GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 16 november 2006 in de zaak onder rekestnummer 163/2006 NOT van: MR. [X], notaris te [plaats], APPELLANT, gemachtigde: mr. J.B. Mus t e g e n GEMEENTE [...], als rechtsopvolgster van de per 1 januari 2006 opgeheven GEMEENTE [...], met zetel te [...], GEÏNTIMEERDE, gemachtigde: mr. MA. Grapperhaus. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Van de zijde van appellant, verder te noemen de notaris, is bij een op 27 januari 2006 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Gravenhage, verder te noemen de kamer, van 28 december 2005, waarbij de klacht van geïntimeerde, hierna te noemen klaagster, ten dele gegrond is verklaard en de notaris de maatregel van berisping is opgelegd, en – naar het hof begrijpt – voor het overige ongegrond is verklaard. 1.2. Van de zijde van de notaris zijn bij brief van 2 februari 2006 nog nadere stukken ingediend. 1.3. Namens klaagster is op 2 maart 2006 een verweerschrift ingediend. 1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 14 september 2006. Namens klaagster is haar gemachtigde verschenen. Voorts zijn de notaris en zijn gemachtigde verschenen. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van klaagster aan de hand van een pleitnotitie. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. 4. Beoordeling van de bestreden beslissing Het hof kan zich niet verenigen met de beslissing van de kamer, met uitzondering van de vaststelling van de feiten, en zal deze beslissing derhalve in zoverre vernietigen. 5. Het standpunt van klaagster 5.1. Klaagster verwijt de notaris dat hij op juridisch onjuiste gronden een voetverklaring heeft geplaatst onder een leveringsakte van 27 augustus 2003 die als volgt luidt: “De ondergetekende, mr. [X], notaris gevestigd te [plaats], verklaart dat het registergoed, bij vorenstaande akte vervreemd, in de zin van de Wet voorkeursrecht gemeenten is opgenomen in een aanwijzing ex artikel 8 van die wet. Nu die vervreemding echter plaatsvindt ingevolge een overeenkomst gesloten met een pachter ingevolge het bepaalde in Hoofdstuk I paragraaf 9A van de Pachtwet kan verkoper tot vervreemding overgaan zonder de gemeente in de gelegenheid te stellen het desbetreffende goed te kopen conform het bepaalde in artikel 10 lid 2 sub f van de Wet voorkeursrecht gemeenten.” In dit verband wijst klaagster erop dat het hof te ‘s-Gravenhage in zijn arrest van 16 juni 2005 heeft geoordeeld dat de koopovereenkomst en de levering rechtshandelingen zijn die de kennelijke strekking hebben gehad afbreuk te doen aan de voorkeurspositie van klaagster. De notaris heeft aan deze rechtshandelingen zijn medewerking verleend, zonder reserve en zonder informatie in te winnen bij klaagster, dan wel zonder klaagster hierover te informeren. De notaris heeft hiermee zijn door de wetgever in de Wet voorkeursrecht gemeenten, hierna: Wvg, toegedachte poortwachterfunctie verzaakt. Voorts merkt klaagster op dat ook in geval van twijfel, de notaris, gezien zijn poortwachterfunctie, had moeten afzien van het geven van een voetverklaring zonder dat daarover een rechterlijke uitspraak was gedaan. Desnoods had de notaris het op een procedure met de beoogde verkoper of koper moeten laten aankomen teneinde duidelijkheid te verkrijgen. 5.2. Voorts verwijt klaagster de notaris dat hij twee van haar vertegenwoordigers tijdens hun bezoek aan zijn kantoor onwelwillend, afhoudend en zelfs grof te woord heeft gestaan. Het bezoek werd afgelegd teneinde een toelichting op de gang van zaken te krijgen. 