GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur. 1. Loop van het geding 1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 20 januari 2005, ingediend door mr. te ; hierna: de gemachtigde). Het (onderhavige) beroep met kenmerk 05/00503 is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 20 december 2004, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997. De met dagtekening 26 november 2002 aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag is berekend naar een belastingbedrag van ƒ a. Na bezwaar tegen de naheffingsaanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep strekt primair tot vernietiging van de uitspraak en van de naheffingsaanslag. 1.2. Eveneens op 20 januari 2004 is ter griffie een beroepschrift ontvangen van de naamloze vennootschap Y N.V. (hierna: Y N.V.) te Z, ingediend door voornoemde gemachtigde. Dit beroep, met kenmerk 05/00504, is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 20 december 2004, betreffende de aan Y N.V. opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen voor het tijdvak 1998 tot en met 2000. De met dagtekening 25 april 2003 aan Y N.V. opgelegde naheffingsaanslag is berekend naar een belastingbedrag van f b. Na bezwaar tegen de naheffingsaanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep strekt primair tot vernietiging van de uitspraak en van de naheffingsaanslag. 1.3. Bij brieven met bijlagen van 6 mei 2005 (ter griffie als ingekomen gestempeld met datumstempel 4 mei 2005, respectievelijk met datumstempel 9 mei 2005), welke brieven op beide voormelde beroepen betrekking hebben, heeft de gemachtigde de beroepen aangevuld. 1.4. De inspecteur heeft bij brief van 10 augustus 2005 in beide zaken een verweerschrift met bijlagen ingediend. In die verweerschriften concludeert hij tot ongegrondverklaring van de beroepen. 1.5. Op 18 oktober 2005 is ter griffie van de gemachtigde een conclusie van repliek ingekomen die beide beroepen betreft. Op 5 december 2005 heeft de inspecteur in beide zaken afzonderlijk een conclusie van dupliek ingediend. 1.6. Het Hof heeft de beide zaken gezamenlijk in behandeling genomen. Alle gedingstukken in beide zaken gelden als over en weer ingebracht in de andere zaak. 1.7. Op 1 februari 2006 heeft de raadsheer-commissaris mr. J. den Boer in aanwezigheid van de griffier drie getuigen gehoord. De daarvan door de griffier opgemaakte processen-verbaal zijn - met bijlagen - aan deze uitspraak gehecht. Afschriften van de processen-verbaal en van de vragenlijst van de gemachtigde zijn eveneens reeds bij brief van 3 februari 2006 aan partijen gezonden. 1.8. Bij brieven van 9 januari 2006 en 24 februari 2006 heeft de gemachtigde nadere stukken ingediend; afschriften daarvan zijn aan de inspecteur gezonden. 1.9. De beide beroepen zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van 8 maart 2006. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende was een betaaldvoetbalclub die in het seizoen 1997/1998 met haar eerste elftal deelnam aan de eredivisie. Haar loonbelastingnummer was cc.dd.eee.fff. 2.2. In juni 1997 heeft belanghebbende de spelers A en B gecontracteerd. Deze speelden in het seizoen 1996/1997 respectievelijk voor de buitenlandse clubs C (in een Oostaziatisch land) en D (U-land). 2.3. In het kader van de transfer van A heeft belanghebbende op 8 september 1997 US $ ww betaald op een bankrekening ten name van een manager van een Oost-Europese club, GG. Het internationale transfercertificaat van A werd door belanghebbende, althans de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (hierna: KNVB) verkregen van de desbetreffende Oost-Europese voetbalbond. 2.4. In het kader van de transfer van B heeft belanghebbende op 8 juli 1997 DM vv betaald op een bankrekening van de Russische voetbalclub HH. Op 22 juli 1997 heeft belanghebbende, althans de KNVB, het internationale transfercertificaat van B verkregen van de voetbalbond van U-land. 2.5. Op 6 november 1997 is door de inspecteur van de – destijds ten aanzien van belanghebbende bevoegde – inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen Z een boekenonderzoek aangevangen naar de transfers van belanghebbende in het seizoen 1996/1997. 2.6. Op 1 mei 1998 is Y N.V. opgericht. Met ingang van het seizoen 1998/1999 heeft zij de plaats van belanghebbende als betaaldvoetbalorganisatie overgenomen. Haar loonbelastingnummer is aaaa.bb.ccc.ddd. 2.7. In de loop van 1998 heeft de Belastingdienst een (landelijke) Doelgroep Betaald Voetbal ingesteld. Tot de leden van die doelgroep behoorden, sinds haar instelling, onder meer mr. E, mr. F en G . In samenhang met deze organisatorische wijziging is de bevoegdheid ter zake van alle betaaldvoetbalorganisaties overgegaan op het hoofd van de eenheid Grote ondernemingen P (die hierna, evenals de in zijn plaats getreden inspecteur van de Belastingdienst te P, als de inspecteur zal worden aangeduid). 