GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Vierde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur.
(1996)voor haar rekening te nemen, aan belanghebbende tot deze bedragen inkomsten uit vermogen in de vorm van verkapt dividend heeft doen toekomen. Indien en voorzover op dit punt het gelijk aan de inspecteur zou zijn, is voorts in geschil of deze inkomsten buiten aanmerking moeten blijven omdat zij alsnog in de rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en de BV behoren te worden verrekend. 4. Standpunten van partijen en behandeling ter zitting Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Ter zitting is namens belanghebbende nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd. De procedure over het jaar 1986 ging om privé-zaken van belanghebbende. Het geding over 1988 betrof het bedrijfsbelang. De toerekening door de inspecteur van tweederde gedeelte van ƒ 45.000 (begrepen in de nota van 30 september 1994) aan privé is onjuist. Het grootste belang lag bij de mijns inziens zakelijke procedure over 1988. Het geding over de vermogensbelasting 1989 vloeide daar rechtstreeks uit voort. Ik betwist dat de posten advisering omzetbelasting en subsidies, welke zijn vermeld in de specificatie van de factuur van 31 maart 1994, op privé-aangelegenheden van belanghebbende betrekking hadden. Alle facturen waren gericht aan de BV. Toentertijd was het niet ongebruikelijk dat werkzaamheden verricht voor de BV en werkzaamheden verricht voor belanghebbende op dezelfde factuur werden vermeld. De vraag in wiens belang de fusie was, is al beantwoord door het Hof te ’s-Gravenhage. Met het oordeel dat aan de vereisten voor de fusiefaciliteit was voldaan is immers het bedrijfsbelang gegeven. Als de faciliteit door de inspecteur vennootschapsbelasting was geweigerd zouden de kosten van een daartegen gerichte procedure ook zakelijk zijn geweest. Ter zitting is namens de inspecteur nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd. Ik bestrijd de juistheid van de in de pleitnota van belanghebbende genoemde bedragen van ƒ 101.637 en ƒ 63.450. Wat betreft de jaren 1987, 1988 en 1989 waren er veel meer geschilpunten dan de fusie. Vandaar dat ik subsidiair tweederde deel van ƒ 45.000 (begrepen in de nota van 30 september 1994) als verkapt dividend aanmerk. De advisering omzetbelasting, vermeld in de specificatie van de factuur van 31 maart 1994, betreft de boot van belanghebbende en dus niet de BV. De daar vermelde post subsidies kan van alles betekenen. Geen van de in geschil zijnde posten is zakelijk. Alleen facturen van het kantoor van L te Q zijn in geschil. De facturen van het kantoor te R betreffen uitsluitend zakelijke activiteiten. Ook indien de procedure zou zijn gevoerd tegen de inspecteur van de vennootschapsbelasting zou deze alleen het privé-belang van belanghebbende hebben gediend. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Uit de onder 2.3 weergegeven passages uit het eerste en het tweede rapport blijkt, dat het kantoor L te Q in de jaren 1993, 1994 en 1996 aan de BV in totaal ƒ 206.799 in rekening heeft gebracht ter zake van kosten van belastingadvies. De inspecteur stelt dat deze kosten voor het geheel betrekking hebben op privé-belastingzaken van belanghebbende. Belanghebbende heeft uiteindelijk ter zitting het standpunt ingenomen dat een gedeelte ad ƒ 63.450 van deze kosten voor zijn rekening dient te zijn en dat van het verschil tussen deze beide bedragen een gedeelte ad ƒ 101.637 betrekking heeft op proceskosten ter zake van het in 1994 bij dit Hof ingestelde beroep, als bedoeld onder 2.2.2 (hierna: de procedure inkomstenbelasting 1988). Uit dit standpunt volgt dat belanghebbende uiteindelijk een bedrag ad (206.799 – 63.450 – 101.637 =) ƒ 41.712 aanmerkt als kosten die naast de voormelde proceskosten terecht ten laste van de BV zijn gebracht. 5.2. Het Hof zal eerst beoordelen of de belastingadvieskosten die betrekking hebben op de procedure inkomstenbelasting 1988 terecht ten laste van de BV zijn gebracht. Daarvoor is beslissend of de desbetreffende uitgaven tot de kosten van de onderneming van de BV kunnen worden gerekend. 5.3. Bij de onder 2.2.1 bedoelde fusie werden de aandelen in de BV en in F Beleggingsmaatschappij B.V. in één houdstermaatschappij ondergebracht. Zonder toepassing van de aandelenfusiefaciliteit van artikel 40 van de Wet was belanghebbende ter zake van deze transactie inkomstenbelasting verschuldigd geweest over een bedrag van circa ƒ 12.000.000. De procedure inkomstenbelasting 1988 had uitsluitend betrekking op de verschuldigdheid van die belasting. 5.4 Het Hof stelt voorop dat in beginsel heeft te gelden dat het voeren van een bezwaar- en/of beroepsprocedure met betrekking tot een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van een aandeelhouder van een vennootschap een persoonlijke aangelegenheid van die aandeelhouder betreft en niet de (onderneming van