6. Het standpunt van de notaris 6.1. De notaris stelt dat het beroep dat klaagster doet op een arrest van het hof te ‘s-Gravenhage van 16 juni 2005, teneinde aan te tonen dat de notaris klachtwaardig zou hebben gehandeld, niet opgaat, nu rechterlijke uitspraken alleen tussen partijen gelden. De notaris wijst erop dat hij geen partij was in die procedure en stelt voorts een ander juridisch standpunt in te nemen dan het hof. Volgens de notaris zijn er dan ook geen inhoudelijke redenen waarom wel een zeker gewicht aan dit arrest zou moeten worden toegekend. De notaris wijst er voorts op dat het oordeel van het hof in strijd is met de tekst van de Wvg, met de wordingsgeschiedenis van artikel 10 van deze wet en in strijd met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Zo volgt uit artikel 10 lid 2 sub f Wvg niet de restrictie dat de pachtovereenkomst schriftelijk moet zijn aangegaan alsmede door de grondkamer moet zijn goedgekeurd vóórdat het gemeentelijk voorkeursrecht in werking treedt, bevat de wetsgeschiedenis goede aanwijzingen dat de wetgever deze restrictie bij de pachtvrijstelling welbewust achterwege heeft gelaten en volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat de in artikel 10 Wvg opgenomen vrijstellingen ruim moeten worden uitgelegd, waardoor de afwezigheid van eerdergenoemde restrictie in de wettelijke pachtvrijstelling in het voordeel van private partijen dient te zijn. 6.2. Ten aanzien van het tweede onderdeel van de klacht stelt de notaris dat niet hij maar zijn kantoorgenoot mr. [Y] vertegenwoordigers van klaagster te woord heeft gestaan. De notaris heeft van zijn kantoorgenoot begrepen dat er sprake is geweest van een correct verlopen gesprek. 7. De beoordeling 7.1. Evenals de kamer stelt het hof voorop dat in deze procedure aan de orde is of de notaris zijn taken zorgvuldig heeft uitgevoerd, zowel in het kader van de Wet op het notarisambt als in het kader van de Wvg. Zowel de notaris als klaagster zijn uitgebreid ingegaan op de Wvg, de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie. Het hof wijst erop dat in deze procedure geen plaats is voor een inhoudelijke beoordeling van deze stellingen, nu deze is voorbehouden aan de burgerlijke rechter. Het hof zal enkel toetsen of er, op het moment dat de notaris de voetverklaring plaatste, feiten of omstandigheden waren op grond waarvan de notaris zijn medewerking had moeten weigeren, dan wel nader onderzoek had moeten doen alvorens zijn medewerking te verlenen. 7.2. Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht is het hof van oordeel dat de notaris geen verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen, te weten het plaatsen van de hiervoor onder 5.1 breder weergegeven voetverklaring onder de leveringsakte. De notaris heeft betoogd dat hij, alvorens dat te doen, literatuur en jurisprudentie heeft geraadpleegd en dat hij op grond daarvan tot de conclusie is gekomen dat er voor hem geen redenen waren zijn ministerie te weigeren. Het hof neemt bij zijn beoordeling in aanmerking dat de notaris, naar hij onweersproken en gedocumenteerd heeft gesteld, na bestudering van de wetsgeschiedenis van de Wvg en de daarop gebaseerde jurisprudentie tot de conclusie is gekomen dat voor het bestaan en ontstaan van een voorkeursrecht van de pachter niet is vereist dat de pachtovereenkomst waaruit dit voorkeursrecht voortvloeit, is tot stand gekomen voorafgaande aan het ontstaan van het voorkeursrecht krachtens de Wvg. Ook heeft hij, eveneens op grond van wetsgeschiedenis en de jurisprudentie, gemeend dat de al dan niet kennelijke strekking van de pachtovereenkomst afbreuk te doen aan het voorkeursrecht op grond van de Wvg niet relevant is. Het hof kan de notaris hierin volgen. Bij de notaris behoefde, naar het oordeel van het hof, geen redelijke twijfel te bestaan omtrent de juistheid van de door hem te plaatsen en ook geplaatste voetverklaring, welke twijfel hem, indien wel aanwezig, van het plaatsen van die verklaring had moeten weerhouden. Dit klachtonderdeel dient dan ook ongegrond te worden verklaard. 7.3. Ten aanzien van het tweede onderdeel van de klacht overweegt het hof dat klaagster haar verwijt jegens de notaris niet genoegzaam heeft onderbouwd en komt mitsdien tot de conclusie dat ook dit onderdeel van de klacht ongegrond is. 7.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven. 7.5. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing. 8. De beslissing Het hof: - vernietigt de bestreden beslissing met uitzondering van de vaststelling van de feiten en, opnieuw rechtdoende; - verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 16 november 2006 door de rolraadsheer. Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen ’sGravenhage Beslissing van 28 december 2005 inzake de klacht onder nummer 05-19 van: [...], hierna ook te noemen klaagster of de gemeente, advocaat mr. M.A. Grapperhaus te Amsterdam, tegen mr. [X], notaris te [plaats], hierna ook te noemen de notaris, advocaat mr. J.B. Mus te Breda. De procedure De Kamer heeft kennisgenomen van: ? de klacht, met bijlage, ingekomen op 29 juni 2005; ? het antwoord van 20 juli 2005 van de notaris, met bijlagen; ? de repliek van 25 augustus 2005 van klaagster; ? de dupliek van 21 september 2005 van de notaris. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 november 2005. Daarbij waren aanwezig de advocaat van klaagster, vergezeld van de heer [Z], als projectmanager verbonden aan klaagster, en voorts de notaris, bijgestaan door zijn advocaat. De feiten 1. Bij besluit van 28 januari 2003 heeft de raad van de gemeente een voorkeursrecht gevestigd op basis van artikel 8 van de Wet voorkeursrecht gemeenten [hierna Wvg] op onder meer de percelen kadastraal bekend als gemeente [...], sectie A nummers 371, 372 en 896. 2. Deze percelen behoorden op dat moment toe aan [A], die de percelen in 1971 had verpacht aan de heren [B]. Later zijn deze pachtovereenkomsten ten name gesteld van de besloten vennootschap [B] Beheer BV. Deze vennootschap is op 1 januari 2001 als verkrijgende vennootschap een juridische fusie aangegaan met een andere vennootschap. Haar naam is toen gewijzigd in [S] Beheer BV [hierna: [S]]. 3. [S] heeft de aldus door haar gepachte percelen [onder]verpacht aan de besloten vennootschap [V] BV [hierna: [V]]. Deze onderpacht is vastgelegd in een akte van 17/28 juli 2003, waarin wordt verwezen naar een desbetreffende mondelinge overeenkomst van deze partijen van 1 december 2000. [S] en [V] hebben de op schrift gestelde pachtovereenkomst op 4 augustus 2003 ter goedkeuring voorgelegd aan de grondkamer. Bij beschikking van 22 augustus 2003 heeft de grondkamer de overeenkomst goedgekeurd. 4. Op 11 augustus 2003 heeft [A] de percelen verkocht aan [S]. Deze heeft de percelen op diezelfde dag doorverkocht aan [V]. Op 27 augustus 2003 heeft de notaris de leveringsakte ter uitvoering van deze koopovereenkomst gepasseerd. De notaris heeft de volgende voetverklaring onder de leveringsakte geplaatst: “De ondergetekende […], notaris gevestigd te [plaats], verklaart dat het registergoed, bij vorenstaande akte vervreemd, in de zin van de Wet voorkeursrecht gemeenten is opgenomen in een aanwijzing ex artikel 8 van die wet. Nu die vervreemding echter plaatsvindt ingevolge een overeenkomst gesloten met een pachter ingevolge het bepaalde in Hoofdstuk 1 paragraaf 9A van de Pachtwet kan verkoper tot vervreemding overgaan zonder de gemeente in de gelegenheid te stellen het desbetreffende goed te kopen conform het bepaalde in artikel 10 lid 2 sub f van de Wet voorkeursrecht gemeenten.” 5. In de leveringsakte zijn de percelen in kwestie omschreven als percelen tuinland. Uit de akte blijkt verder dat [V] zes vennootschappen als bestuurders heeft. Elk van deze vennootschappen treedt op als bouwmaatschappij, vastgoedbedrijf en/of projectontwikkelaar. 6. De gemeente heeft op 8 januari 2004 aan de rechtbank ’sGravenhage verzocht om de nietigverklaring van de pachtovereenkomsten, de koopovereenkomsten en de leveringshandelingen tussen [S] en [V]. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen. In hoger beroep heeft het gerechtshof ’sGravenhage bij – inmiddels onherroepelijk geworden – beschikking van 16 juni 2005, gegeven tussen de gemeente als verzoekster [appellante] en [S] en [V] als verwerende partijen [geïntimeerden], zowel de onder 4 bedoelde koopovereenkomst van 11 augustus 2003 tussen [S] en [V] als de daarop gevolgde levering van de desbetreffende percelen door [S] aan [V] nietig verklaard. Het gerechtshof heeft hiertoe, kort samengevat, het volgende overwogen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.