GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Douanekamer Uitspraak in de zaak nr. 02/6571 DK de dato 31 augustus 2006
(3)Folie van polyethyleentereftalaat voorzien van een deklaag van warmtegevoelige inkt, met een dikte van niet meer dan 0,01 cm en op rollen met een breedte van 62 cm. 3215 90 80 De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3 b) en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, alsmede de tekst van de GN-codes 3215, 3215 90 en 3215 90
- 3.
- Voor goederen van post 3215 90 80 gold een tarief van 6,5% van de douanewaarde; en voor goederen van post 3920 20 29 een tarief van 8,9% van de douanewaarde. 3.
- Voor het geding is tevens nog van belang Verordening (EG) Nr. 1297/2000 van de Raad van 19 juni 2000, Pb EG Nr. L153 van 26 juni 2000, welke verordening in werking is getreden met ingang van 1 juli
- Bij deze verordening is voor goederen van GN-code 3215 90 80, in de verordening omschreven als “Warmtegevoelige inkt aangebracht op een folie van kunststof”, bepaald dat met ingang van die datum een schorsing van douanerechten geldt voor die goederen van 0% van de douanewaarde.
- Het standpunt van belanghebbende 4.
- In de uitnodiging tot betaling en de uitspraak op bezwaar is de keuze voor post 3920 20 29 onvoldoende gemotiveerd. Ook in het rapport van het Laboratorium is niet met zoveel woorden vermeld waarom deze post de juiste zou zijn. Belanghebbende weet dus niet of de gekozen indeling volgt uit een toepassing van de algemene indelingsregels 1 en 6 of dat de indeling volgt uit een toepassing van de regels 3b of 3c. Het aangeven van de correcte juridische basis waarop een indelingsbeslissing berust is een essentieel vereiste. Niet naleving ervan maakt de beslissing ongeldig. Reeds uit dien hoofde moet de uitspraak worden vernietigd. 4.
- De warmtegevoelige, verkleurende deklaag moet worden aangemerkt als warmtegevoelige inkt in de zin van post 3215 90
- Een argument hiervoor is onder meer Verordening (EG) Nr. 2494/96 van de Commissie van 23 december
- Deze verordening betreft ook inkt in vaste vorm op een drager van kunststof. De inspecteur stelt dat er hooguit sprake kan zijn van inkt na verwarming van de deklaag omdat er dan pas, door de invloed van die warmte, afbeeldingen en letters kunnen ontstaan. Dit zou betekenen dat de deklaag dus nooit als inkt zou kunnen worden beschouwd. Dit is onjuist. Ook onzichtbare inkt zou dan nooit als inkt kunnen worden beschouwd op het moment van de invoer. Onzichtbare inkt is per definitie onzichtbaar op het moment van invoer. De afbeeldingen en letters worden pas zichtbaar na een reactie veroorzaakt door warmte of een andere externe factor. 4.
- Voor het door de inspecteur gemaakte onderscheid tussen “direct thermal printing” en “thermal transfer printing” is geen steun te vinden in het GDT. Door dit onderscheid te maken poogt de inspecteur het toepassingsgebied van tariefpost 3215 van het GDT te beperken. Zoals herhaaldelijk uitgesproken door het Hof van Justitie rechtvaardigt nieuwe technologie geenszins dat producten niet langer onder een bepaalde tariefpost ingedeeld worden tenzij in de desbetreffende tariefpost of in de toelichtingen expliciet verwezen wordt naar een nieuwe technologie of toepassing. Dit is hier duidelijk niet het geval. 4.
- Het product valt duidelijk onder post 3215 90 80 en moet met toepassing van de algemene indelingsregels 1 en 6 onder die post worden ingedeeld. Voor goederen van post 3215 90 80 geldt met ingang van 1 juli 2000 een algehele schorsing van douanerechten. 4.
- Indien de Douanekamer van oordeel zou zijn dat de algemene indelingsregels 1 en 6 geen uitsluitsel kunnen geven, dan moet indelingsregel 3b worden toegepast. Dit levert hetzelfde resultaat op. Het is duidelijk dat de warmtegevoelige deklaag onmisbaar is voor het afdrukken. Het is door deze laag dat, na verhitting, afbeeldingen en letters zichtbaar worden. De drager van het product daarentegen, is slechts van bijkomstige aard. Deze is thans van polypropyleen, maar zou evengoed van enig ander materiaal kunnen zijn, bijvoorbeeld papier. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 21 juni 1988, Sportex, C-253/87, Jurispr. blz. 3351 en het arrest van 2 juni 1994, Techmeda, C-356/93, Jurispr. blz. I-2371, en naar het sub 2.
