) Primair blijf ik eveneens van mening dat er wel degelijk sprake is van een zgn. uniform zoals verwoord onder geschilpunt 2 van mijn pleitnota. (…) II-Subsidiair Geen aanmerkingen. (…) Conclusie Geen cijfermatige aanmerkingen.”
- Geschil In geschil is of de naheffingsaanslag en de vergrijpboete terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd.
- Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen en de motivering ervan wordt verwezen naar de stukken van het geding. Voor hetgeen partijen daaraan ter zitting hebben toegevoegd verwijst het Hof naar het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting dat de griffier op 3 juni 2005 aan partijen heeft verzonden.
- Beoordeling van het geschil 5.
- In het voorlopige oordeel (zie 2.3) wordt melding gemaakt van ‘werkkleding in de zin van artikel 15a, eerste lid, letter b, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2001)’. Voor zover het de onderhavige zaak betreft, wordt daar echter ‘werkkleding in de zin van artikel 15, eerste lid, letter f, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1998, 1999 en 2000)’ bedoeld. 5.2.
- Artikel 16b van de Uitvoeringregeling loonbelasting 1990 (tekst 1998 tot en met 2000, hierna: de Uitvoeringsregeling) bepaalt dat de waarde van aan werknemers verstrekte werkkleding op nihil wordt gesteld. Op grond van artikel 15, zevende lid, van de Wet wordt kleding als werkkleding aangemerkt indien zij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het verwerven van het loon te dragen, of is voorzien van zodanige uiterlijke kenmerken dat daaruit blijkt dat deze uitsluitend is bestemd om bij het verwerven van het loon te dragen. In casu is onder meer in geschil of de door belanghebbende verstrekte bedrijfskleding kan worden aangemerkt als werkkleding in de zin van de hiervoor genoemde artikelen. Buiten geschil is dat de verstrekte kleding in ieder geval niet voldoet – indien sprake is van kleding die niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het verwerven van het loon te dragen - aan het voorschrift van artikel 18 van de Uitvoeringsregeling, nu het op de kledingstukken aangebrachte bedrijfslogo per kledingstuk een oppervlakte heeft van minder dan 70 cm². 5.2.
- Naar het oordeel van het Hof zijn de kledingstukken die belanghebbende verstrekt aan haar personeel normaliter niet (nagenoeg) uitsluitend geschikt om bij het verwerven van het loon te dragen. De onder 2.1 genoemde kledingstukken, die donkerrood van kleur zijn, acht het Hof in beginsel eveneens geschikt om in de vrije tijd te dragen; zij onderscheidt zich niet of nauwelijks van in gewone winkels verkrijgbare kleding. De omstandigheid dat op elk kledingstuk het bedrijfslogo van belanghebbende - met een oppervlakte van circa 40 cm² - is aangebracht, brengt in dit oordeel geen wijziging. 5.2.
- Het Hof verwerpt eveneens de stelling van belanghebbende dat de onder 2.1 genoemde rode kledingstukken, gedragen in combinatie met de witte werkbroek en/of overall, moeten worden aangemerkt als uniform. Van een uniform kan naar het oordeel van het Hof eerst worden gesproken indien een bepaalde categorie werknemers gelijke kleding draagt die ook buiten de werkomgeving door derden wordt geassocieerd met een bedrijf of instelling of met een beroep. De kleding van bijvoorbeeld postbestellers en stewardessen wordt daarom aangemerkt als een uniform. Het Hof is van oordeel dat de door belanghebbende verstrekte rode bovenkleding, in combinatie met de witte broek en/of overall, niet op de door belanghebbende gestelde wijze onmiddellijk wordt geassocieerd met het bedrijf van belanghebbende of met het beroep van schilder. Een witte broek en overall zijn, zoals ook de inspecteur heeft gesteld, niet kledingstukken die specifiek door schilders worden gedragen. Dezelfde conclusie geldt de rode kledingstukken, zoals deze in de processtukken nader zijn toegelicht, evenals de combinatie van deze kledingstukken met de genoemde witte kleding. 5.2.