2.8. In het kader van het voormelde boekenonderzoek – dat door (leden van) de doelgroep is overgenomen – zijn vragen gerezen over de transfers van A en B. 2.9. Op grond van door hem verkregen informatie, heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de in 2.3. respectievelijk 2.4. vermelde bedragen als (netto)loon aan A, respectievelijk aan B ten goede zijn gekomen. 2.10. Namens de inspecteur heeft F in een brief met dagtekening 14 november 2002, gericht aan “het bestuur van Vereniging X” de onderhavige naheffingsaanslag aangekondigd. In die brief is onder meer het volgende vermeld: “Op grond van artikel 31, lid 1 van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt de loonbelasting/premie volksverzekeringen geheven van X. De verschuldigde belasting wordt bepaald aan de hand van het tabeltarief, in casu 150%. Op grond van artikel 31, lid 4 van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt aangenomen dat de inhoudingsplichtige de loonheffing en de premie ingevolge de Ziekenfondswet alsmede de verschuldigde premie ingevolge de Werkloosheidswet aanstonds voor zijn rekening heeft genomen (…) De in deze naheffingsaanslag te begrijpen enkelvoudige belasting bedraagt: - (…) inzake B ll - (…) inzake A mm (…) Omdat tegen X strafvervolging is ingesteld zal in de op te leggen naheffingsaanslag geen boete worden begrepen”. 2.11. Gedagtekend 26 november 2002 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag – met het aanslagnummer cc.dd.eee.0000 – opgelegd met de navolgende adressering: Football Club X (zie: aaaa.bb.cc.ddd) [adres] 2.12. Met dagtekening 20 december 2002, respectievelijk 31 december 2002 hebben de voor de heffing van inkomstenbelasting van A respectievelijk B bevoegde inspecteurs aan A, respectievelijk B navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 opgelegd ter zake van het loon dat in de naheffingsaanslag was betrokken. Met geen van beide navorderingsaanslagen heeft verrekening plaatsgevonden van de van X nageheven loonheffing. 2.13. Op 3 januari 2003 en op 6 januari 2003 zijn door de gemachtigde pro forma bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslag ingediend, respectievelijk namens “ Football Club X” en namens “de Vereniging X”. 2.14. In een brief van 6 januari 2003 heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag is opgelegd aan Y N.V. In nadere correspondentie tussen de inspecteur en de gemachtigde is ervan uitgegaan dat het pro forma bezwaarschrift van 3 januari 2003 is ingediend namens Y N.V. 2.15. In een brief van 23 maart 2004 heeft de gemachtigde onder meer het volgende aan de inspecteur meegedeeld: “Indien en voorzover rechtens vast zou komen te staan dat [belanghebbende] loonbelasting is verschuldigd ter zake van de betalingen, zal [belanghebbende] dit verhalen op A en B. Te dier zake heeft [belanghebbende] B en A geïnformeerd. Bij de berekening van de verschuldigde loonbelasting is dan ook ten onrechte rekening gehouden met de omstandigheid dat de loonbelasting niet op A en B zou worden verhaald. (…) Indien en voorzover er sprake zou zijn van door [belanghebbende] betaald “loon”, verzoekt [belanghebbende] U artikel 31, lid 1, van de Wet LB niet toe te passen”. 2.15. Bij uitspraak van 27 april 2004 is het bezwaar van Y N.V. tegen de naheffingsaanslag niet-ontvankelijk verklaard. 2.16. De bestreden uitspraak op bezwaar is op 20 december 2004 gedaan door E, nadat hij deze uitspraak bij brief van 25 november 2004 had aangekondigd en gemotiveerd. 3. Geschil In geschil is het antwoord op de volgende vragen: 3.1. Had de inspecteur het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk moeten verklaren? 3.2. Dient de uitspraak van de inspecteur vernietigd te worden omdat deze is gedaan met schending van artikel 10:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb)? 3.3. Dient de naheffingsaanslag vernietigd te worden omdat de daarin begrepen loonbestanddelen tevens – in coördinatie met de naheffingsaanslag – zijn begrepen in navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ten name van A en B? 3.4. Dient de naheffingsaanslag vernietigd te worden omdat de heffing had moeten geschieden bij A en/of GG, respectievelijk bij B en/of HH? 3.5. Heeft de inspecteur het vereiste bewijs geleverd dat belanghebbende (de in de naheffingsaanslag betrokken bedragen als) loon heeft betaald aan A en B? Subsidiair: 3.6. Mocht de naheffingsaanslag worden opgelegd met toepassing van artikel 31 Wet LB 1964? 3.7. Mocht de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag de zogeheten brutering toepassen? 3.8. Heeft de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag voldoende ermee rekening gehouden dat de bedragen van US $ ww en DM vv (gedeeltelijk) aan derden ten goede zijn gekomen? 3.9. Dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot een naar - uitsluitend - een loon van A van US $ yy, omgerekend naar de koers van 10 september 1997? 4. Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en de processen-verbaal van de getuigenverhoren en van de zitting. 5. Beoordeling van het geschil 5.1.1. Ter onderbouwing van haar stelling dat de inspecteur haar bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren, voert belanghebbende aan dat de naheffingsaanslag blijkens het in de adressering gebezigde loonbelastingnummer is gericht aan Y N.V. en dat het bezwaar dientengevolge is gericht tegen een niet aan belanghebbende bekendgemaakte en jegens haar dus niet in werking getreden naheffingsaanslag. 5.1.2. Het Hof verwerpt deze stelling en het daaraan ten grondslag gelegde betoog. Vaststaat dat de aankondiging van de naheffingsaanslag aan belanghebbende is gezonden, dat belanghebbende deze heeft ontvangen, dat het nummer van de naheffingsaanslag correspondeert met het loonbelastingnummer van belanghebbende en dat de tenaamstelling op het aanslagbiljet overeenstemt met de statutaire naam van belanghebbende. Naar ’s Hofs oordeel is dit niet alleen voldoende voor het oordeel dat de naheffingsaanslag in objectieve zin aan belanghebbende is bekendgemaakt, doch ook voor het oordeel dat belanghebbende in redelijkheid niet kon menen dat de naheffingsaanslag niet aan haar, doch aan Y N.V. gericht zou zijn. Dit laatste nog te minder nu Y N.V. in het tijdvak van naheffing nog niet bestond. De enkele omstandigheid dat in de adressering van de naheffingsaanslag een verwijzing is opgenomen naar het loonbelastingnummer van Y N.V. doet hier onvoldoende aan af. 5.1.3. Het gelijk op geschilpunt 3.1. is daarmee aan de inspecteur. 5.2.1. Artikel 10, derde lid, Awb houdt in dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Belanghebbende meent dat dit voorschrift in materiële zin is geschonden. Daartoe voert zij, samengevat weergegeven, aan dat F (die de onderhavige en de in 1.2. vermelde naheffingsaanslag heeft vastgesteld) en E (die uitspraak op de bezwaren tegen de beide naheffingsaanslagen heeft gedaan) beiden deel uitmaken van de landelijke Doelgroep Betaald Voetbal, dat binnen die kennisgroep geregeld overleg plaatsvindt over lopende zaken, waaronder het onderhavige dossier, dat E heeft deelgenomen aan besprekingen inzake belanghebbende, dat het gelet op de betrokkenheid van E en diens expertise op het gebied van tekengeldconstructies uiterst onwaarschijnlijk is dat E niet nauw betrokken is geweest bij (de bepaling van de omvang van) de naheffingsaanslagen en de motivering die daaraan is gegeven, dat minst genomen de schijn is gewekt dat E materieel de naheffingsaanslagen heeft vastgesteld, dat voorts niet denkbeeldig is dat F inhoudelijk betrokken is geweest bij de totstandkoming van de uitspraken op bezwaar en dat ook hier geldt dat minst genomen de schijn is gewekt dat zulks het geval is geweest. 5.2.2. Bij de beoordeling van de stellingen van belanghebbende stelt het Hof voorop dat van een – tot vernietiging van de uitspraak leidende – materiële schending van artikel 10, derde lid, Awb, alleen dan sprake is indien de ambtenaar die het primaire besluit (in casu: de naheffingsaanslag) heeft genomen, ook feitelijk degene is die (mede) de beslissing op het bezwaarschrift heeft genomen. Het is aan degene die zich op schending van het voorschrift beroept om aannemelijk te maken dat dit het geval is geweest, althans daarvoor in ieder geval een begin van bewijs te leveren. Daartoe is, naar ’s Hofs oordeel, gelet ook op de hierna vermelde getuigenverklaringen, niet voldoende de stelling dat de ambtenaar die de uitspraak op bezwaar heeft gedaan, ook in eerdere fasen een zekere inhoudelijke betrokkenheid bij het dossier heeft gehad en evenmin de stelling dat de schijn daarvan is gewekt. 5.2.3. Uit de getuigenverklaringen van E en F volgt niet, en belanghebbende heeft tegenover het gemotiveerde verweer in de conclusie van dupliek onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag feitelijk door iemand anders is vastgesteld dan door F en dat de uitspraak op bezwaar feitelijk door iemand anders is gedaan dan door E. Belanghebbende heeft tegenover het gemotiveerde verweer van de inspecteur ook geenszins aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een dusdanige onderlinge sturing of beïnvloeding dat F respectievelijk E bij het vaststellen van de aanslag respectievelijk het doen van de uitspraak hun oordeel niet met de vereiste mate van onafhankelijkheid hebben gevormd. 5.2.4. Ook op geschilpunt 3.2. is het gelijk aan de inspecteur. 5.3.1. Ook voor de beoordeling van het in 3.3. omschreven geschilpunt is de inhoud van de getuigenverhoren van belang. 5.3.2. F heeft als getuige onder meer het volgende verklaard op aan hem gestelde, tevens schriftelijk voorgelegde en hier cursief weergegeven, vragen: “7 Heeft u op enig moment vóórdat u de naheffingsaanslagen 1997 vaststelde overleg gevoerd met, (een) bespreking(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.