GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 15 juni 2006 in de zaak onder rekestnummer 1055/05 GDW van: FEDERATIE VAN TAXATEURS, MAKELAARS EN VEILINGHOUDERS IN ROERENDE ZAKEN, gevestigd te Amsterdam, APPELLANT, gemachtigde: mr. P.H. Ariëns Kappers t e g e n [...], gerechtsdeurwaarder te [...], GEÏNTIMEERDE, gemachtigde: mr. F.W. van Vloten. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 8 juli 2005 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - van de zijde van appellant, verder te noemen klager, waarbij namens klager tijdig hoger beroep is ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 7 juni 2005, waarbij de klacht van appellant tegen geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, gegrond is verklaard zonder oplegging van een maatregel aan de gerechtsdeurwaarder. 1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is op 22 september 2005 een verweerschrift – met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen. 1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 27 april 2006. Namens klager is de gemachtigde van klager verschenen vergezeld van mr. W. van Biemen. De gerechtsdeurwaarder en zijn gemachtigde zijn eveneens verschenen. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van een pleitnota. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. 4. Beoordeling van de bestreden beslissing Het hof kan zich niet verenigen met de bestreden beslissing van de kamer en zal deze beslissing derhalve vernietigen. 5. Het standpunt van klager 5.1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij ten onrechte de titel van beëdigd taxateur r/z voert in advertenties in dag/weekbladen ter zake van de aankondiging van de verkoop van schilderijen, terwijl hij geen beëdigd taxateur is in de zin van de Wet op de kamers van koophandel 1997. 5.2. Bovendien wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij misbruik maakt van zijn titel en functie van gerechtsdeurwaarder doordat hij uit zijn eigen collectie en uit de collectie van zijn zoon schilderijen te koop aanbiedt, terwijl hij het naar buiten toe doet voorkomen alsof hij daarbij als onafhankelijk gerechtsdeurwaarder betrokken was. 5.3.Ten slotte wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij taxatierapporten uitgeeft in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder en op briefpapier voorzien van een voorgedrukt deurwaarderszegel. 6. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder 6.1. De gerechtsdeurwaarder betwist de stellingen van klager en verweert zich als volgt. 6.2. De gerechtsdeurwaarder heeft betoogd dat de handelingen die hem worden verweten betrekking hebben op gedragingen die door de wetgever als nevenactiviteiten zijn toegestaan. 6.3. De gerechtsdeurwaarder heeft vervolgens naar voren gebracht dat hij door het voeren van zijn titel bij aankondiging van verkopingen niet verwijtbaar handelt, aangezien hij de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder heeft en de aanstaand koper aldus weet dat hij een bepaalde standaard van de verkoper mag verwachten. 6.4. Ook heeft de gerechtsdeurwaarder onder de aandacht gebracht dat de toevoeging van beëdigd zijn, zijns inziens een vorm van versiering is, omdat reeds uit de eed zoals voorzien in artikel 9 van de Gerechtsdeurwaarderswet, verder te noemen de Gdw, volgt dat hij de eed heeft afgelegd. 6.5. Ten slotte heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven dat hij het verenigbaar met zijn ambt acht dat hij een schriftelijke verklaring kan opmaken met betrekking tot door hem waargenomen feiten van stoffelijke aard. 7. De ontvankelijkheid van de klacht betreffende het voeren van de titel van beëdigd taxateur r/z Voor zover klager klaagt over het voeren van de titel beëdigd taxateur is het hof van oordeel dat klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de klacht niet ziet op enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder, zoals bepaald in de Gdw. Het staat de gerechtsdeurwaarder vrij zich taxateur te noemen, nu de wettelijke bescherming van de titel beëdigd taxateur met ingang van 1 januari 2000 is komen te vervallen. Klager kan dan ook niet worden ontvangen in zijn klacht met betrekking tot dit onderdeel. 