- genoemde rapport van TNO. 4.
- Namens belanghebbende is ter zitting - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De inspecteur heeft uitsluitend argumenten waarom het product geen inkt is; een echt steekhoudend argument waarom de drager van doorslaggevende betekenis zou moeten zijn noemt hij echter niet. In het verleden was de drager van papier en gaf belanghebbende het product aan onder post 4811 van het GDT. Het product wordt alleen in Nederland ingevoerd. De samenstelling van de afzonderlijke componenten is niet nader geanalyseerd; dat had eigenlijk wel gemoeten. Belanghebbende wilde hiertoe niet overgaan uit concurrentieoverwegingen. Het product is als het ware een voorfase van inkt. Ook dergelijke producten kunnen als inkt worden aangemerkt. Het door de inspecteur overgelegde stuk folie kan representatief worden geacht voor de ingevoerde goederen.
- Het standpunt van de inspecteur 5.
- Indien en voorzover de uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd zou zijn omdat het zou hebben geschort aan overleg tussen partijen, dan is dit in de beroepsfase hersteld. Overigens wordt betwist dat het aan overleg heeft ontbroken. Er is altijd overleg geweest. Bij het overleg waren ook medewerkers van het Laboratorium en van het BTI-team aanwezig. Gezegd moet worden dat partijen van elkaars standpunten goed op de hoogte waren. Er is dan ook geen enkele reden voor het vernietigen van de uitspraak op bezwaar en van de uitnodiging tot betaling. 5.
- Het product is te omschrijven als een drager, een folie, voorzien van een mengsel van chemische stoffen, de deklaag. Onder invloed van een plaatselijke inwerking van warmte reageert het mengsel van chemische stoffen, waardoor een kleuring ontstaat, die zichtbaar wordt op de drager. Het mengsel van chemische componenten in de deklaag bevat dus geen deeltjes, die als een kant en klare “inkt” kunnen worden aangemerkt, omdat de componenten, die voor de afbeelding zorgen, nog in hun samenstellende delen in de deklaag aanwezig zijn. Zij reageren pas met elkaar en voegen zich pas samen, op het moment dat zij onder invloed van de warmte al verkleurend een afbeelding tot stand brengen. Dit wil echter nog niet zeggen dat er dan bij de visuele beeldvorming altijd sprake is van een beeld van inkt. De werkzame stof van het product bevindt zich weliswaar in de deklaag, maar dit is voor de tariefindeling niet doorslaggevend. Zie bijvoorbeeld het advies van het Comité Geharmoniseerd Systeem van de Wereld Douane Organisatie onder punt bij post 4811 betreffende thermisch faxpapier. Daar is vermeld dat thermisch faxpapier uit een drager van papier bestaat, die is voorzien van een warmtegevoelige stof, die zwart wordt ten gevolge van een chemische reactie die optreedt bij verhitting. Faxpapier bevat geen zichtbare of onzichtbare inkt. Om die reden verdwijnt de indeling onder post 3215 uit beeld en vindt de indeling plaats naar de drager, in casu “papier” van post 4811 van het GDT. Het onderhavige product is soortgelijk aan dit faxpapier, maar heeft een folie als drager. Het kan dus niet naar papier worden ingedeeld maar moet naar de stof waarvan het gemaakt is worden ingedeeld, in casu folie van post
- Daarnaast bevat het product geen inkt, in welke vorm dan ook. Ook vindt er geen transport van kleurstof plaats naar het dragende medium, hetgeen bij inkt wel het geval is. 5.
- Het product valt binnen de omschrijving van post 3920 20 29 en moet met toepassing van de algemene indelingsregels 1 en 6 onder die post worden ingedeeld. Voor post 3215 90 80 gold pas vanaf 1 juli 2000 een schorsing naar 0% van de douanewaarde. 5.