- Belanghebbende heeft een schildersbedrijf en heeft gesteld dat de bedrijfskleding na de eerste verstrekking aan enige werknemer, snel besmeurd raakt met verf en dat deze bedrijfskleding niet goed van verfvlekken is te ontdoen. Belanghebbende stelt dat bij een opvolgende verstrekking aan een werknemer van bedrijfskleding uit de beschikbare voorraad, deze kleding niet vrij is van verfvlekken. Het Hof acht deze stellingen van belanghebbende alleszins aannemelijk, mede gelet op de ter zitting verstrekte toelichting over de aard en de hoeveelheid van de per werknemer verstrekte bedrijfskleding. Onder deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat de verstrekte bedrijfskleding nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het verwerven van het loon te dragen. In zoverre is er dan ook sprake van werkkleding en niet van enige als loon aan te merken verstrekking. 5.3.
- Belanghebbende verstrekte de werknemers werkkleding en betaalde aan hen een vaste onkostenvergoeding ("uitrustingsvergoeding") op basis van CAO-normen. Deze CAO-normen hadden, naar tussen partijen niet in geschil is, gedeeltelijk betrekking op de door schilders persoonlijk te maken kosten voor kleding. Voor zover belanghebbende werkkleding aan de werknemers heeft verstrekt, kan er echter geen sprake meer zijn van op de werknemers drukkende kosten en derhalve evenmin van een niet tot het loon behorende vergoeding. Met de (niet nader onderbouwde) stelling van belanghebbende dat hij schilderswerkzaamheden uitvoert in het hogere marktsegment is de noodzaak om aan de schilders - naast de door belanghebbende reeds feitelijk verstrekte werkkleding - een (aanvullende) vergoeding voor werkkleding te betalen onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij weegt het Hof de mededelingen van belanghebbende ter zitting mee dat de werknemers pas met ingang van 2003 twee witte broeken op eigen kosten moesten aanschaffen en dat voordien werknemers alleen voor eigen rekening bepaalde kledingstukken behoefden aan te schaffen (korte broeken in plaats van lange witte broeken) indien zij daarvoor een persoonlijke voorkeur hadden. Gemachtigde heeft ter zitting dan ook de in het beroepschrift ingenomen stelling ingetrokken dat de verstrekte uitrustingsvergoeding mede betrekking had op de aanschaf van twee witte broeken per werknemer. 5.3.
- Partijen hebben zich nader beraden over de vraag welk bedrag van de uitrustingsvergoeding toegerekend kan worden aan de kleding die de werknemers tijdens de werkzaamheden dragen, dan wel aan andere elementen. Zij hebben in onderling overleg, doch met behoud van hun in de gedingstukken neergelegde opvattingen, het bedrag van het alsdan te belasten loon en daarmee het belastingbedrag vastgesteld als verwoord onder 2.
- Het Hof ziet geen reden een ander oordeel te vellen over de bij het hiervoor verwoorde Hofoordeel passende berekening van het alsdan verschuldigde belastingbedrag. 5.
- Ter zake van de opgelegde vergrijpboete oordeelt het Hof als volgt. 5.4.
- In zijn brief van 8 november 2005 aan de griffier heeft de inspecteur gesteld dat het standpunt van belanghebbende dat de bedrijfskleding werkkleding is, pleitbaar is en dat ‘in zoverre’ geen boete opgelegd behoort te worden. In die brief heeft de inspecteur tevens gesteld dat belanghebbende zowel bedrijfskleding heeft verstrekt als een vergoeding overeenkomstig de CAO heeft betaald, welke vergoeding mede is bedoeld ter bestrijding van de kosten van de werknemers ter zake van de aanschaf van (werk)kleding ten behoeve van de dienstbetrekking. Van belanghebbende, die zowel (werk)kleding heeft verstrekt als een vergoeding voor kleding heeft betaald mag, aldus de inspecteur, worden verwacht dat hij beseft dat hierdoor een samenloop ontstaat die tot een voordeel voor de werknemers leidt. Belanghebbende had moeten onderzoeken of de werknemers - naast de door hen ontvangen bedrijfskleding - tegenover de vergoeding nog wel kosten voor werkkleding hebben gemaakt en nu belanghebbende dit heeft nagelaten, is het, aldus de inspecteur, aan haar grove schuld te wijten dat te weinig belasting is afgedragen, hetgeen met 25% moet worden beboet. De conclusie van de inspecteur is dat voor zover de vergoeding hoger is dan het bedrag dat volgens de CAO verband houdt met de kosten ter zake van het wassen van kleding, het onderhoud van schoenen en schoonmaakmiddelen, die bovenmatigheid beboet moet worden. Cijfermatig heeft hij dat in zijn brief van 8 november 2005 als volgt weergegeven: “De beboetbare