GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Douanekamer Uitspraak in de zaak nr. 99/90253 DK (voorheen nr. 0253/99 TC) de dato 13 juni 2006 1. De procedure 1.1. Op 23 december 1999 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van de commanditaire vennootschap T C.V. te A, belanghebbende. Het beroep is ingediend door mr. A en mr. te A als gemachtigden en gericht tegen de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Douane district A (de inspecteur) van 18 november 1999, kenmerk 36/2757/5315/200, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking van de inspecteur van 22 februari 1996, kenmerk 36/719/813, met betrekking tot de intrekking van de hierna sub 2.2. vermelde bindende tariefinlichting, werd afgewezen. 1.2. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van belanghebbende is door de secretaris een griffierecht geheven van f 450,-- (€ 204,20). 1.3. Belanghebbende heeft op 9 oktober 2000 een conclusie van repliek ingediend; en de inspecteur op 30 november 2000 een conclusie van dupliek. 1.4. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 15 november 2005. Daar zijn gelijktijdig behandeld de soortgelijke, eveneens door belanghebbende ingestelde beroepen met de nummers 99/90249 DK en 99/90255 DK, waarbij de procedure ook is aangevangen met een bezwaarschrift tegen een beschikking tot intrekking van een bindende tariefinlichting. Ter zitting zijn verschenen namens belanghebbende mr. A en S als gemachtigden, tot hun bijstand vergezeld van V. Namens de inspecteur is verschenen mr. N, tot bijstand vergezeld van drs. J. Belanghebbende en de inspecteur hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen. Belanghebbende heeft bij de pleitnota een bijlage overgelegd, te weten een fotokopie van een verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 16 december 1999. De inspecteur heeft van dit stuk kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. 2. De vaststaande feiten 2.1. Op 14 februari 1995 heeft de vennootschap N GmbH te S namens belanghebbende aan de inspecteur verzocht om afgifte van een bindende tariefinlichting (hierna: BTI) voor een goed met de productbenaming Acilat M95. In het verzoek is het product als antwoord op vraag d. omschreven als: “toebereid medium voor het kweken van micro-organismen respectievelijk termophile starterculturen voor de bereiding van Yoghurt- (producten) en andere zure melkproducten die met behulp van termophile melkzuurbacteriën worden gezuurd.” De bij vraag e. van het formulier opgegeven samenstelling van het product luidt: “95,0% sproeigedroogde magere melkpoeder (35% proteïne, ca. 50% lactose, max 1,5 F) 3,5% Dextrosemonohydraat (bv. Cerestar CL 02001 - poeder) 1,0% Diammonia - monohydrogen - orthophosphaat (NH4) 2HPO4 (poeder) 0,5% Kaseinhydrolysaat - poeder (Pancrease Digest 3500 Dalton) 100,0% poedervormige toebereiding (in principe droog mengsel, maar ook natte menging mogelijk met aansluitende sproeidroging)”. Belanghebbende beantwoordde vraag f. van het formulier, “Is, voorzover bekend, reeds eerder in een andere lidstaat een bindende tariefinlichting verstrekt”, met nee. De productomschrijving, die als bijlage bij het verzoek was overgelegd, vermeldt onder meer het volgende: “Verpakking: Meerwandige papieren zakken met PE-binnenzak, 25 kg netto inhoud. Gebruik/inzet: Voor de bereiding van termophile starterculturen die gebruikt worden in de verwerking van zure melkproducten. (...) Tariefindeling: In de positie 3821 Graag stellen wij verdere informatie tot uw beschikking.”. Bij de aanvraag was een monster van het product overgelegd. 2.2. De inspecteur heeft op 8 maart 1995 onder nummer NL19950216-938-0053-0 voor het goed een BTI afgegeven. In vak 7 van de BTI is het goed als volgt omschreven: “Bereide voedingsbodem in de vorm van een fijn cremekleurig poeder, verpakt in papieren zakken met een polyethyleen binnenzak en een netto inhoud van 25 kilogram. Het product dat vervaardigd is op basis van gesproeidroogde magere melkpoeder, is bestemd voor de bereiding van termophile starterculturen, die gebruikt worden in de verwerking van zure melkproducten.”. In vak 10 van de BTI is vermeld dat deze werd verstrekt op basis van door rechthebbende verstrekte omschrijvingen en monsters. Het goed werd ingedeeld in post 3821 00 00 van het Gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT). De indeling werd als volgt gemotiveerd: “De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, de tekst van post 3821, alsmede de toelichting op die post.”