- De inspecteur heeft ter zitting het volgende aangevoerd. Het product moet worden ingedeeld naar het materiaal van de drager. In het onderhavige geval is de chemische laag ondergeschikt omdat deze laag geen inkt bevat. Geen van de afzonderlijke componenten bevat inkt. Aan de functie van het product moet daarom worden voorbijgegaan. G van het Laboratorium toont aan de leden van de Douanekamer en aan belanghebbende een aantal gekleurde foliën van kunststof. Hij merkt hierover nog het volgende op: Dit zijn voorbeelden van foliën waarop een warmtegevoelige laag inkt is aangebracht. De deklaag van deze foliën heeft een wezenlijk andere chemische samenstelling. Deze deklaag bevat namelijk inkt in vaste vorm. Dit zijn de foliën bedoeld in post 3215 90
- De rechtsoverwegingen 6.
- Belanghebbendes klacht dat de uitspraak van de inspecteur op het door haar gemaakte bezwaar niet, althans onvoldoende is gemotiveerd en deswege dient te worden vernietigd, is ongegrond, reeds omdat de loop van de procedure in belastingzaken meebrengt dat, indien de uitspraak op een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet of niet voldoende met redenen is omkleed, dit alleen tot gevolg heeft dat de Douanekamer, zo die het beroep ongegrond verklaart, verplicht is zelf de gronden daarvoor in de uitspraak op te nemen (Hoge Raad 4 mei 1994, nr. 29 481, BNB 1994/195*). 6.
- Onder post 3215 90 80 vallen onder meer (andere) inktsoorten, ook indien geconcentreerd of in vaste vorm. Het onderhavige product bestaat uit een kunststof folie van polypropyleen, met aan één zijde een vulstof van calciumcarbonaat, waarvan volgens de verklaringen van de door partijen geraadpleegde deskundigen (sub 2.
- en 2.5.) de dye precursor het werkzame bestanddeel uitmaakt. Deze dye precursor is volgens de deskundigen geen inkt maar een chemische stof die in combinatie met een developer onder invloed van warmte reageert tot een zwart product. 6.
- Gelet op de sub 6.
- weergegeven samenstelling van de vulstof kan het onderhavige product, in de staat waarin het zich ten tijde van de invoer bevond, niet worden aangemerkt als (andere) inktsoort, ook indien geconcentreerd of in vaste vorm, zodat indeling onder post 3215 90 80 niet mogelijk is. 6.
- Van de verschillende stoffen waaruit het onderhavige product is vervaardigd, is het folie naar het oordeel van de Douanekamer de stof waaraan het product zijn wezenlijk karakter ontleent, aangezien de folie niet slechts de drager van de dye precursor is, maar ook het medium waarop de tekst of het beeld wordt aangebracht. Het product dient derhalve met toepassing van indelingsregels 1, 3b en 6 van de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur te worden ingedeeld onder post 3920 20
- 6.
- De Douanekamer kan de door belanghebbende verdedigde vergelijking met onzichtbare inkt niet volgen. Onzichtbare inkt is al een inkt die wordt aangebracht op een drager, maar die pas zichtbaar wordt nadat ze wordt verwarmd. De verschillende in de vulstof aanwezige stoffen bevatten echter geen inkt als bedoeld in post 3215 van het GDT. 6.
- Het door belanghebbende in dit verband gedane beroep op de sub 3.
- genoemde verordening verwerpt de Douanekamer. Het onderhavige product heeft niet specifiek betrekking op het product dat wordt omschreven in deze verordening (“warmtegevoelige inkt”). Evenmin is dat product vergelijkbaar met het onderhavige product; er is derhalve geen plaats voor een analoge toepassing van de verordening op de voet van het arrest van 4 maart 2004, Krings GmbH, C-130/02, gepubliceerd in Douanerechtspraak 2004/47*. 6.
- Het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Techmeda, reeds aangehaald sub 4.
- hiervoor, waarin een wezenlijk anders samengesteld product aan de orde is, noopt niet tot de door belanghebbende voorgestane indeling. 6.
- Ten overvloede merkt de Douanekamer nog op dat de door belanghebbende ingeroepen schorsing van het douanerecht (Taric-code 3215 90 80 20) eerst met ingang van 1 juli 2000 van kracht is geworden, bij Verordening (EG) Nr. 1297/2000 van 19 juni 2000 (sub 3.
- hiervoor), en derhalve nog niet gold ten tijde van de litigieuze aangiften voor het vrije verkeer. 6.
- Uit al het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
- De proceskosten De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene Wet Bestuursrecht.
- De beslissing De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is vastgesteld op 31 augustus 2006 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis en mr. J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.G. van Aalst, griffier. De beslissing is op 19 december 2006 in het openbaar uitgesproken. De griffier: De voorzitter: Beroep in cassatie Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.