- de)vennootschap aangaat. Dat betekent dat de kosten die met het voeren van de onderhavige procedure gemoeid zijn, kosten van de aandeelhouder zijn, en niet tot de ondernemingskosten van de BV kunnen worden gerekend. De omstandigheid dat het antwoord op de vraag of het in die procedure in geding zijnde belastingbedrag al dan niet verschuldigd is, mede afhangt van een beoordeling van de positie van de door de aandeelhouder gehouden vennootschap(pen) doet daar niet aan af. Het Hof tekent daarbij aan dat de onderhavige situatie dient te worden onderscheiden van die waarin bijvoorbeeld de zakelijkheid van de transactie tussen een aandeelhouder en een door hem gehouden vennootschap ter discussie staat en dientengevolge zowel de inkomstenbelastingschuld van de aandeelhouder als de vennootschapsbelastingschuld van de vennootschap in geschil zijn. Een dergelijk belang voor de vennootschap doet zich hier niet voor. Gesteld noch gebleken is dat ingeval belanghebbende had berust in het standpunt van de inspecteur, inhoudende dat hij ter zake van de aandelenruil inkomstenbelasting was verschuldigd, zulks gevolgen zou hebben gehad voor een of meer van de bij de aandelenruil betrokken vennootschappen. Met de heffing van vennootschapsbelasting of enige andere belasting van die vennootschappen hield de gevoerde procedure geen verband. 5.5. Vervolgens zal het Hof beoordelen of de onder 5.1 op ƒ 41.712 berekende belastingadvieskosten terecht ten laste van de BV zijn gebracht. Het betreft uitgaven aan kantoor L te Q. Vaststaat dat het gelijknamige kantoor te R de fiscale zaken van de BV behartigde en daarvoor declareerde bij de BV. A voornoemd heeft in zijn onder 2.4.2 aangehaalde verklaring uiteengezet dat hij voor belanghebbende de aangiften inkomstenbelasting doet, dat hij belanghebbende alleen in incidentele gevallen op diens verzoek adviseert in fiscale zaken voor de BV en dat hij dit laatste normaal gesproken overlaat aan L te R. Op grond van deze uiteenzetting, in samenhang met de onder 2.4.2 hiervoor weergegeven verklaringen van belanghebbende en A met betrekking tot de afzonderlijke in geding zijnde declaraties, acht het Hof met de inspecteur aannemelijk dat aan belanghebbende door het kantoor te Q in rekening gebrachte bedragen zien op werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende en niet van de BV. Belanghebbende heeft weliswaar betwist dat voor privé-aangelegenheden van belanghebbende bedragen aan de BV zijn gedeclareerd, maar hij heeft deze stelling niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Van geen enkel bedrag heeft belanghebbende duidelijk kunnen maken dat het betrekking heeft op een bepaalde (belasting) aangelegenheid van de BV. Ook de onderhavige advieskosten zijn dus ten onrechte ten laste van de BV gebracht. 5.6. Uit het voorgaande volgt dat de onder 5.1 genoemde kosten van belastingadvies ad ƒ 206.799 voor het geheel door de BV aan belanghebbende hadden moeten worden doorberekend. Door dit niet te doen heeft de BV aan belanghebbende een uitdeling gedaan, mits belanghebbende dit voordeel heeft genoten in zijn hoedanigheid van aandeelhouder en de wetenschap dat de bevoordeling in die kwaliteit plaatsvond zowel bij belanghebbende als bij de BV aanwezig is geweest. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende het onderhavige voordeel in zijn kwaliteit van aandeelhouder heeft genoten, zulks mede gelet op de omstandigheid dat het gaat om een belastingadvies in het kader van een omruil van de aandelen van belanghebbende in de BV. Voorts is naar ’s Hofs oordeel aan de zogenoemde dubbele bewustheidseis voldaan, aangezien belanghebbende wist of had behoren te weten dat het hier privé-uitgaven van hemzelf betrof, maar na ontvangst en beoordeling van de facturen niets heeft gedaan om te voorkomen dat de bedragen daarvan ten laste van de BV zouden worden geboekt. Op grond van een en ander heeft de inspecteur het onderhavige voordeel terecht als een verkapt dividend op de aandelen in de BV als inkomsten uit vermogen aangemerkt. 5.7. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat deze inkomsten buiten aanmerking moeten blijven omdat zij alsnog in de rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en de BV behoren te worden verrekend. Ook indien die stelling juist zou zijn, belet dit niet om aan te nemen dat in de jaren 1993, 1994 en 1996 uitdelingen hebben plaatsgevonden. De gevolgen van een eventuele verrekening in rekening-courant moeten worden beoordeeld bij de belastingheffing over het jaar waarin die verrekening tot stand komt. 6. Proceskosten Nu het beroep ongegrond is acht het Hof geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 7. Beslissing Het Hof verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is vastgesteld op 19 mei 2006 door mr. O.B. Onnes, voorzitter, en mrs. P.M.F. van Loon en L.F. Roseval, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- a)de naam en het adres van de indiener;
- b)de dagtekening;
- c)een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- d)de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het indienen van het beroep ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.