8. De beoordeling voor zover thans aan de orde 8.1. Het hof is van oordeel dat het de gerechtsdeurwaarder niet vrij staat zich te afficheren door middel van het gebruik van zijn titel als gerechtsdeurwaarder of wel het gebruik van het woord beëdigd in samenhang met het woord taxateur, terwijl zijn werkzaamheden in geen enkele relatie staan tot het verrichten van ambtshandelingen. Het betreft hier immers de particuliere verkoop van schilderijen. Ook staat het de gerechtsdeurwaarder niet vrij in dezen gebruik te maken van papier met een voorgedrukt deurwaarderszegel, nu dit gebruik hier eveneens niet enige ambtshandeling betreft. Door zich al dus te presenteren wekt de gerechtsdeurwaarder bij belanghebbenden de indruk dat er met betrekking tot de te verkopen objecten enige relatie bestaat met de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder. Dit is misleidend. Dit klachtonderdeel zal het hof gegrond verklaren. 8.2. Het hof kan de gerechtsdeurwaarder niet volgen in zijn betoog dat uit het enkele feit dat hij destijds door de kantonrechter beëdigd zou zijn, rechtstreeks voortvloeit dat de gerechtsdeurwaarder beëdigd is als taxateur. Die beëdiging heeft immers slechts betrekking op zaken, waarin de gerechtsdeurwaarder door de kantonrechter te Almelo is of zal worden aangewezen. Daarvan is in de onderhavige gevallen geen sprake. 8.3. De door de gerechtsdeurwaarder bij de aanvaarding van zijn ambt afgelegde eed ziet er op dat hij zich behoort te gedragen zoals het een gerechtsdeurwaarder in zijn ambt betaamt. Weliswaar strekt de werking van die eed zich volgens de minister van justitie ook uit over de niet-ambtelijke werkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder, maar - zoals hiervoor onder 8.1 is overwogen – in dit geval gaat het om het verkopen van particulier bezit, waarop de eed uiteraard niet van toepassing kan zijn. De klacht is dan ook terecht door klager voorgesteld. Dit klachtonderdeel zal het hof ook gegrond verklaren. 8.4. Met betrekking tot het opmaken van de taxatierapporten door de gerechtsdeurwaarder oordeelt het hof dat dit opmaken de nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 20 derde lid onder e van de Gdw te buiten gaat. Dit artikel ziet op het opmaken van een schriftelijke verklaring van door de gerechtsdeurwaarder persoonlijk waargenomen feiten van stoffelijke aard. Het betreft hier een zuiver materiële waarneming, waarvan het proces-verbaal bij een eventueel te voeren procedure kan worden ingebracht opdat een gedetailleerde bewijsopdracht kan worden vermeden, aldus de memorie van antwoord 2002-2003 nr. 109. De relatie met taxatierapporten waarvan in de onderhavige procedure sprake is, kan niet worden gelegd. Ook dit klachtonderdeel zal gegrond worden verklaard. 8.5. Anders dan de kamer acht het hof het handelen van de gerechtsdeurwaarder dermate laakbaar dat een maatregel op zijn plaats is. Het hof is van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is. 8.6. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven. 8.7. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing. 9. De beslissing Het hof: - vernietigt de bestreden beslissing behoudens de daarin vervatte feiten en opnieuw rechtdoende: - verklaart klager niet ontvankelijk met betrekking tot klachtonderdeel 5.1.; - verklaart de overige klachtonderdelen gegrond; - legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, P.J.N. van Os en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 15 juni 2006 door de rolraadsheer. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 7 juni 2005 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de klacht met zaaknummer 198.2004 van: FEDERATIE VAN TAXATEURS, MAKELAARS EN VEILINGHOUDERS IN ROERENDE ZAKEN, gevestigd te Amsterdam, klaagster, gemachtigde mr. P.H. Ariëns Kappers, algemeen secretaris, tegen: [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagde, gemachtigde mr. [ ], advocaat te [ ], Verloop van de procedure Bij brief met bijlagen van 28 juni 2004 heeft de gemachtigde van klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder. Bij brief van 14 september 2004 heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift tegen de klacht ingediend. De klacht is behandeld ter zitting van 19 april 2005 alwaar de gemachtigde van klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is nader bepaald op 7 juni 2005. 1. De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.