. 2.3. In opdracht van belanghebbende heeft F B.V., douane-expediteur, in de periode juli 1995 tot en met oktober 1995 aangiften voor het vrije verkeer gedaan van diverse zendingen Acilat M95. Het betrof in totaal 459.100 kilogram. Daarbij werd telkens, onder gebruikmaking van voormelde BTI, post 3821 00 00 aangegeven. 2.4. In het kader van de verificatie van de documenten betreffende een aantal zendingen Acilat M95 heeft de douanepost V een monster van de goederen genomen en naar het Laboratorium van de douane te Amsterdam (hierna: het laboratorium) gezonden. Op 9 september 1995 heeft de douanepost Venlo aan F B.V. een “mededeling uitslag monsteronderzoek”gezonden. Het betrof de goederen vermeld op de aangifte nummer 3257800.95.11297003. Daarin is, voorzover hier van belang, het volgende vermeld: “Bij dit onderzoek is bevonden: Vetgehalte (Rose-Gottlieb): 1,2% Eiwitgehalte (NX6.38) : 33,7% Lactosegehalte (HPLC) : 46,1% Sacharosegehalte (HPLC): geen. Zetmeel/glucose: 3% Het monster bestaat uit ca 97% magere melkpoeder en ca 3% glucose (stroop). In het monster zijn geen toegevoegde wei en/of lactose en/of caseïne en/of caseïnaten aantoonbaar. Advies goederencode: 0402.1099.000.009”. 2.5. Op 25 september 1995 heeft de douanepost V een nadere “mededeling uitslag monsteronderzoek” aan F B.V. gezonden. Daarin is onder meer het volgende vermeld: “Hierbij deel ik u mede dat bij grondige opneming van de goederen vermeld in aangifte 3257800.95.11297003 een monsteronderzoek heeft plaatsgevonden ter bepaling van indeling in het tarief van invoerrechten heffing Bij dit onderzoek is bevonden: Vetgehalte (Rose-Gottlieb): 1,2% Eiwitgehalte (NX6.38): 33,7% Lactosegehalte (HPLC): 46,1% Sacharosegehalte (HPLC): geen. Zetmeel/glucose: 3% Volgens opgave bestaat het product uit 95% magere melkpoeder, 3,5% dextrose en 1,5% toevoegingen (fosfaatzouten, caseïne hydrolysaat). Deze toevoegingen zijn analytisch niet aantoonbaar in dit mengsel. Het product stemt overeen met het product Acilat M95, waarvoor een BTI is afgegeven onder post 3821. Dit betreft een gecorrigeerde uitslag !! Advies goederencode: 382100000.000.009”. 2.6. Na de afgifte van de BTI heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de indeling van het product onder post 3821 00 00 van het GDT onjuist is. Bij brief van 11 december 1995, kenmerk 45/719/2429, heeft hij belanghebbende hieromtrent bericht en tevens medegedeeld dat de bindende tariefinlichting met ingang van die dag werd ingetrokken. De inspecteur heeft de intrekking als volgt gemotiveerd: “Op grond van artikel 12, lid 5, letter c, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 (communautair douanewetboek) is de bindende tariefinlichting met de BTI-referentie NL19950216-938-0053-0, met ingang van 11 december 1995 ingetrokken. Het een en ander is het gevolg van een nadere bestudering van de toelichting op post 3821. Hieruit blijkt, dat de verpakking waarin het in de genoemde bindende tariefinlichting omschreven product is verpakt niet voldoet voor deze indeling. Producten ingedeeld onder post 3821 dienen steriel verpakt te zijn. U kunt de ingetrokken bindende tariefinlichting laten vervangen door een nieuwe, door mij schriftelijk hierom te verzoeken. Ik wijs u erop dat u recht heeft op de overgangsmaatregel van artikel 12, lid 6, van het communautair douanewetboek, die ik hier als bijlage bij deze brief heb gevoegd.”. 2.7. Vervolgens heeft de inspecteur het nadere standpunt ingenomen dat belanghebbende bij de indiening van de aanvraag van de BTI onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt. Het zou dan met name betreffen de beantwoording van de vragen d., e. en f. van het aanvraagformulier en de productomschrijving op de bijlage bij de BTI. Een en ander was voor de inspecteur aanleiding bij beschikking van 22 februari 1996 aan de intrekking van de BTI terugwerkende kracht te verlenen op de voet van artikel 12, vierde lid, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW). De inspecteur motiveerde dit als volgt: “Besluit inzake de geldigheidstermijn Overwegende dat bij onderzoek is gebleken dat de ten name van T C.V., nu gevestigd te A, afgegeven bindende tariefinlichting van 8 maart 1995, nr. NL19950216-938-0053-0, is verstrekt op de grondslag van onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager, bepaal ik op de voet van art. 12, lid 4, van het CDW dat de intrekking van de bindende tariefinlichting bij de beschikking van 11 december 1995, met kenmerk 45/719/2429, terugwerkt tot op de datum van afgifte. Werking van het besluit Uw bedrijf kan in verband met dit besluit geen gebruik meer maken van de bindende tariefinlichting, zulks in afwijking van het gestelde in de derde alinea, tweede volzin, van de intrekkingsbeschikking. Voorts wijs ik u op het volgende. Indien inmiddels bij het vervullen van douaneformaliteiten voor goederenzendingen, in Nederland dan wel in een van de andere lidstaten, op grond van de artikelen 10 en 11 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 een beroep op de ingetrokken tariefinlichting is gedaan, dan komt daaraan achteraf de werking te ontvallen, nu de tariefinlichting met ingang van heden zijn geldigheid ook voor het verleden heeft verloren. U dient er daarom rekening mee te houden dat in die gevallen de als gevolg daarvan (meer) verschuldigde rechten bij invoer door de douane-autoriteiten zullen worden ingevorderd.”. 2.8. Op 30 januari 1998 heeft de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: de FIOD) een rapport met kenmerk HA0023 opgemaakt en aan de inspecteur ge-zon-den. De FIOD, op het spoor gezet door de voormalige Unité de Coördination de la Lutte Anti-fraude (UCLAF), een dienst van de Europese Commissie, heeft onder meer een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de indeling van het onderhavige product, Acilat M95, in tariefpost 3821 00 00. Gebleken is dat door de afnemers van belanghebbende en in het verdere handelsverkeer na invoer dit product niet met de aanduiding “voedingsbodem” is verhandeld, maar met de aanduiding “melkpoeder”, en voorts dat de prijsstelling van het product onder de geldende marktprijs van melkpoeder lag. 2.9. In het kader van het FIOD-onderzoek is tevens aan een aantal deskundigen op het gebied van zuivel en gefermenteerde zuivelproducten gevraagd zich uit te spreken over het product Acilat M95, en de samenstelling daarvan. Zij hebben zich hierover, kort samengevat, als volgt uitgelaten: - de toegevoegde dextrosemonohydraat, diammonia-monohydrogen-orthophosphaat en caseïnehydrolysaat hebben niet tot gevolg dat het product wezenlijk van karakter verandert; - het is overbodig om dextrose aan het product toe te voegen; - de toegevoegde hoeveelheid fosfaat aan het product is zodanig gering dat de invloed daarvan op het product nagenoeg nihil is. 2.10. Tot de stukken van het geding behoort een op 28 juli 1993 door de Duitse douane aan de vennootschap A GmbH voor het product ACISVIL LBFM verstrekte BTI, nummer DE/HH/A 363/93/01-0. Het goed is, voorzover van belang, in de bindende tariefinlichting, in vak 7, onder het kopje omschrijving van de goederen (“Warenbeschreibung”), als volgt omschreven: “Zubereitetes Medium zum Züchten von Mikroorganismen (thermophile Milchsäurebakterien), Starterkulturen (Joghurt). De samenstelling van het goed wordt in vak 8 onder het kopje “Handelsbezeichnung ...” als volgt weergegeven: “95,0% Sprühmagermilchpulver; 3,5% Dextrose; 1% Diammoniumhydrogenphosphat; 0,5% Kaseinhydrolysat.”. De Duitse douane heeft dit goed ingedeeld in post 3821 00 00 van het GDT. Deze BTI is vervolgens door de Duitse douane op 10 februari 1995 ingetrokken. 2.11. Tot de stukken van het geding behoort een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 16 december 1999, waarin de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de strafzaak tegen belanghebbende. De telastelegging luidde onder meer dat belanghebbende in strijd met de waarheid op de BTI had vermeld dat nog niet eerder voor een gelijksoortig product een aanvraag was ingediend en dat onjuiste gegevens omtrent de samenstelling van het product waren vermeld. De rechtbank achtte dit niet bewezen en heeft belanghebbende daarvan vrijgesproken. 3. Het geschil 3.1. In geding is of de inspecteur terecht de BTI van 8 maart 1995 heeft ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop zij was afgegeven. 3.2. Post 3821 00 00 luidt in de versie van het GDT van 1995 als volgt: “Bereide voedingsbodem voor het cultiveren van micro-organismen”. 3.3. Aantekening 1, onder b, op hoofdstuk 38 luidt: “1. Dit hoofdstuk omvat niet:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.